Oliver Hilmes, Witwe im Wahn: Das Leben der Alma Mahler- Werfel

Alma!

Het leven van Alma Mahler, verguisd en opgehemeld, beroemd dankzij beroemdheden, is voor het eerst compleet beschreven.

Oliver Hilmes

Witwe im Wahn: Das Leben der Alma

Mahler-Werfel,

BTB Verlag, 478 blz.

Alleen al het noemen van haar naam – «Alma!» – wekte haat en eerbied tegelijk op. Voor de filosoof Theodor W. Adorno was ze «das Monstrum», de toneelmaker Gerhart Hauptmann noemde haar bewonderend «eine tolle Madame», Ma riette Torberg vond haar «zowel een grote dame als een cloaca», Erich Maria Remarque betitelde diezelfde cloaca van wege haar legendarische resistentie tegen drank als «een wild, blond wijf, gewelddadig, zuipend» en de schrijfster Claire Goll schreef fatalistisch over de beroemde echtgenoten die Alma begraven had en in wier roem ze ver na hun dood – tot op de dag van vandaag – baadde: «Wie met Alma Mahler ge trouwd is, is ten dode opgeschreven!»

De lijst van tijdgenoten – echtgenoten, minnaars, trawanten en satellieten – die in de 85 levensjaren van Alma Mahler-Werfel (1879-1964) haar pad kruisten, is lang, en laat zich lezen als een lexicon van prominenten van de twintigste eeuw. Weduwe van de componist Gustav Mahler en de schrijver Franz Werfel, echtgenote van de architect Walter Gropius, geliefde van de schilder Oskar Kokoschka (die toen Alma hem verliet een levensgrote pop naar haar evenbeeld maakte, waarmee hij ’s nachts naar bed ging), was zij wat je wel een bijzonder vroege versie van een Party-Luder (society-bitch) zou kunnen noemen. Ze was beroemd doordat ze zich omgaf met mannen die be roemd waren; die mannen schiepen op hun beurt kunstwerken die ze aan Alma opdroegen en die de roem van haar naam over de wereld verbreidden. Het Adagietto uit de Vijfde symfonie was Mahlers liefdesverklaring aan zijn jonge vrouw. Alban Berg wijdde later – uit dankbaarheid voor haar financiële steun – de uitgave van de partituur van Wozzeck aan haar, en schreef na de dood van Alma’s dochter Manon Gro pius zijn prachtige twaalftoons-vioolconcert, Im Angedenken eines Engels. Kokoschka schilderde Alma keer op keer. Haar schoonzoon in spe Elias Canetti overspoelde haar met hatelijke tirades («een vervaagde oude vrouw op de sofa, de componistenmoordenares»), en haar echte schoonzoon Ernst Krenek deed daar nog een schepje bovenop.

Alma liet niemand onberoerd en daar in is tot op heden weinig veranderd. Voor sommigen is ze een vroege feministe, voor anderen de perso ni fica tie van de zonde, nog anderen zien haar vooral als parasiet. Als je de namen van de vele kunstenaars met wie ze zich omringde weglaat, dan resteert een keukenmeidenroman over een intelligente, elegante en gevoelige would-be kunstenares die op eigen kracht niets gecreëerd heeft, behalve een paar on beduidende liederen in haar jeugd. Alma gedroeg zich nooit «normaal», maar altijd excentriek.

Ze transformeerde zichzelf al jong tot een vrouw die het eigen bestaan uitriep tot kunstwerk, waarbinnen ze de gedaante aannam van de muze der grote geesten. Ze zag zichzelf bovenal als muze van joodse kunstenaars, die ze met haar katholieke, arische aard van het «donkere Jodendom» wilde bevrijden en meevoeren naar Grootsheid en Licht. Zo interpreteerde ze dat in elk geval zelf, en ze raakte daarbij diep in explosief antisemitisch gedachtegoed verwikkeld.

Het volkomen tegenstrijdige leven dat daaruit ontstond is droommateriaal voor publicisten. Sinds haar dood in 1964 in New York verschenen vijf bio gra fieën, een indrukwekkend Polydrama (Alma: A Show Biz ans Ende van Joshua Sobols), Hilde Berger schreef een roman over haar relatie met Kokosch ka (Ob es Haß ist, solche Liebe?) en dan zijn er nog de beruchte autobiografieën Mein Leben en And the Bridge of Love.

Je zou kunnen denken dat daarmee over het geval-Alma Mahler alles wel gezegd is. Toch publiceerde Oliver Hilmes in 2004 een zesde biografie, die door het sensationele succes in Duitsland onlangs als paperback werd herdrukt. Lezing van de briljant geschreven inleiding is al voldoende om te zien dat deze levensbeschrijving volkomen an ders is dan alle voorgangers, omdat Hilmes – geboren in 1971, gepromoveerd muziekhistoricus, medewerker van de directie van de Berliner Philharmoniker – voor het eerst de niet-uitgegeven dagboeken van Alma als bron gebruikt. Hij citeert er overvloedig uit. De intieme notities onthullen Alma’s ontzagwekkende nymfomanie, haar neiging tot hysterie en het regelmatig weerkerende Leitmotiv van haar antisemitisme. Dat blijkt veel meer te zijn dan alleen maar een attitude uit het gelukzalige Kaiser- und Königliche fin de siècle; het staat veel meer voor arisch-nazistische superioriteitsaanstellerij die een donkere schaduw op Alma’s persoonlijkheid werpt. In de zomer van 1927 noteerde ze: «De joden zijn uitzonderlijke geleerden, kunstenaars, geldmensen, maar van de politiek moeten ze met hun handen af blijven. Ze zetten de wereld door hun fantasieloosheid in brand. De mensen moeten aan die praktijken eindelijk eens een einde maken, voor het te laat is!»

Tien jaar later, in 1938, na de An schluss van Oostenrijk, op de vlucht met haar joodse echtgenoot Franz Werfel, schreef ze: «Ik zal nu met een mij zielsvreemd volk naar alle uithoeken van de wereld moeten zwerven, en ik kan desondanks niets anders doen (hoewel ik mijn Heimat, mijn geestelijke en materiële eigendommen verloren heb, en de mensen die ik liefheb, mijn moeder, nooit meer zal zien) dan met de grootste bewondering deze heldhaftige Mens aanschouwen, terwijl hij boven de mensheid voortschrijdt.» Met «hij» wordt Adolf Hitler bedoeld, die ze hartstochtelijk bewonderde, zoals de meeste Weners.

Ondanks haar antisemitische overtuiging vergezelde Alma haar joodse echtgenoot in ballingschap zonder een seconde te aarzelen. Ze verdroeg alle inspanningen zonder klagen, zeulde haar contanten, koffers, juwelen en, in haar handtas, haar kostbare Mahler- en Bruckner-partituren te voet over de bergen van Frankrijk naar Spanje, op de gevorderde leeftijd van 61 jaar. En dat terwijl ze elke dag een fles zoetige kruiden schnaps consumeerde en alles be halve sportief was.

In het licht van Alma’s antisemitisme is het niet erg verrassend dat in deze biografie de meeste memorabele feiten te lezen staan over de tijd met Franz Werfel in het klerikaal-fascistische Oostenrijk, op de vlucht voor de nazi-dictatuur en in ballingschap in de VS – als buurvrouw van Thomas Mann, die graag op Alma’s party’s kwam. Hilmes tekent daar, net als elders, het schokkende psychogram van een hy bride, om erkenning en erotische vervulling strijdende vrouw («Ik zou een grote Daad willen doen»), een zich met de vluchtige geuren van de laat-Romantiek en het impressionisme parfumerende salondame die bijna iedere man in haar omgeving aan zich wilde onderwerpen, of door intrige kapot maken. Er was geen tussenweg.

Oliver Hilmes geeft toe dat hij gefascineerd is door Alma Mahlers «compositie van haar eigen legende», die er niet voor terugschrok feiten naar believen te verdraaien of zelfs compleet over het hoofd te zien. Tot in detail legt Hilmes de schrikbarende verschillen bloot tussen de officiële, zo lang bestaande Alma-legende en de werkelijke feiten. In dat spanningsveld bloeit dit vlot geformuleerde boek op. Hoe afstotelijk Alma als mens ook was, en hoe zwaar haar echtgenoten het ook met haar als partner hadden, als bewust geschapen kunstwerk is Alma’s leven indrukwekkend, en altijd lezenswaardig.