Opera in Salzburg

Alpenlucht

Het is zomer, tijd voor de grote operafestivals. De Groene Amsterdammer bezocht er twee: de Salzburger Festspiele en het Opera Festival van Santa Fe.

Voor een avondje uit trekt de Salzburger bij voorkeur zijn Alpenkostuum aan en zijn vrouw verkleedt zich graag als Heidi. Ze bezoeken een voorstelling van Hans en Grietje, ze zien graag hun eigen heuvels terug op het witte doek in The Sound of Music of in een enscenering van Der Freischütz, de eerste Duitstalige, romantische opera, gecomponeerd door Von Weber in 1821. De gebronsde Salzburger is beeldbepalend voor het publiek van de Salzburger Festspiele. Iedereen uit het stadje doet mee, vooral de middenstand. Elke nering is even omgedoopt tot een festivalwinkeltje, met dito prijzen.

Met deze Salzburger dient de intendant van het vermaarde evenement rekening te houden. Tegelijkertijd wordt van hem verwacht voorstellingen te produceren van internationaal artistiek niveau. Hij brengt daarom een Freischütz zonder de gebruikelijke schuttersfeesten, jagershoeden met veren erop en pullen bier. In plaats daarvan een uraniumbom, Zara-outfits en halfblote meisjes, die de mannelijke helft van het publiek doen likkebaarden. Elke Salzburger kent de plot: jager Max is de gedoodverfde favoriet om een schutterswedstrijd te winnen. De dubbele beloning bestaat uit de troon van vorst Ottokar én de hand van diens knap uitgevallen dochter Agathe. Maar jager Max is niet zeker van zijn zaak en laat zich verleiden tot vals spel. Door een pact met de duivel krijgt hij de beschikking over toverkogels. Toch loopt het niet helemaal goed af. Hij krijgt Agathe niet.

Regisseur Falk Richter schrijft: ‘Toen ik bezig ging met het stuk, had ik het gevoel dat dit hele sprookje één complete paranoïde observatie over volwassen worden en je invoegen in de samenleving was.’ In Richters opvatting is Max een jongeman geworden voor wie de samenleving repressief is. Om zijn onorthodoxe visie geloofwaardig te maken, heeft Richter nieuwe dialogen geschreven en drie toneelspelers aan de opera toegevoegd. Door de extra tijd die de toneelspelers nodig hebben om hun tekst uit te spreken verliest de voorstelling aan vaart. Bovendien sluiten de gesproken teksten niet erg aan op het libretto, en nog minder op de muziek. Het beroemde jagerskoor pretendeert bijvoorbeeld niet meer te zijn dan een carnavalskraker.

De regisseur wordt uitgefloten door een flink deel van het publiek. Hierin vinden Salzburgers en de aanwezige internationale elite, waaronder Angela Merkel (niet op de vingers fluitend) en Franz Beckenbauer, elkaar. Het publiek reageert wel enthousiast op het muzikale gedeelte van de avond. Max wordt gezongen door Peter Seiffert, die alleen nog komt als zijn veel minder getalenteerde vrouw, sopraan Petra Maria Schnitzer, óók op de bühne zijn liefje is. Gerenommeerde operagezelschappen nemen ‘mevrouw’ Seiffert tandenknarsend op de koop toe. Zo ook dit keer. Haar stem is schel en bevat weinig kleuren. Maar ook Seiffert zingt niet meer als in zijn hoogtijdagen. De sleet zit op zijn stem en zijn lichaam sleept hij in grote herenmaten met zich mee. Het goede zingen kwam van de jongere generatie, van Aleksandra Kurzak als Ännchen en John Releya als Kaspar. Von Weber gunde slechts enkele maten aan de rol van de Heremiet, aan het slot van de opera, maar daarin slaagt Günther Groissböck op te vallen.

Van toverbos, munitie en niet geconsumeerde liefde is het een kleine stap naar Haydns Armida. Slimme programmering, en interessant bovendien omdat Haydns opera’s zelden op de bühne te zien zijn. Regisseur Christoph Loy weet de aandacht van de bezoekers van de Felsenreithschule – die iedereen ogenblikkelijk herkent van het optreden van de familie Von Trapp – van begin tot eind vast te houden. Muziek, dialogen, beeld en spel vloeien samen tot een coherent geheel.

Onder componisten was het verhaal van de liefde tussen kruisvaarder Rinaldo en de heidense tovenares Armida een geliefd thema; ook Lully, Händel, Gluck, Salieri, Brahms (in cantate vorm) en Dvorák wijdden er opera’s aan. De kruisridders staan te donderjagen voor de poorten van Damascus. Om een aanval te voorkomen stuurt de bevelhebber over Damascus’ troepen zijn dochter op Rinaldo af, de dapperste onder de kruisridders. Die worden stapel verliefd op elkaar. Rinaldo verandert telkens van mening zonder het conflict op te lossen: houdt hij genoeg van Armida om de zaak van de kruistocht te verraden, of zal hij zijn heldendom verwezenlijken? De hele opera gaat over dit ene conflict – waardoor het een verrassend modern stuk is.

Zoals Haydns muziek altijd humorvol is, zo bevat de voorstelling ook grappige momenten, terwijl daar eigenlijk geen enkele aanleiding voor is. Orkest en dirigent steken in grootse vorm, er wordt fantastisch gezongen én gespeeld door de jongste generatie operazangers. Die vinden de uurtjes in de sportschool net zo belangrijk als zangles. Uitblinker is tenor Richard Croft als Rinaldo’s vader. Hij zit in een rolstoel en is blind. Getergd en met ingehouden woede blijft hij onvermoeid, met grote muzikaliteit, op zijn zoon inzingen om hem op het rechte kruisridderspad te houden.

Hopelijk zullen andere theaters Loys Armida opkopen en op de planken brengen. Naar verluidt heeft onze plaatselijke opera hem geëngageerd voor Verdi’s Les vêpres Siciliennes in de herfst van 2010.

Opmerkelijke waarneming: in zes uur opera heb ik geen enkele hoest gehoord. De gezonde Alpenlucht?

Salzburger Festspiele. Nog tot 31 augustus. www.salzburgfestival.at