Democratisering van China kan dramatisch uitpakken voor Amerika

Als de Chinese massa’s opstaan

Democratisering van China kan dramatisch uitpakken voor Amerika. Vreemd dat Bush en Rice zichzelf er toch op blijven voorstaan dat ze die democratisering voortdurend van de Chinese leiders eisen.

WASHINGTON – Wat als China plotseling luistert? President Bush en minister Condoleezza Rice van Buitenlandse Zaken waren af gelopen week in Peking. Volgens Rice had de president opnieuw in niet mis te verstane be woordingen de Chinezen de les geleerd: het land moet democratiseren. Het is een gedachte-experiment: wat zou het voor Amerika betekenen als China die raad inderdaad opvolgt, en wel direct, met heuse verkiezingen, politieke partijen en een serieuze verkiezingscampagne?

«Paradoxaal genoeg zou dat wel eens een ramp voor Amerika kunnen zijn», zegt de econoom Fred Neumann, specialist in beurskrachs en financiële crises, vanuit zijn hotel kamer in Hongkong.

Neumann legt het nog eens uit. De Chinese overheid stimuleert de eigen hoge economische groei met een lage yuan. Mede daardoor zijn Chinese producten aantrekkelijk voor het Westen, vooral voor Amerikanen, die met hun aanhoudende bestedingen de Chinese economie blijven aanjagen. China investeert vervolgens het handels overschot voornamelijk in de VS, met name in Amerika’s staatsschuld in de vorm van staatsobligaties. Door de aanhoudende vraag uit China gaat Amerika’s rentevoet niet omhoog, blijft de dollar hoog en de yuan laag.

Zoals in dit weekblad al eerder is geschreven, financieren Aziaten in zekere zin de oorlogen in Irak en Afghanistan, alsmede Bush’ belastingverlagingen en de wederopbouw van New Orleans. Momenteel schraapt Amerika dagelijks meer dan twee miljard dollar bijeen op de internationale kapitaalmarkt om aan zijn schuldverplichtingen te voldoen.

In de prachtige documentaire De dag dat de dollar valt van Roel van Broekhoven (VPRO) en Maarten Schinkel (NRC Handelsblad) beschrijft de Amerikaanse financier Peter Schiff de situatie in een goed getroffen vergelijking. Een paar Aziaten en een Amerikaan spoelen aan op een onbewoond eiland. Iedereen krijgt een taakje: de een gaat vissen, de ander verzamelt kokosnoten, een derde gaat jagen, een vierde kookt. De Amerikaan heeft een simpele taak: hij eet iedere avond al het eten op. Hij laat daarbij net genoeg kruimels voor de Aziaten over, opdat die de kracht hebben iedere dag weer opnieuw het eten te verzamelen en klaar te maken. Een moderne econoom zou zeggen: die Amerikaan is onmisbaar, zonder hem zakt de hele economie in elkaar. Maar iedereen weet beter: op een dag weigeren de Aziaten genoegen te nemen met deze werkverdeling.

Met andere woorden: Amerika leeft op te grote voet. Er wordt negatief gespaard, zoals economen een gat in de hand noemen. Momenteel wordt zeventig procent van al het transnationale kapitaal geïnvesteerd in de rijkste economie ter wereld, een praktijk die indruist tegen gangbare economische modellen, want in theorie is er met buitenlands geld meer rendement te halen in ontwikkelings landen. Die kunnen immers met bestaande technologische middelen hoge economische groei bereiken. Kennelijk bestaat er bij de rest van de wereld een enorm vertrouwen in de Amerikaanse economie om er grote hoeveelheden geld in te blijven stoppen. «Als Amerika het geleende geld nu goed zou gebruiken», zegt Neumann, «dan is deze bizarre situatie nog wel te rijmen met de theorie. Als Amerikanen en de Amerikaanse overheid – de grootste consument – de leningen uitgeven aan de verbetering van de infrastructuur, aan onderwijs of onderzoek, dan zal dat nog iets opleveren. Maar dat is niet het geval. Het geld gaat naar de financiering van het begrotingstekort, naar vluchtige consumptie en naar de zeepbel in de huizenmarkt.»

De situatie is uiterst explosief. Als Chinezen een grotere stem krijgen in hun eigen bestuur, zullen ze zonder twijfel kiezen voor meer koopkracht, iets wat hun momenteel wordt onthouden door de overheid die – zeer succesvol – inzet op aanhoudende economische groei. Fred Neumann: «Het is eigenlijk alleen dictaturen gegeven de bevolking de eigen rijkdom voor een langere periode te onthouden. Dit is geen wet van Meden en Perzen, maar als je naar de laatste veertig jaar kijkt, moet je die conclusie wel trekken.» In Nederland worden al extra investeringen in onderwijs, zorg en veiligheid geëist als een minuscuul overschot dreigt en de staatsschuld nog niet eens is afgelost. China daarentegen heeft honderden miljarden (dollars) op de bank staan.

Met een grotere koopkracht zullen Chinezen, denken de schaarse optimisten, meer Amerikaanse goederen kopen, waardoor de handelsbalans van de VS verbetert en uiteindelijk de behoefte van de VS aan vreemd kapitaal afneemt. Dat zou de enige redelijke economische overweging kunnen zijn om Chinezen aan te zetten tot democratisering.

Pessimisten denken dat het te laat is. Als de massa’s in China opstaan om zelf te consumeren en de Amerikaanse staatsschuld niet meer willen opkopen, zal de rente in Amerika om hoog schieten. Dat heeft een negatief effect op de binnenlandse economie, vooral op de huizenmarkt. Ook kan het gebeuren dat de waarde van de dollar, bij verlies aan vertrouwen in de Amerikaanse economie, zich niet rustig «aanpast», maar dramatisch snel en diep zal zakken, een recept voor een wereldwijde recessie.

De vakbonden, die in Amerika luidruchtiger zijn dan Europeanen vaak denken, geloven in het optimistische scenario. Zij hopen dat Amerikanen weer T-shirts uit Alabama zullen kopen, of Amerikaanse wasmachines en auto’s uit het Noorden. Dit is waarschijnlijk ijdele hoop. Ten eerste zijn er meer lagelonenlanden in de wereld die klaarstaan om in te springen als China duurder wordt en waar efficiënter wordt geproduceerd dan in Alabama of Mississippi. Maar het is nog erger. Op hightech na (Microsoft) maakt Amerika steeds minder aantrekkelijke producten voor het buitenland.

Neem General Motors, de autogigant die in de jaren zestig de helft van alle auto’s produceerde en lange tijd het symbool was van de robuuste Amerikaanse industrie. De merken van GM (Pontiac, Chevrolet, Buick, Cadillac) zijn in Nederland nooit een begrip geworden. In Amerika wel, waar ze worden gezien als de iconen van het vaderland. Toch gaan de huidige modellen alleen met enorme kortingen de winkel uit. In de laatste jaren heeft GM, aan de top van de markt, eigenlijk alleen winst gemaakt met Hummers (gigantische militaire jeeps) en Sport Utility Vehicles (zogenaamde suv’s, in Amsterdam wel P.C. Hooft-tractors genoemd) en, aan de onderkant van de markt, met goedkope pick-uptrucks. De overheid beschermde beide soorten auto’s tegen buitenlandse concurrentie door uitzonderingen op de milieuwetgeving voor de energieslurpende suv’s en Hummers en hoge invoerrechten op buitenlandse pick-ups. Inmiddels baat zelfs deze overheidsinmenging niet meer. De stijgende energieprijs maakt de Hummers en suv’s onaantrekkelijk en GM’s eerste hybride auto’s komen pas in 2007 op de markt. Bovendien heeft Toyota, om invoerrechten te omzeilen, in de afgelopen jaren verschillende fabrieken in Amerika geopend waar goedkopere en betere pick-ups worden gemaakt. Met 8,1 miljoen exemplaren verkoopt Toyota – met winst – wereldwijd al bijna meer auto’s dan General Motors, dat er negen miljoen verkocht – met verlies.

Maanden geleden gaf GM al een winstwaarschuwing. Het verlies in de afgelopen negen maanden blijkt te zijn opgelopen tot meer dan vier miljard euro. Het GM-aandeel is dit jaar veertig procent gedaald, tot een niveau van vóór de jaren negentig. GM snijdt nu in de kosten. Behalve enkele concessies aan de (zeker voor Amerikaanse begrippen) riante pensioenvoorzieningen en gezondheidszorg, sluit het bedrijf twaalf fabrieken en komen dertig duizend werknemers per direct op straat te staan. Een week eerder stuurde Ford, de andere Amerikaanse autogigant, al vierduizend managers de laan uit. Autokenners zijn het erover eens: de concurrentie maakt betere, aantrekkelijker auto’s.

Met andere industriële producten is het al niet veel anders. Wasmachines van het Amerikaanse Whirlpool komen tegenwoordig uit Duitsland, niet omdat de lonen daar zo laag zijn, integendeel, maar omdat Duitsers al jarenlang lichtere, betere apparaten maken met minder arbeidsuren.

Er is in de laatste decennia in Amerika een economie ontstaan waarin vooral aan de top wordt gepresteerd – hightech, amusementsindustrie, uitvindingen, onderwijs – en waar tegelijk op de bodem van de economie genoeg activiteit en dynamiek is om ongeschoolde krachten, legaal of illegaal, aan het werk te houden. Terwijl de ene na de andere fabriek wordt gesloten, is de werkloosheid bijna nergens in het land hoger dan vijf procent, zelfs niet in de slechtste wijken van LA. Veelverdieners, mannen en vrouwen, maken lange dagen en spenderen veel geld om anderen voor ze te laten koken, hun boodschappen in te pakken, hun kinderen bezig te houden en de tuin aan te harken.

De vraag naar dergelijke banen in Europa is aanzienlijk lager en dat komt niet alleen door een hoger minimumloon, zo blijkt uit recent onderzoek van de economen Richard Freeman en Ronald Schettkat. Europeanen hebben gewoon meer tijd om allerlei diensten zelf te verrichten. De altijd werkende Amerikanen besteden die uit, waardoor er vooral banen voor jongeren en vrouwen worden gecreëerd. «Hoe minder er wordt gewerkt, des te minder er is te doen», schrijft James Surowiecki, de auteur van het boek The Wisdom of Crowds. Met dit fenomeen van werk-genererend werk probeert hij de veertig procent werkloosheid in de Parijse banlieues te verklaren.

Een probleem voor Amerika is wel dat de reële inkomens in deze sector van laaggeschoolde arbeid al jaren niet zijn gestegen en er dus geen sprake is van groei. Verder wordt er in de industriële sector slecht gepresteerd en dus moet Amerika het volledig hebben van slimmeriken, van de «kenniseconomie» en haar producten.

Dat is waarschijnlijk een te smalle basis voor de economische groei die nodig is om zonder extra belastingen het jaarlijkse begrotings tekort en de enorme staatsschuld te financieren. Op China kan niet eindeloos worden gerekend. De verwachting is dat ook zonder democratisering China over enkele jaren een middenklasse van drie- tot vierhonderd miljoen mensen telt. Hun consumptie kan niet tot in het oneindige kunstmatig worden onderdrukt. Als ze net als Japan afhaken als schuldopkopers kan dat desastreuze gevolgen hebben voor Amerika en dus de wereldeconomie.

Kortom, wat dacht Bush eigenlijk wel toen hij de Chinezen weer eens opriep te democratiseren? «Ik denk dat Bush’ pleidooi voor democratisering oprecht is», zegt een econoom van het IMF, wiens werkgever hem verbiedt zijn naam te geven: «Het gaat hier niet om economische maar om politieke opvattingen.»

«Dat kan best zijn», zegt Neumann, «maar om rampen te voorkomen moet de regering-Bush er als de donder voor zorgen dat de eigen bevolking weer eens begint met sparen. Op een paar spaarprikkels na in de laatste belastinghervormingen zie ik dat niet gebeuren. Daar is immers politiek leiderschap voor vereist.»