Aloha sarajevo groene-essay

Je kunt hier komen met kunst of wederopbouwplannen, maar je bent hoe dan ook te laat. Je kunt ernstige vragen stellen, maar je krijgt ironie terug en onwil om alles nog eens uit te leggen. Liever danst de jeugd een Hollandse polonaise. Sarajevo zomer 1996: snapshots van een verloren wereld
maandag 29 juli Op de hoes van Saint Dominic’s Preview, een plaat uit 1972, zit Van Morrison op de stenen trap voor twee hoge blauwe deuren. Hij speelt gitaar en zijn ogen spuwen vuur. Ze proberen iets terug te halen wat al uit zicht verdwenen is. De foto vangt hem, zittend voor de poort van de kathedraal in zijn geboortestad Belfast, precies op het punt dat zijn heimwee omslaat in woede.

De titelsong is een wervelende, bittere hymne aan het uitzicht op het plein voor de kathedraal. De herinneringen aan zijn jongenstijd liggen daar. Maar het uitzicht wordt hem telkens ontnomen. Zuipende platenbazen. Winkelende burgers zonder oog voor de zwervers tussen de kartonnen dozen op straat voor de supermarkt. Iedereen die bezig is zichzelf haastig in veiligheid te brengen. ‘Everybody feels so determined not to feel anyone elses pain. No one making no commitments to anybody but themselves.’ De blazers en gitaren zwepen hem op, en Van Morrison raakt buiten zichzelf van machteloze woede. De afstand tussen San Francisco en Belfast is te groot; de afstand tussen waar hij is terechtgekomen en waar hij zou willen zijn. Het is allemaal veel te ingewikkeld. De wereld van vroeger lag net nog binnen handbereik. Nu lopen vraatzucht, egoïsme en schijnheiligheid alweer door het beeld.
dinsdag 30 juli Op een bleke parkeerplaats ergens in Duitsland kijken we elkaar voor het eerst voorzichtig aan. De nacht in de bus vanuit Amsterdam is stil en hangerig voorbij gegaan. Nu lopen we gapend, in kleine groepjes naar de toiletten. Drie gitaarbands, twee deejays, een filmer en wat organisatoren op weg naar Sarajevo. In de hal van het wegrestaurant trekt een stoet dames in Spakenburgse klederdracht door ons blikveld. Ik vraag me af op hoeveel parkeerplaatsen in Europa zulke groepjes staan te kleumen, nu de weg naar Sarajevo weer open is. Over de motieven maak ik me geen illusies. Nieuwsgierigheid, een lichte zucht naar spanning, een gevoel dat het ergens goed voor kan zijn zulke bezoekjes af te leggen. Even willekeurig bijna als de contacten uit de tijd van het beleg, die André Sterk, Jeroen Stout en mij ertoe brengen deze reis in gang te zetten.
Links voor in de bus, vlak achter de chauffeur, zitten de Easy Aloha’s. Twee jongens met bakkebaarden uit Delft. Ik weet alleen dat ze vanachter hun draaitafels half Nederland op zijn kop zetten met hun easytune. Ze lachen vaker, dommer en aanstekelijker dan Beavis en Butthead. In hun boekje van vier, met Wim de cameraman en Jeroen Kleijn, de drummer van Daryll-Ann, spelen ze een soort domino. Elke nieuwe grap lokt een volgende uit.
woensdag 31 juli Ik hang onderuit in mijn stoel en praat met Liesbeth Jansen. Jaren in De Balie en de PvdA hebben haar van alles over mensen geleerd, zonder iets van haar nieuwsgierigheid weg te nemen. We hebben het over de schrijvers in Sarajevo, met wie we straks het literaire deel van dit kleine Holland Festival gaan organiseren. Schrijvers aan wie het verleden met geweld is ontnomen, en nu kunnen ze er niet meer naar terug. Als ze dat al zouden willen. Zijn ze al in staat gedichten en romans te schrijven, nu de nachtmerrie nog vers in hun geheugen rondjaagt en ze geen enkele reden meer hebben om geloof te hechten aan welke woorden dan ook?
Is dat een belangrijke vraag? Ik vind het belangrijk dat een tragedie literatuur oplevert. Er moet iets overblijven. En de anderen moeten begrijpen wat er is gebeurd, ook al is het te laat. In Nederland zeggen sommigen dat er distantie nodig is om ergens literatuur van te maken. Afstand in tijd en kilometers, en ook een innerlijke afstand.
Liesbeth kijkt uit het raam naar de hoge bergen. Ze zijn dichtbegroeid in alle tinten van groen. De hemel erboven is intimiderend blauw. En de huizen hebben geen daken meer. We zijn in Bosnië. Eerst weet je het nog niet zeker. Een muur kan ook van verwaarlozing aangevreten raken. Maar de twijfel duurt niet lang. Geen huis is gespaard gebleven. Ze staan dakloos tegen de heuvels, in kleine groepjes, met kogelgaten en brandplekken. Het ene leger is er doorheen getrokken, daarna het andere. Van de bewoners geen spoor. Ik wil dat de jongens het zien. Dat ze stilvallen. Dat de ernst tot ze doordringt.
Plotseling een diepe kuil in de weg. Er gaat een schok door de bus. Even houdt iedereen de adem in en denkt hetzelfde. Dan beginnen ze alweer te lachen.
Honderdvijftig kilometer van Sarajevo stranden we in Bugojno, een ontluikende provincieplaats. In het halfdonker van de zomeravond geven de vernielingen de hoofdstraat een bijna rustieke aanblik. Zo ongeveer de complete bevolking flaneert er kwetterend aan voorbij.
De politie helpt ons aan onderdak. In het plaatselijke centrum voor sport en cultuur, een karikatuur van socialistische bouwkunst met veel schuine vlakken in bruin en oranje, krijgen wij de gymzaal. We rollen onze slaapzakken uit onder het tl-licht en zien ineens de bizarre parallel met de televisiebeelden van stretchers, koffers en vluchtelingenfamilies in precies dezelfde gymzalen.
Nu pakt Wim, de tengere zanger van de Cornfields, een akoestische gitaar en gaat op de rand van het kleine podium zitten. Hij begint te zingen. Ik zit meteen rechtop. 'Champion cleaning all the windows, singin’ songs of Edith PSO.’ Het zijn de eerste regels van Saint Dominic’s Preview. Wim schudt zijn krullen, diep over de gitaar gebogen. De andere Cornfields zitten er nu omheen, er is nog een gitaar. De woede en de weemoed jagen elkaar op. 'As we gaze out on, As we gaze out on - Saint Dominic’s Preview.’ Het plein voor de kathedraal daalt bijna neer in de gymzaal, maar dan is het nummer afgelopen. Hier en daar klapt iemand. In de vensterbank zit Anne Soldaat, de stille gitarist van Daryll-Ann, aandachtig heel andere melodietjes te pingelen. Naast me kijken de Aloha’s op, slaan de blik ten hemel en heffen met vrome stemmen aan: 'Ik zou wel eens willen weten…’
Later die avond; iedereen zit nu op en rond het podium. Caesar, Daryll-Ann, Cornfields, Aloha’s, Wim de cameraman, Ron de technicus. De eerste schermutselingen zijn voorbij; er is een soort hiërarchie bepaald. Sem, de engelachtige bassist van Caesar, staat de gitaar niet meer af. De gebroeders Paulusma zingen als de Everly Brothers met giftanden. Ten slotte doet het gezelschap een wonderbaarlijke ontdekking: dat je met zijn tienen, door elkaar heen, zonder een valse noot, in een gymzaal in Bosnië deze vier liedjes tegelijk kunt zingen: Cowgirl in the Sand, Helpless, Knockin’ on Heavens Door, en Keep On Rockin’ in the Free World. Ik lig in mijn slaapzak naar het plafond te glimlachen en vraag me af waarom het Neil Young is die, meer dan wie ook in het collectieve geheugen van de popmuziek, een gemeenschappelijk terrein biedt aan elke tien willekeurige, onwennige muzikanten die je ergens bij elkaar zet. Het heeft iets te maken met atmosfeer. Het is een tijdloze, net iets van de snelweg gelegen ruimte. Het verliezen van iemand doet er wel pijn, maar niet te veel, want zonder dat verlies zou je toch niet helemaal compleet zijn. En morgen moet je trouwens ook weer verder. Het is een ruimte waar je eenzaamheid niet te zwaar weegt, omdat de andere er even eenzaam zijn. En vooral is het een ruimte die je nooit meer terug zou kunnen vinden als je ernaar op zoek zou gaan. Totdat je die liedjes speelt. Dan ligt hij opeens weer binnen handbereik.
donderdag 1 augustus De volgende ochtend rijden we Sarajevo binnen. Het is nu de vierde keer dat me dit overkomt. Ik kan me geen enkele relatie voorstellen tussen de wereld binnen het voertuig waarin ik me bevind en de wereld die ik daar buiten zie. Ook nu de zon schijnt, de mensen vrijuit over straat lopen en overal terrasjes met schetterende muziek openbarsten, kan ik me niet instellen op de aanblik van Snipers’ Alley. Ik zie de hoogbouw van Oslobodjenje, als een pudding in elkaar gezakt op de redactielokalen. De uitgebrande trams, als schapen met holle ogen op elkaar gepakt in de remise. Slordige gaten in stenen muren, alsof ze geen geschiedenis hebben en er nooit bloemen in de vensterbank hebben gestaan. Maar die geschiedenis hebben ze wèl. Alleen: zodra ik me die probeer voor te stellen, blaast het moment van de explosie die er een eind aan maakte, mijn gedachten weg. Het geweld blaast de categorieën weg waarin ik denk. De afspraken over oorzaak en gevolg, afstand en fatsoen, afspraken waarop bijvoorbeeld 27 willekeurige Nederlanders in een bus een kleine samenleving kunnen bouwen. Dat spat allemaal uit elkaar.
Ik ben niet tegen geweld. De laatste film die ik heb bezocht was The Rock. Ik heb wel eens in een radiomicrofoon geroepen dat ze Pale moesten platgooien. Maar hier staat het geweld mijn begrip in de weg. Ik wil deze stad leren kennen. En ik niet alleen. Iedereen hier probeert iets van de grond te krijgen. En daarvoor is het nodig te begrijpen wat er is gebeurd. Maar tussen de sfeervolle provinciehoofdstad van vroeger en de rare, opgetuigde ruïne van nu ligt een blanco zone, een soort wit licht: daar heeft het geweld elke vorm van nadenken weggeblazen.
Tegen een hoog, voormalig gebouw in het centrum hangt boven de nieuwe verkeersdrukte een plakkaat van zeker twee bij twee. Het is een mooie afbeelding in zwart-wit van een jongen met een tollend windmolentje voor zijn gezicht. Erboven in heldere letters: Dani Kultura Amsterdama. Het duurt even voor we doorhebben dat wij dit zijn: Amsterdamse Culturele Dagen. Het klinkt nogal potsierlijk. Geen idee of we welkom zijn. Misschien lachen ze ons wel weg. Het duurt bijna een uur voor de bus een parkeerplaats vindt, en dan nog niet eens in het centrum.
Sloga, de club waar de bands spelen, ligt in een smalle straat, recht tegenover het politiebureau en pal naast het redactiekantoor van Liljan, een islamitisch weekblad. Maar Sarajevo is nog steeds geen stad van louter streng gelovigen. Voor de club draaien de mooie jongens en meisjes om elkaar heen, af en toe lui uit elkaar gestuurd door een passerende agent. Eenmaal binnen sta ik voor een verbijsterend tafereel. De elektriciteit, die vanmiddag nog ontbrak, is aangesprongen. En tegen de fel belichte achtergrond van een geschilderd New York, zoals de kunstenaar het zich ergens in de diepe jaren zeventig moet hebben voorgesteld, staan Bas Albers en Gerard Janssen als vorsten achter hun draaitafels. De Easy Aloha’s hebben zojuist gezorgd voor de eerste polonaise in de geschiedenis van Bosnië. Grijnzend van oor tot oor,V-tekens zwaaiend naar de springende jongens, draaien ze de ene terecht vergeten kraker na de andere.
En ineens is het duidelijk waarom we drie dagen in die bus hebben gezeten. De muziek vult iets in. De ruimte waar iedereen wel iemand heeft verloren, de ruimte waar niet over na te denken valt, die is plotseling vlakbij. De mooie jongens en meisjes dansen er dwars doorheen. De Aloha’s torenen er lachend bovenuit. En de Cornfields, daarna, storten zich er met zijn vijven schaamteloos middenin. Wim de zanger kronkelt en wiegt, de harmonieën zijn scherp, de gitaren pompen en jagen. Het publiek, eerst nog verlegen, nadert het podium en trekt zich weer terug, eb en vloed. En helemaal aan het eind vliegen Van Morrisons woorden met een machteloze sneer de zaal in. Ze blijven lang hangen. Hier krijgen ze hun geldigheid terug. Everybody feels so determined not to feel anyone else’s pain. No one making no commitments to anybody but themselves.
vrijdag 2 augustus Literatuur is moeilijker. Het terras van de beroemde historicus Kresevljakovic, de Huizinga van Bosnië, kijkt uit over de oude binnenstad. Zijn kleinzoons Nihad en Sead zagen hiervandaan de granaten overvliegen. Nu zetten ze stoeltjes neer voor de dertig gasten: schrijvers, lezers en journalisten uit Sarajevo. Zelf vertegenwoordig ik vanavond in mijn eentje de Nederlandse letteren. Willem van Toorn en K. Michel, in een andere bus onderweg, staan vast in Travnik: een staking van oorlogsinvaliden die het wachten op de beloofde uitkeringen moe zijn.
Ik heb me goed voorbereid. Ik stel ernstige vragen. Wat ik terugkrijg: ironie, verhalen en onwil. Onwil om alles nog eens uit te leggen. Om het geweld dat ze hebben meegemaakt voor de zoveelste bezoeker te beschrijven. Om zich te schikken in de morele druk om over de oorlog te schrijven. Om verschil te maken tussen literatuur in oorlogstijd en vredestijd. Explosies komen, in metaforische zin, toch altijd en overal voor?
En toch gaat het nergens anders over. Grappend, bokkig, ironisch, maar alleen over Sarajevo, de granaten, de doden, en het antwoord daarop dat ze zoeken. Hardnekkige pogingen, tegen wil en dank, te beschrijven wat er is gebeurd. Ozren Kebo, de chroniqueur van Sarajevo for Beginners, zegt dat een schrijver helemaal geen tijd en kilometers nodig heeft om voldoende afstand te scheppen. Ironie volstaat. Hij werkt nu aan een Bosnische Decamerone: een groep mensen schuilt in een kelder tijdens de beschietingen van de eerste oorlogswinter. Ze vertellen elkaar verhalen over de bedgewoonten van Sarajevanen in oorlogstijd.
Kebo is een jonge man met een hoge stem en het ritme van de geboren verteller. Het terras schudt van het lachen. Maar ik hoor, via de tolk, een heimwee dat ik hier al vaker ben tegengekomen: naar die uitbarsting van woorden en ideeën, de intensiteit en de bijna gulzige overlevingsdrift van 1992, het eerste jaar van de belegering. De kunstenaars die toen opstonden en niet zijn vertrokken, zegt Kebo, neigen nu naar een soort autisme: in zichzelf gekeerd, teleurgesteld in alles en iedereen, doodmoe, tastend naar die gruwelijke euforie, waarvan ze niet willen geloven dat hij alleen onder granaatvuur te voorschijn komt.
In Sloga is het de beurt aan Caesar. Alle spanningen van de busreis en de eerste dagen in een stad die zich voortdurend tegenspreekt, spatten eruit. Het is een compact, overdonderend, wanhopig optreden. Van alle busreizigers is Caesar hier misschien het beste thuis: soms stuiteren ze van opwinding over het podium, maar in de kern is het louter pijn. Raak ze aan en je staat onder stroom.
Vreemd: op de terrasjes waar de radio aanstaat, klinkt regelmatig een uitgebreide aankondiging van de Dani Kultura Amsterdama. We zijn al op het journaal geweest en er staan interviews in de kranten. Het is vreemd om een festival te zijn in een stad die eigenlijk nog geen ruimte heeft voor andere onderwerpen dan zichzelf. We zijn hier uitgenodigd en welkom, mensen spannen zich voor ons in. Maar de muziek, literatuur en film brengen we toch vooral mee omdat het nog te vroeg is om hier met lege handen op bezoek te komen.
’s Avonds op het terras met de schrijvers hebben we het over god. Of liever, ik vraag: Als je schrijft over de kogel die door je keukenraam zoefde, zoek je daar dan een betekenis achter, een hoger plan, of is het allemaal toeval en blind geweld? Die vraag stel ik, in steeds verschillende woorden, zes keer achter elkaar. De schrijvers tegenover me interpreteren hem steeds gelijk. Vier tamelijk jonge mannen, liberaal en erudiet. Ze denken allemaal dat ik ze vraag of god bestaat. En ze zeggen allemaal ja. Willem van Toorn, inmiddels met K. Michel gearriveerd, stelt dat schrijven met een plan een illusie is. Maar Kebo, Durakovic, Velickovic en Musabegovic hebben het over god. En de hemel trekt dicht. Een harde wind steekt op. De appelboom trilt en laat zijn vruchten los. Dan barst er een donderend, apocalyptisch onweer los. Krakende donderslagen volgen de bliksemflitsen op de voet.
Iedereen vlucht naar binnen. We kruipen bij elkaar in de zwakverlichte bibliotheek van de oude historicus. Buiten kolkt het water door de straten. De Bosniërs verklaren een voor een, ieder met een mooi verteld verhaal, hoe ze in deze oorlog tot het geloof zijn gekomen. Ozren Kebo is de enige die nog twijfelt. Ook hij gelooft in een god, sinds zijn kind op een mijn stapte die niet ontplofte. Maar hij weet nog niet in welke - hij is zoon van gemengde ouders. Hij zet een appel voor zich neer op tafel: 'Als deze appel zich om half acht heeft verdubbeld, dan geloof ik in Sai Baba.’
In de Sloga zijn alle bezoekers doorweekt. Daryll-Ann speelt zijn liedjes van vermoorde onschuld. Ze hangen als uitroeptekens in de zaal. Jeroen Kleijn drumt fabelachtig; hij ziet alles en vangt elke beweging voor hem op. Anne verdwijnt met zijn donkere solo’s bijna in de versterker. Jelle en Coen razen over het podium, reiken naar het publiek, spreken ze aan en zingen voor ze.
En toch slaat na het concert, in het besloten café beneden, de kater toe. De toegewijde, licht aangeschoten huistechnicus spreekt iedereen toe. We zijn goed, we zijn leuk, maar we integreren niet genoeg. Het contact tussen de muzikanten en de toeschouwers blijft uit, vindt de technicus.
Beroering. De frustratie laait op. Hoe moeten ze integreren met een publiek dat voor de avondklok van elf uur naar huis moet? Elke avond staat er toch een band uit de stad in het voorprogramma? Hebben ze dan niet snaren en drumvellen weg staan geven? Was niet elke noot van elk optreden een antwoord op alle gekmakende verhalen die ze hier tegenkomen?
Ik ben ineens uitgeput. Ik weet al dat je het hier nooit goed kan doen. De tevredenheid van een volmaakt optreden bereik je hier niet. Want het ís hier niet goed. En volmaakt zal het nooit meer worden. Je kunt hier komen, met geld of kunst of wederopbouwplannen. Onwelkom ben je niet. Het is beter dan wegblijven. Maar je bent hoe dan ook te laat. En waar ben je morgen? Juist: op de weg terug naar buiten. Wij hebben drie dagen in een bus gezeten. Zij hebben drie jaar onder vuur gelegen. Moeten zij ons bedanken? Wij hen? Moet zo'n klein, tegen de klippen op georganiseerd festival in een volledig ontmantelde stad vlekkeloos verlopen? Of is alles wat goed gaat meegenomen?
Ik loop naar buiten. Het is middernacht, voorbij de avondklok. De straten glimmen nog. De verlichting is bijna overal uit. Naast me loopt Aida, de kleine stoere deejay van Radio Zid. Wat me bezighoudt is de eindeloos gelaagde, dubbelzinnige verhouding tussen de bewoners en de bezoekers. Twee werelden die op allerlei manieren net niet in elkaar passen. Het gevoel er steeds bijna te zijn, maar nooit helemaal aan te komen. We lopen zonder plan. De uitgestorven straten in een spookachtig licht, alsof ze onder water liggen. Af en toe scheurt er een auto voorbij. De koplampen zwaaien dwars door ons heen. We zijn er niet meer. We zijn terechtgekomen in het vroeger van Sarajevo, een naamloos donker. Ik heb Aida nog nooit iets anders zien doen dan lopen over straat. Opeens is ze naast me verdwenen.
zondag 4 augustus Het terras van Hamdija Kresevljakovic is niet weggeregend, en de schrijvers zitten er weer. We nemen ons voor het vandaag niet over onmogelijk ingewikkelde dingen te hebben: niet over god, de morele imperatief, nationalisme of het collectief geheugen. We willen het hebben over het begin van het verhaal. Als hij tegenover de massale, complexe werkelijkheid staat, bij welk beeld, geluid, gezicht of voorwerp begint de schrijver dan zijn verhaal?
Jasmin Durakovic, die er al drie dagen uitziet alsof hij een onbetaalbare grap gaat verkopen, zegt: Hier begint overal, op elk moment een verhaal. Op elke straathoek. Ons probleem is niet het begin te vinden, maar het einde. Hoe maak je hier een verhaal af, hoe krijg je het rond?
Haris Pasovic neemt ongeduldig het woord. Hij begint meteen aan het eind van het verhaal. Srebrenica. Hij zegt: We zitten hier al drie dagen bij elkaar, Nederlanders en Bosniërs, en het woord Srebrenica is nog niet gevallen.
We waren er deze week al een enkele keer op aangesproken. We komen tenslotte uit het land van Dutchbat. Willem, Michel en ik kijken elkaar aan. We willen wel iets zeggen. Vooral omdat er twee soldaten uit Srebrenica in het publiek zitten; niet omdat we namens wie dan ook spreken. En niet omdat we veel te zeggen hebben. Dat het een tragedie is, dat de discussie in Nederland tamelijk serieus wordt gevoerd en nog niet is afgesloten. Dat weldenkende burgers, schrijvers meegerekend, blijkbaar geen enkele invloed hebben op de besluitvorming in zo'n crisis.
Ook de Bosniërs nemen het woord. Even hangt de vraag in de lucht of de Bosnische regering zelf Srebrenica al had opgegeven, maar die discussie wordt gesmoord. Uit piëteit voor de twee soldaten? Of is er, ook binnen de muren van dit terras, nog teveel trauma en wantrouwen om vrijuit te spreken?
We zijn uitgepraat. Het gesprek is nog onaf en ongelijk. Wij begrijpen nog te weinig en zij brengen nog geen nieuwsgierigheid op. Maar ik denk: Dit zijn de stappen die nu eenmaal gezet moeten worden. Ozren Kebo zegt: We wilden het over esthetiek hebben, maar we komen nog niet verder dan de ethiek.
Het afscheid verloopt abrupt. Men vertrekt. Ik krijg nog een soort medaille. Een rode sticker met het woord Posjetilac. Bezoeker.
Maar in de Sloga slaat de integratie toe. Vanavond mogen de Aloha’s twee uur lang. Ze snappen de springende en hossende kids precies. Tussen de bubblegum en western-soundtracks door draaien ze opeens hun ene death-metalplaat en hun ene snoeiharde techno. Want dan stuiteren de jongens als honden door de zaal. En daarna zwaaien ze gelukzalige satanstekens naar Bas en Gerard als het Hammondorgel allang weer door de ruimte deint.
De easytune draagt, net als alle muziek en literatuur, een voorbije wereld naar binnen. In dit geval een wereld die niemand echt kende: de achterkant van televisieseries uit Amerika. Spannend voor jongetjes hooguit, destijds. En nu komt er een algemene opluchting los, als die ritmes en deuntjes op volle sterkte terugkeren. Het swingt, en net als plastic is het onafbreekbaar. Het is nooit bezoedeld, nooit door herinneringen bezet, en toch klinkt het vertrouwd. Het boort een hoek van het geheugen aan die nog niet eerder is doorzocht: de witte vlek van het geheugen waarin al die verloren uren voor de televisie zijn verdwenen. Al die beelden, die hele atmosfeer, zoveel trager dan vandaag, het komt allemaal weer te voorschijn.
maandag 5 augustus Op de terugweg dalen de warrelende indrukken langzaam naar de bodem. De stemmen van de jongens klinken anders. Iets lager, alsof ze ergens doorheen moeten. Vorige week had deze oorlog voor bijna niemand in de bus nog een persoonlijke betekenis. Nu begint het zoeken naar een manier om de ervaring ergens vast te hechten aan je eigen geschiedenis. Maar het is nog vroeg. Eerst moet het landschap daarbuiten geleidelijk weer bekend worden; de ruïnes blijven achter en de huizen die we zien, krijgen stukje bij beetje hun daken weer terug.
Onderweg, als we ergens stilstaan, vraag ik Jelle naar zijn volgeschreven notitieblok. Hij zit al uren verbeten te pennen. Ik zeg: Je krijgt toch niet alles op papier. Dit verhaal komt niet af.
Maar hij probeert het toch. Een koppige, tegendraadse poging om het allemaal te begrijpen. Hij heeft scherpe ogen. Hij is bioloog. Hij wil de dingen in hun samenhang zien; het hele verhaal.
donderdag 8 augustus Op de eerste avond na terugkeer in Amsterdam is iedereen alweer bij elkaar. De vijf jongens die door de anderen nu liefkozend de Cornflakes worden genoemd presenteren hun debuut-cd in de Winston. Ze dwingen respect af. Door de reis nog hechter op elkaar ingespeeld, een organische band die voortkachelt als een bus in de hoge bergen. Op de vloer kaatsen intussen de verhalen in het rond. Ik hoor van verschillende mensen dezelfde ervaring: eenmaal thuisgekomen vielen ze stil. Niets te vertellen. Ze wisten niet waar te beginnen, hoe je die stad moet beschrijven, waar je door de beleefde desinteresse heen moet breken van iemand die er niet bij is geweest.
En dus wisselen we maar onderling de verzuchtingen en flarden van anekdoten uit. De Cornfields stomen nu Saint Dominic’s Preview in. Beelden van de afgelopen dagen cirkelen door de ruimte, snel en al vervagend, bijna niet meer bij te houden, terwijl de band onstuitbaar verder speelt. Wie weet wat Wim voor ogen heeft wanneer hij het er tot twee keer toe uitspuwt: 'No one making no commitments to anybody but themselves. No on making no commitments.’
Die bleke parkeerplaats in Duitsland lijkt nu al eindeloos lang geleden. De reis die erna kwam nog langer. Om me heen staan mensen te klappen en te schreeuwen. Het optreden is voorbij. Ik krijg een glas bier toegestoken. De stad waar ik die jongens voor het eerst zag spelen, lag net nog binnen handbereik.