De platformrevolutie

Almachtige allesbedrijven

De ICT-revolutie heeft een nieuwe fase van het kapitalisme ingeluid, waarin platformen als Amazon en Uber steeds grotere marktaandelen opslokken. Wordt de toekomst bepaald door een handvol techgiganten? ‘Op den duur is deze situatie onhoudbaar.’

Zijn collega’s op Wall Street moeten vreemd hebben opgekeken toen Jeff Bezos in 1994 zijn dik betaalde baan als hedgefondsmanager opgaf om een online boekwinkel te beginnen. Het verkopen van dode bomen, was dat nu de manier om het wereldwijde web te veroveren? De naam die Bezos voor zijn start-up koos verried in ieder geval zijn ambities en zelfvertrouwen. Net als de machtige Amazone-rivier zou zijn internetwinkel een onstuitbare kracht worden. Een kwart eeuw na de oprichting kunnen we rustig vaststellen dat zijn missie is geslaagd: Amazon is een van de meest vermogende firma’s op aarde en met een persoonlijk vermogen van 105 miljard dollar is Jeff Bezos de allerrijkste mens die ooit heeft geleefd.

Hoewel hij zich in de begindagen graag presenteerde als de vriend van de letteren – het hielp dat zijn vrouw romanschrijver is – was de keuze voor het boek vooral een pragmatische. Boeken laten zich makkelijk verschepen, raken niet snel beschadigd en zijn handig voor het opstellen van klantprofielen. Want data, begreep Bezos al vroeg, zijn de sleutel tot succes. Dat Amazon weinig winst maakte op transacties deerde niet, zolang mensen de website maar wisten te vinden. En het boek was de ideale gateway drug: consumenten konden wennen aan online winkelen en ondertussen kon Amazon gegevens verzamelen en zijn assortiment uitbreiden. Inmiddels verkoopt de webwinkel bijna vierhonderd miljoen verschillende producten – van snowboards tot elektronica en van autobanden tot keukengerei. Niet voor niets gaf journalist Brad Stone zijn boek over Amazon de titel The Everything Store.

Zelfs die beschrijving is wellicht te bescheiden. Amazon is niet zomaar een winkel voor alles, het is uitgegroeid tot een bedrijf voor alles. De vertakkingen van de rivier reiken inmiddels tot ver buiten het digitale domein: Amazon opende fysieke boekhandels, nam de biologische supermarkt Whole Foods over en heeft een eigen filmstudio, streamingdienst en game-ontwikkelaar. Het investeert in kunstmatige intelligentie, runt een uitzendbureau voor digitale freelancers (MTurk) en verhuurt serverruimte aan andere internetondernemers via Amazon Web Services. (Op persoonlijke titel richtte Bezos het ruimtevaartbedrijf Blue Origin op en kocht hij in 2013 een meerderheidsaandeel in The Washington Post).

Als we in Nederland over de digitale economie praten, gaat het vaak over Facebook en Google: diensten waarvan we inmiddels zo afhankelijk zijn dat het eng begint te worden. Maar misschien is de stormachtige opmars van Amazon nog wel de beste casus om zicht te krijgen op de transformatie die de wereldeconomie doormaakt. Want dat het internet een ingrijpende impact heeft op onze manier van produceren en consumeren lijdt geen twijfel, getuige ook de talloze neologismen die de afgelopen jaren zijn gemunt. We hoorden over de ‘deeleconomie’, waarin bezit steeds minder belangrijk zou worden, of werden gewaarschuwd voor de ‘gig-economy’, waarin ‘kruimelzzp’ers’ van klus naar klus hoppen. En omdat vrijwel alles met een simpele klik kan worden besteld, zouden we leven in een ‘on-demand-economie’.

Het zijn catchy labels die stuk voor stuk belangrijke aspecten belichten, maar geen van alle vertellen ze het volledige verhaal. Wat we op dit moment namelijk meemaken, zo signaleren verschillende academici, is niets minder dan een mutatie van het kapitalisme. We betreden een nieuw tijdperk waarin data de belangrijkste grondstof zijn, arbeiders worden aangestuurd door algoritmes, en waarin één bedrijfsmodel overheerst: het platform.

Voor bewijs hoef je enkel naar de beurskoersen te kijken. Domineerden tien jaar geleden de olieconcerns, vandaag de dag zijn Apple, Alphabet (het moederbedrijf van Google), Microsoft, Amazon en Facebook de vijf grootste ondernemingen ter wereld. Wat deze big five gemeen hebben is dat het geen klassieke bedrijven zijn, maar platformen. In plaats van simpelweg goederen te fabriceren of diensten te leveren, hebben zij de software en hardware in handen waarop ze ontwikkelaars, adverteerders, aanbieders en afnemers samenbrengen. Ze zijn de centrale knooppunten in een almaar uitdijend netwerk en drukken steeds nadrukkelijker hun stempel op de wereld om ons heen.

Dit is ‘the age of the platform’, concludeerde techjournalist Phil Simon al in 2011. Apple is zo succesvol omdat programmeurs van buitenaf apps bouwen voor haar besturingssysteem, net zoals Amazon bestaat bij de gratie van producten die anderen aanbieden en Airbnb geld verdient door vakantiegangers aan thuishoteliers te koppelen. Om te voorkomen dat ze de boot missen proberen ook allerlei ‘ouderwetse’ organisaties zich in rap tempo om te toveren tot een platform. Dat is goed nieuws, stellen onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology in het onlangs verschenen boek The Platform Revolution: How Networked Markets Are Transforming the Economy: ‘Het produceert enorme voordelen voor de samenleving als geheel en voor de bedrijven die rijkdom creëren, groei genereren en de behoeften van de mensheid dienen.’

Ziet de toekomst er werkelijk zo rooskleurig uit? Dat ceo’s en aandeelhouders van grote techbedrijven profiteren van de platformrevolutie behoeft geen uitleg, maar of dat ook geldt voor de samenleving als geheel is nog maar de vraag. Hoe invloedrijker platformen worden, hoe meer het ongemak groeit. Overheden raken nerveus omdat ze niet goed weten hoe ze de internetgiganten moeten reguleren, burgers maken zich zorgen om hun privacy, en een groeiend reservoir van flexibele app-arbeiders vormt een digitaal ‘precariaat’. Ondertussen slokken de platformen steeds grotere marktaandelen op in hun jacht naar een onbetwistbare monopoliepositie.

Veel bedrijfskundigen raken enthousiast over het platformmodel, omdat ze de fundamentele spanningen tussen kapitaal en arbeid over het hoofd zien. Alsof de overheid alleen maar een beetje hoeft bij te sturen om alles in goede banen te leiden. Maar het is veel angstaanjagender.’ Nick Srnicek, docent Digital Economics aan het King’s College in Londen, heeft weinig op met naïeve jubelverhalen over hippe hemelbestormers uit Silicon Valley die de boel komen disrupten. Bekijk bedrijven als Google en Amazon door een kritische, macro-economische bril, zoals hij doet in zijn boek Platform Capitalism (2016), en je begrijpt waarom hun explosieve groei ons zorgen zou moeten baren. ‘Deze bedrijven zijn constant op zoek naar nieuwe winstmogelijkheden, nieuwe producten, nieuwe markten en nieuwe vormen van uitbuiting.’

Want het kapitalisme, weet Srnicek, staat nooit stil. Het wordt voortgestuwd door een onophoudelijke vernieuwingsdrang en eist voortdurend technologische verandering. Iedere keer als de rek eruit lijkt, moet er een nieuwe truc worden verzonnen om door te kunnen groeien. In het begin van de vorige eeuw introduceerde autofabrikant Henry Ford de lopende band, waarna de hele industriesector in no time overschakelde op massaproductie. En tijdens de jaren negentig werd de internetzeepbel opgeblazen, die – na het barsten – een infrastructuur achterliet waar platformen vandaag de dag van profiteren. In dat licht bezien is Jeff Bezos misschien wel de Henry Ford van de 21ste eeuw: hij perfectioneerde een nieuw organisatiemodel dat nu overal navolging krijgt.

In de magazijnen van Amazon houdt een elektronisch systeem precies bij hoeveel dozen iedere arbeider per uur inpakt

Dat platformen de laatste jaren zo’n vlucht hebben genomen valt volgens Srnicek niet los te zien van de financiële crisis van 2008. ‘Veel mensen waren wanhopig op zoek naar een baan of extra inkomen’, zegt hij in een Skype-gesprek. ‘Vooral diensten als Uber en Amazons MTurk maakten daar handig gebruik van. Ze zochten mazen in de bestaande wetgeving om de normale arbeidsrelatie te omzeilen. Uber zag zichzelf bijvoorbeeld niet als een werkgever, maar als een bemiddelaar die chauffeurs en reizigers aan elkaar koppelt. Overheden wisten niet goed hoe ze moesten reageren, pas nu zie je dat er strengere regelgeving komt. Maar als er niet zo’n hoge werkloosheid was geweest, had Uber nooit zo’n groot succes kunnen worden.’

Wat ook meehielp was de lage rentestand, waardoor het goedkoop was om te lenen en niet erg lucratief om te sparen. Kapitaalkrachtige investeerders die op zoek waren naar een fatsoenlijk rendement richtten hun pijlen sneller op risicovolle sectoren, zoals start-ups uit Silicon Valley. Techondernemers met wilde plannen sleepten bakken met geld binnen, zelfs al hadden ze geen idee hoe ze winst zouden maken. Zo kan het dat Uber, een bedrijf met een geschatte beurswaarde van bijna zeventig miljard dollar, negen jaar na oprichting nog altijd verlies draait. Staat er een nieuwe zeepbel op knappen?

Zo ver wil Srnicek niet gaan, al gelooft hij wel dat sommige platformen kwetsbaarder zijn dan andere. Zelfs Google en Facebook zijn niet veilig – ze verdienen hun geld nu vooral door advertentieruimte te veilen, maar op de lange termijn is dat een riskante strategie, zegt hij: ‘De controverse rondom online marketing neemt toe. Adverteerders raken gefrustreerd als hun commercials opduiken bij extremistische inhoud. En er zijn steeds meer aanwijzingen dat digitaal adverteren helemaal niet zo effectief is als werd gedacht. Bovendien hebben Facebook en Google met z’n tweeën bijna de hele markt in handen, waardoor het moeilijker wordt om te blijven groeien.’ Vandaar dat ze doorlopend op zoek zijn naar nieuwe zakelijke kansen. Zo investeert Facebook een miljard dollar om eigen tv-programma’s te ontwikkelen en is Google opgegaan in Alphabet, een conglomeraat dat ook biomedische technologie ontwikkelt en ‘slimme’ thermostaten verkoopt.

Dat de platformrevolutie zich niet beperkt tot de online wereld bewijzen ook fabrikanten als Siemens en GE, die hun productieproces opnieuw willen uitvinden met behulp van de ‘industrial internet of things’. Zelfs agroreus Monsanto bouwt aan een netwerk met sensoren en computerchips die data verzamelen over de bodemkwaliteit, weersomstandigheden en de gezondheid van gewassen, dat boeren moet helpen om kosten te besparen en oogsten te vergroten. ‘We zien het als de Amazon van de landbouw’, vertelde de ceo van Monsanto aan investeerders. ‘We stellen ons platform open voor aanvullende apps zodat uiteindelijk de beste app wint.’

Het is geen toeval dat andere bedrijven jaloers naar Bezos’ imperium kijken, zegt Nick Srnicek, het is in veel opzichten het meest complete en toekomstbestendige platform: ‘Amazon gaat verder dan alleen e-commerce, ze bouwen de infrastructuur van de 21ste-eeuwse economie. De advertentiemarkt kan bij de volgende recessie zomaar instorten, maar de vraag naar pakketbezorging, streaming en werken in de cloud zal alleen maar toenemen. Dat zijn precies de productiemiddelen die Amazon in handen heeft.’

Als Amazon inderdaad het toonbeeld is van het bedrijf van de toekomst belooft dat weinig goeds voor het platformproletariaat. Jeff Bezos staat bekend om zijn meedogenloze managementstijl: hij eist het uiterste van zijn medewerkers en deinst er niet voor terug om hard in te grijpen zodra de prestaties tegenvallen. ‘Purposeful darwinism’, zo omschreef een HR-medewerker Amazons personeelsbeleid. Een uitgebreid onderzoek van The New York Times liet in 2015 zien wat dat in de praktijk betekent: zelfs hooggeplaatste ‘Amazonians’ worden constant gemonitord en geacht om werkweken van meer dan tachtig uur te draaien. Een medewerker met borstkanker moest een ‘prestatieverbeteringstraject’ volgen omdat ‘persoonlijke omstandigheden’ haar zouden beletten om de ‘professionele doelstellingen’ te halen. En dat zijn nog de werknemers met comfortabele kantoorbanen. In de magazijnen houdt een geavanceerd elektronisch systeem precies bij hoeveel dozen iedere arbeider per uur inpakt.

Niet dat dit soort werkomstandigheden uniek zijn voor Amazon. Het ‘Googleplex’ in het Californische Mountain View is een soort klassenmaatschappij in het klein, zo ontdekte kunstenaar Andrew Wilson toen hij daar in 2011 als uitzendkracht werkte. Degenen onder aan de ladder verrichten in totale afzondering geestdodend automatiseringswerk, zoals het inscannen van boeken. Een praatje aanknopen met een collega uit een andere rang kan al reden zijn voor ontslag. En dat Uber traditionele taxibedrijven kan beconcurreren komt niet alleen door de gelikte app, maar vooral doordat chauffeurs minder betaald krijgen. Ondanks alle futuristische retoriek over robotisering en een baanloze toekomst leunen de platformen nog verdacht veel op goedkope arbeidskrachten. Waar Henry Ford zijn fabrieksarbeiders een goed loon bood, zodat ze zelf ook een auto konden aanschaffen, hebben de techbedrijven in de eerste plaats oog voor hun aandeelhouders. ‘Sinds de jaren negentig heeft het Kapitaal keer op keer gewonnen van Arbeid’, zegt Srnicek. ‘Platformen maken dat alleen maar erger.’

In 2000 publiceerde een groep onderzoekers en ingenieurs een paper over wat we tegenwoordig een ‘smart home’ zouden noemen. Ze hadden onderzocht hoe digitale techniek in het huishouden mensen kon stimuleren om een beter en gezonder leven te leiden. Het prototype hadden ze bewust zo ontworpen dat alle data alleen beschikbaar zouden zijn voor de bewoners. Een ontwerp waarbij derde partijen persoonlijke gegevens konden inzien was niet alleen onethisch, het zou bovenal onverkoopbaar zijn. Niemand zou zo’n systeem vertrouwen, redeneerden ze. ‘Dat was ook wat alle enquêtes uitwezen’, zegt Shoshana Zuboff, hoogleraar aan Harvard Business School. ‘Ik heb nog nooit een survey gezien waaruit bleek dat burgers niet om hun privacy geven.’

Hoe kan het dan dat we nu, nog geen twee decennia later, meer intieme informatie delen met private bedrijven dan met onze eigen familie? De digitale economie draait volledig op het verzamelen van persoonlijke gegevens van gebruikers: wat olie en kolen waren voor de industriële revolutie zijn data voor het platformkapitalisme. Al spreekt Zuboff liever over ‘surveillance capitalism’, de term die ze in 2016 introduceerde in een spraakmakend essay in de Frankfurter Allgemeine. ‘We moeten inzien dat deze discussie niet over technologie gaat’, zegt ze aan de telefoon. ‘Het gaat over een nieuwe vorm van kapitalisme, met een specifieke logica van accumulatie, waarbij data worden vergaard om het gedrag van mensen te voorspellen en te manipuleren. Dat creëert een economie die totaal verschilt van alles wat we eerder hebben gezien.’

Het strijden voor een betere privacybescherming is dan ook zinloos zolang we de economische structuren ongemoeid laten, betoogde ze in de Duitse krant: ‘Het eisen van privacy van surveillancekapitalisten is alsof je Henry Ford zou vragen om iedere auto met de hand te maken. Alsof je een giraffe vraagt om zijn nek te laten krimpen, of een koe om te stoppen met kauwen. Zulke eisen vormen een existentiële bedreiging voor hun voortbestaan. Hoe kunnen we van bedrijven waarvan het economische bestaan volledig afhangt van het verzamelen van data verwachten dat ze daar vrijwillig mee stoppen? Het is alsof je om zelfmoord vraagt.’

In de ogen van Zuboff is niet Amazon maar Google het hedendaagse equivalent van de Ford Motor Company. Daar werken de ingenieurs die kort na de eeuwwisseling de blauwdruk maakten voor de nieuwe economie. ‘Nadat de dotcombubbel gebarsten was dreigde het helemaal mis te gaan bij Google’, zegt Zuboff. ‘Investeerders begonnen ongerust te worden en om hen heen moesten allerlei internetbedrijven hun deuren sluiten – het was echt een noodtoestand. De oprichters waren vastberaden dat Google niet de zoveelste flop mocht worden, dus begonnen ze te experimenteren met het analyseren van gedragsgegevens om te voorspellen wanneer gebruikers op een advertentie zouden klikken. Nadat ze hadden ontdekt dat ze daarmee geld konden verdienen, gooiden ze het roer volledig om. Google verkoopt niet zomaar advertenties, ze fabriceren en verkopen voorspellingen.’

‘Ik geloof niet meer dat we de digitale infrastructuur kunnen overlaten aan de markt’

En net zo min als de lopende band beperkt bleef tot de Ford-fabriek stopt deze ontwikkeling bij Google. De hele economie is er onderhand van doordrenkt. De financiële sector, de verzekeringsbranche, retailers en telecombedrijven: allemaal gebruiken ze big data-technologie in een poging de competitie voor te blijven. Ze hebben een onstilbare honger naar de ruwe grondstof waarmee ze hun algoritmes kunnen optimaliseren, hun productieprocessen kunnen stroomlijnen of adverteerders kunnen bedienen. ‘Ieder product moet tegenwoordig “smart” zijn’, zegt Zuboff. ‘Bij de aankoop van thermostaten en vaatwassers krijg je een contract met privacyvoorwaarden – dat moet toch een waarschuwingssignaal zijn.’

De alarmerende analyses van Zuboff en Srnicek staan haaks op de boodschap waarmee journalist Paul Mason twee jaar geleden nog hoge ogen gooide. Ook hij onderzocht wat de ict-revolutie betekent voor het kapitalisme, maar kwam daarbij tot een radicaal andere conclusie. De nieuwe technologieën geven het kapitalisme helemaal geen nieuwe impuls, stelt Mason, ze ondermijnen juist zijn bestaansvoorwaarden. Het commerciële succes van de techgiganten zou een stuiptrekking zijn van een systeem dat op zijn laatste benen loopt. ‘Het kapitalisme heeft de grenzen van zijn aanpassingsvermogen bereikt’, schrijft hij in het boek Post Capitalism: A Guide to the Future (2015).

Als voorbeeld geeft Mason de verkoop van muziek op iTunes. De prijs voor een liedje, 99 cent, is compleet losgezongen van de werkelijke productiewaarde nu een digitaal bestand oneindig vaak gekopieerd kan worden, zonder dat het iets extra’s kost. Voor het eerst is er geen sprake van schaarste maar van overvloed. Of neem Wikipedia, de online encyclopedie die vaak wordt gebruikt als illustratie van de kracht van de crowd. Wikipedia heeft geen commerciële motieven, draait op de vrijwillige inzet van haar gebruikers. Zo’n open source-structuur is volgens Mason hét model voor de toekomst: het is slechts een kwestie van tijd voordat ook hyperkapitalistische platformen als Airbnb en Uber vervangen worden door publieke alternatieven. Dan kan de ware deeleconomie beginnen.

Je hoeft geen zure cynicus te zijn om vraagtekens te plaatsen bij dit soort vrolijke prognoses. Is het feit dat streamingdiensten als Spotify en AppleMusic nieuwe verdienmodellen hebben gevonden niet juist het ultieme bewijs van de flexibiliteit van het kapitalisme? Is Wikipedia niet de uitzondering die de regel bevestigt? ‘Ik vrees dat Mason veel te optimistisch is’, zegt Srnicek. ‘Al in de jaren negentig voorspelden mensen dat het internet het kapitalisme de nek om zou draaien, maar daar is vooralsnog geen enkel bewijs voor. Natuurlijk brengt het internet nieuwe uitdagingen en kansen met zich mee, maar dat betekent niet dat het automatisch leidt naar het postkapitalisme. Het is net zo gemakkelijk om een somberder scenario te bedenken.’

Een scenario, bijvoorbeeld, waarin een handvol techbedrijven blijft groeien, totdat ze een onaantastbare monopoliepositie hebben verworven. Dat lijkt momenteel realistischer dan een postkapitalistische samenleving. Ondanks alle ophef over nepnieuws en zorgen over privacy is er nog steeds geen serieus alternatief voor Facebook, en de coöperatieve varianten van Airbnb of Uber slaan nog geen deuk in een pakje boter. Als verklaring wijzen economen naar het ‘netwerk-effect’: hoe meer mensen van een platform gebruik maken, hoe aantrekkelijker het is, dus wanneer een platform eenmaal een kritische massa heeft bereikt, krijgen potentiële concurrenten nauwelijks meer een voet aan de grond. De voorsprong is dan nagenoeg onoverbrugbaar. En mocht er onverhoopt toch een gevaarlijke uitdager opduiken, dan hebben de big five genoeg reserves in kas om die simpelweg op te kopen. Facebook heeft zelfs al een interne tool ontwikkeld die automatisch waarschuwt zodra een nieuwe start-up te populair wordt.

Om te overleven in de digitale jungle, begrijpen de techbaronnen, moet je ervoor zorgen dat gebruikers volledig afhankelijk worden van jouw platform. Als het aan Apple ligt betaal je straks je boodschappen via je iPhone, luister je naar muziek via AppleMusic, lees je de krant via AppleNews, dim je de lichten met de HomePod, gebruik je de ingebouwde ‘kaarten’-app voor navigatie en bekijk je je hartslag op je AppleWatch. Al zullen Amazon, Facebook en Google op hun beurt hun uiterste best doen om zo veel mogelijk van die activiteiten via hun platform te laten lopen. De big five zijn in een continue strijd verwikkeld om de positie van oppermonopolist.

Waar dat uiteindelijk toe kan leiden, beschrijft Dave Eggers in zijn dystopische roman De Cirkel: een wereld waarin één enkele techgigant almachtig en alwetend is omdat hij alle datastromen in handen heeft. Het meest verontrustende aan Eggers’ verhaal is misschien wel dat het helemaal niet aandoet als een vergezochte fantasie, hij hoeft enkel de huidige ontwikkelingen tot het uiterste door te trekken. ‘De Cirkel klinkt misschien als het logische eindpunt van mijn analyse’, erkent Nick Srnicek. ‘Maar gelukkig is het speculatieve fictie. Het hoeft natuurlijk niet zo te eindigen.’

Ook Shoshana Zuboff geeft de moed niet op, maar om het surveillancekapitalisme te temmen moeten we wel anders gaan nadenken. Maatregelen zoals de recordboete van 2,4 miljard euro die de Europese Commissie vorig jaar oplegde aan Google zetten uiteindelijk weinig zoden aan de dijk, denkt ze: ‘Zelfs als je erin slaagt om een bedrijf als Google op te breken, houd je meerdere kleine surveillancekapitalisten over – het onderliggende probleem los je daarmee niet op.’

Gelukkig kunnen we hoop putten uit de geschiedenisboeken, want het is niet de eerste keer dat de balans tussen arbeid en kapitaal volledig uit het lood is geslagen. ‘De eerste golven van industrialisatie waren ook destructief’, zegt Zuboff. ‘Maar uiteindelijk hebben we, dankzij collectieve actie en organisatie, betere werkomstandigheden bevochten en een sociaal vangnet opgebouwd. Ik ben ervan overtuigd dat we opnieuw een manier kunnen vinden om het kapitalisme te beteugelen. Op den duur is deze situatie onhoudbaar.’

In een opiniestuk in The Guardian deed Nick Srnicek alvast een gedurfde suggestie hoe het anders kan: we zouden Google, Facebook en Amazon moeten nationaliseren. ‘Historisch gezien zijn natuurlijke monopolies zoals nutsbedrijven en de spoorwegen, bedrijven die grote schaalvoordelen hebben en het publieke belang dienen, logische kandidaten om te nationaliseren’, schrijft hij. Waarom zou die logica niet van toepassing zijn op digitale diensten? Op die manier kunnen we de controle over het internet herwinnen en voorkomen dat onze data worden opgeslurpt door private bedrijven die vooral geïnteresseerd zijn in geld en macht.

Ook Evgeny Morozov, de Wit-Russische filosoof die de techindustrie al jarenlang kritisch volgt, gelooft dat het tijd wordt om drastischer oplossingen te onderzoeken. ‘Vijf jaar geleden was ik nog tevreden met het zoeken naar effectievere manieren om Google en Facebook te reguleren’, zei hij in een interview met The New Left Review. ‘Maar vandaag de dag besteed ik daar geen tijd meer aan. Nu vraag ik me hardop af wie de eigenaar zou moeten zijn van de digitale infrastructuur en de data die daar doorheen stromen. Ik geloof niet meer dat we deze diensten kunnen overlaten aan de markt.’

Zo ligt dankzij de opkomst van nieuwe technologie een aloude vraag plots opnieuw op tafel: wie bezit de productiemiddelen? En wie heeft er dus de macht om vorm te geven aan de toekomst? Voorlopig zijn dat platformkapitalisten als Jeff Bezos, maar wie weet is de alleswinkel straks wel een staatsbedrijf.