Asielzoekers Uitgeprocedeerd

Als de dood voor de politie

Na het generaal pardon voor 27.500 uitgeprocedeerde asielzoekers in 2007 strijken de autoriteiten niet meer over het hart. Hardvochtigheid kwam ervoor in de plaats. En verlinking door de buren.

BRIDGET LOOPT TERGEND langzaam, met een gebogen rug, als een oude vrouw. Toch is ze de twintig nauwelijks gepasseerd. Haar gezicht is vlak, haar ogen zijn uitdrukkingsloos en haar armen hangen slap langs haar lichaam. Ze heeft een lichtbruine bandana strak om haar hoofd gebonden. Ze woont in een klein kamertje in een van de tuinsteden ten westen van Amsterdam. Moeizaam gaat ze op haar bed zitten. Vragen beantwoordt ze met een hoge, zachte stem. Ze komt uit Oeganda, zegt ze en ze heeft in Nederland asiel aangevraagd. Maar die aanvraag werd zonder omhaal afgewezen. Hoe ze hier kwam? Er was een blanke man en die wilde haar helpen. Hij bracht haar met het vliegtuig naar Nederland. ‘Toen we aankwamen was hij verdwenen’, zegt Bridget met haar hoge piepstem. 'Ik heb zijn naam nog laten omroepen aan de informatiebalie van het vliegveld, maar ik heb hem nooit meer gezien.’
Dat is een onwaarschijnlijk verhaal. Maar het heeft geen zin om door te vragen, zegt Alice Beldman, werkzaam voor de organisatie die Bridget opvangt. 'Ik hoor het wel vaker. Er is altijd een blanke man die opeens verdwijnt en toen waren ze opeens hier. Hoe hard je het ook probeert, de waarheid zul je nooit horen.’ Vaak zijn levensgevaarlijke smokkelbendes in het spel.
Beldman werkt voor het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden, (MOO) verbonden aan de Amsterdamse hulporganisatie ASKV/Steunpunt Vluchtelingen, dat afgewezen asielzoekers met psychische problemen opvangt. Maximaal twaalf mensen krijgen tijdelijk een dak boven hun hoofd en een klein bedrag voor levensonderhoud.
Zij hebben geen recht meer op opvang in een asielzoekerscentrum (AZC) en kregen het bevel Nederland te verlaten en terug te keren naar hun land van herkomst. Velen wachten de komst van de uitzetteams niet af en proberen in de illegaliteit te overleven. Wie aantoonbaar leidt aan trauma’s maakt soms nog kans op een verblijfsvergunning op medische gronden, maar de criteria zijn zeer streng. Het MOO helpt om een aanvraag in te dienen. Pas als iemands aanvraag in behandeling wordt genomen, is hij niet meer illegaal en verzorgt het rijk de opvang. Wordt iemand afgewezen, dan kan het MOO niets meer doen. Dan wacht weer een zwervend bestaan.
Bridget werd weggestuurd na twee keer een maand in een AZC te zijn geweest. Ze leefde een tijdje op straat totdat een vrouw zich over haar ontfermde en haar in aanraking bracht met het MOO. Ze krijgt medicatie. Slaapmiddelen en pijnstillers voor haar onophoudelijke hoofdpijn. 'De medicijnen werken niet. Ik word ’s nachts wakker als ik gedroomd heb hoe ze me doodmaken.’ Hortend en stotend vertelt ze haar verhaal. Nadat haar vader was overleden werd ze uitgehuwelijkt aan een man over de grens, in Congo. Hij was een rebel. Toen ze met een groep opstandelingen de grens met Oeganda overstak, werd ze gearresteerd. Tijdens haar gevangenschap werd ze mishandeld en verkracht. Uiteindelijk werd ze voor dood achtergelaten in een moeras, tussen de opgezwollen lijken. Haar lange haar was afgesneden en uit haar hoofd getrokken.
'Ik ben bang dat ze weten dat ik nog leef, dat ze me alsnog gaan doden’, zegt ze.
'Niemand weet dat je hier bent’, zegt Beldman sussend.
'Ik ben bang’, zegt Bridget huilend.
'Zolang je hier bent, ben je veilig. Ik geef het adres aan niemand’, zegt Beldman.
De gemeente heeft herhaaldelijk verzocht om de adressen waar het MOO de vluchtelingen opvangt. Maar Beldman geeft alleen de gegevens van het kantoor. In Utrecht viel de politie in 2007 café Averechts binnen nadat een journalist had beschreven hoe daar uitgeprocedeerde asielzoekers bijeenkwamen voor een ideëel kookproject, gerund door vrijwilligers. Ook de vluchtelingen die het MOO helpt zijn illegaal in Nederland en lopen kans gearresteerd te worden. Als dat gebeurt, belanden ze in een uitzetcentrum - een huis van bewaring van waaruit uitgeprocedeerde asielzoekers doorgaans onder dwang worden getransporteerd naar hun land van herkomst. 'Er staan veertig mensen op onze wachtlijst’, vertelt Beldman. 'De doorstroming wordt vooral veroorzaakt door arrestaties. Laatst keerde een bewoner niet terug. Aangehouden omdat zijn achterlichtje niet werkte.’

UITGEPROCEDEERDE ASIELZOEKERS die in de illegaliteit verdwijnen: nog niet zo lang geleden werd het beschouwd als een schrijnend probleem in Nederland. In de jaren negentig raakte de asielprocedure verstopt door het gigantische aantal aanvragen. De instanties raakten overspoeld, tienduizenden vluchtelingen wachtten jarenlang op een beslissing. Op 1 april 2001 trad een aangescherpte Vreemdelingenwet in werking met veel kortere procedures. In 2004 verordonneerde Rita Verdonk, minister van Vreemdelingenzaken, dat 26.000 asielzoekers die uitgeprocedeerd waren in het vastgelopen raderwerk van de oude wet alsnog uitgezet dienden te worden, hoe ingeburgerd ze ook waren. De morele verontwaardiging was groot, aangewakkerd door de aanhoudende media-aandacht en de campagne '26.000 gezichten’, een portretserie van honderden uitgeprocedeerde asielzoekers. Bezorgde burgers riepen hulpcomités in het leven, onder verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog. In Witmarsum ging de stichting Vluchtelingenzorg Wûnseradiel op zoek naar onderduikadressen. Gemeenten tartten het rijk door allerhande noodopvang te financieren en soms ook zelf te organiseren. Dat was een directe sabotageactie van het regeringsbeleid, want Den Haag hoopte dat een hard en hulpeloos bestaan de uitgeprocedeerden zou dwingen Nederland te verlaten.
In juni 2007 volgde een generaal pardon, dat officieel 'Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ heette. Uiteindelijk kregen zo'n 27.500 'oudewetters’ alsnog een verblijfsvergunning. Actievoerend Nederland slaakte een zucht van verlichting. Steuncomités werden opgeheven, opvanglocaties sloten hun deuren. Maar is met het pardon het probleem van de uitgeprocedeerde asielzoekers opgelost?
Nee, weet Alice Beldman. Tegenwoordig is het recht op opvang beperkt: als het asielverzoek loopt heeft een asielzoeker recht op opvang bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Maar doorgaans volgt na enkele weken een standaard afwijzing. 'Daar klopt vaak weinig van. Maar als je in hoger beroep gaat, heb je geen recht meer op opvang. Dan kom je dus op straat terecht. We hebben in een jaar tijd aanvragen gedaan voor driehonderd mensen van wie we er maar tien hebben kunnen opvangen. De rest heeft geen onderdak. Het gaat hier voor een groot deel om mensen die echt geestelijk ziek zijn.’
Het valt Beldman op dat mensen zonder papieren nu banger zijn om hulp te zoeken dan vóór het generaal pardon: 'Daardoor komen ze nog verder van de samenleving te staan. Veel uitgeprocedeerden zijn als de dood om naar het ziekenhuis te gaan. Dan krijg je dus thuisgeboorten zonder vroedvrouw en allerlei andere medische wantoestanden.’ In 2006 werkte Beldman voor het ASKV bij het gemeentelijke 'pardonloket’ in Amsterdam, waar illegalen zich konden aanmelden voor het generaal pardon. Particuliere hulporganisaties, de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) en de Vreemdelingenpolitie werkten er nauw samen: 'Dat was een goeie tijd. We hebben er mensen doorheen gesleept met wie het anders niet goed zou zijn afgelopen.’ Het was opvallend hoe goed de samenwerking met de Vreemdelingenpolitie en de IND verliep. Eindelijk konden die zich eens van de andere kant laten zien. De Vreemdelingenpolitie spande zich tot het uiterste in om aan de hand van vingerafdrukken oude, verloren gewaande asielaanvragen te vinden, want wie niet ooit een asielaanvraag had ingediend maakte geen kans. Van een Turkse man die al twintig jaar in Nederland was, kon geen aanvraag meer gevonden worden. De advocaat die hem destijds had bijgestaan verklaarde dat hij zich de man kon herinneren. 'Zo'n verklaring zou de IND normaal gesproken nooit accepteren. Nu was het geen probleem.’
Beldman heeft al sinds de jaren negentig te maken met uitgeprocedeerde asielzoekers, maar bij het pardonloket kreeg ze zicht op een wereld die zelfs zij nauwelijks voor mogelijk hield. Er waren moeders met illegaal geboren kinderen, ter wereld gekomen met behulp van een eveneens illegaal in Nederland verblijvende Iraakse arts. En kinderen die een valse identiteit bleken te hebben omdat hun illegale moeder op het ziekenfondspasje van iemand anders was bevallen. Er kwamen twee schuchtere jonge vrouwen aan haar loket die als meisjes door hun Afrikaanse vader waren achtergelaten. Ze hadden samen met hun moeder asiel aangevraagd, maar hun vader was het daar niet mee eens. Hij nam hen mee naar Afrika waar ze jarenlang werden vastgehouden op een binnenplaats. Uiteindelijk bracht hij ze terug naar Nederland, maar hun moeder bleek verdwenen, dus leverde hij de meisjes maar weer af in de Bijlmer, bij een kennis. 'Toen ik ze zag waren ze een jaar of twintig. Ze waren al die jaren nauwelijks buiten hun flat geweest.’ Ook hier streken Vreemdelingenpolitie en IND over het hart. Maar die positieve instelling verdween weer zodra het generaal pardon werd afgesloten.

HET LEIDSE COMITÉ De Fabel van de Illegaal huist in een oud pand met hoge ruimtes, niet ver van de historische binnenstad. Aan een tafel in de centrale ruimte zit een jonge zwarte vrouw met een hoofddoek. Ze houdt haar blik strak naar beneden gericht als we de ruimte doorkruisen. Medewerker Harry Westerink gaat voor naar een aparte ruimte waar we aan het zicht onttrokken zijn. 'De mensen die bij ons komen zijn vaak schichtig. Als de dood voor autoriteiten of de politie. Als ze jou aantekeningen zien maken zouden ze bang kunnen worden. Je moet bedenken: ze hebben een brief gekregen waarin staat dat ze weg moeten. Ze hebben de komst van de politie niet afgewacht. Ze zijn echt op de vlucht.’
De Fabel helpt wekelijks enkele tientallen mensen zonder papieren bij het verkrijgen van gezondheidszorg en juridische hulp. Het betreft arbeidsmigranten, maar ook vluchtelingen, uit onder meer Afghanistan, Kirgizië, Azerbeidzjan, Soedan, Syrië en Egypte. Hulp bieden wordt steeds moeilijker: 'Ze worden vaak zo snel afgewezen dat ze geen gelegenheid hebben gehad om taallessen te volgen.’ Vaak ook zijn artsen en ziekenhuizen onwillig. 'Ook al kunnen ze de kosten grotendeels declareren, illegalen vinden ze lastig. Die laten zich niet graag officieel inschrijven. Zeker niet als er een pasfoto gemaakt moet worden.’ Medewerkers van De Fabel merken dat de verklikkerij toeneemt. Van een Soedanees gezin dat in een rijtjeshuis woonde kreeg de man een verblijfstatus, de vrouw niet. De buren belden de politie. De vrouw werd opgehaald en opgesloten in een uitzetcentrum. Uit het jaarverslag 2010 van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer, die de uitzetting van illegalen monitort, blijkt inderdaad dat 'het staande houden’ veelal gebeurt 'naar aanleiding van verkregen tips’. Westerink: 'Ik merk dat het ons veel moeite kost om vertrouwen op te bouwen bij mensen die zich bij ons hebben gemeld. Ze zijn bang dat we ze uiteindelijk toch zullen verraden.’
Een probleem vormt het verdwijnen van veel plekken waar vóór het generaal pardon van 2007 opvang werd geboden. 'Vroeger had een beetje gemeente wel iets van noodopvang’, vertelt Westerink. 'Veel mensen met status zetten zich daarvoor in, de kerk hield zich er uitvoerig mee bezig. Het leek wel mode. Na het generaal pardon is de noodhulp ingestort. Nu is het mode om te zeggen: het zijn allemaal profiteurs. Vluchtelingen zijn bij wijze van spreken al illegaal voordat ze het land binnenkomen. Nu is het wel klaar, denken de mensen. We hebben toch dat generaal pardon gehad? Daar komt dan nog de stemmingmakerij van Wilders bij. Vroeger namen we een vluchtelingengezin dat nergens terecht kon mee naar het stadhuis. Dan kwam de wethouder uit de vergadering. Als we dat nu doen heb je grote kans dat meteen de politie wordt gebeld. Er is bijna geen draagvlak meer om deze mensen te helpen.’

HET IS UIT de aard der zaak moeilijk om het aantal illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen vast te stellen. In 2002 deed een groep wetenschappers onder aanvoering van de Rotterdamse socioloog Godfried Engbersen echter een educated guess op basis van politierapportages. Zij kwamen uit op 112.000 tot 163.000 illegalen. Het aantal uitgeprocedeerde vluchtelingen onder hen zou ruim een derde bedragen. Rian Ederveen van het Landelijk Ongedocumenteerden Steunpunt (LOS) houdt het momenteel op zo'n dertigduizend illegalen met een asielverleden. 'Wij schatten dat van hen ongeveer tweeduizend gebruikmaken van bed-bad-brood-opvang. De rest is onzichtbaar.’ Volgens LOS zijn er van de ruim honderd noodopvangplekken nog maar tussen de zestig en zeventig over. 'Direct na het pardon was er nauwelijks nog vraag naar hulp, maar inmiddels is de hulpvraag weer op volle sterkte.’
Het rapport Illegale vreemdelingen in Nederland (2002), van Engbersen en collega’s, concludeerde dat illegale vreemdelingen steeds meer naar de marge van de samenleving werden gedrongen door ze systematisch uit te sluiten van formele arbeid en publieke voorzieningen. 'Door dit uitsluitingsproces zijn illegale vreemdelingen meer dan voorheen een bedreiging gaan vormen voor de openbare orde’, schreven de onderzoekers. Zij doelden op de zogenaamde 'overlevingscriminaliteit’, kleine diefstallen en andere vergrijpen om te voorzien in levensonderhoud - 'een zeer ongewenst, onbedoeld effect van het huidige vreemdelingenbeleid’. Illegale asielzoekers echter blijken een stuk braver dan illegale arbeidsmigranten. In november vorig jaar publiceerden Richard Staring en José Aarts, criminologen aan de Erasmus Universiteit, een onderzoek onder 118 minderjarige illegale vluchtelingen. Zij ontzenuwden de geruchten dat veel meisjes uit deze groep in de prostitutie terecht zouden komen. Slechts een derde van de groep werkte in de informele economie, vaak als schoonmaker of in de bouw. Het merendeel nam echter niet het risico ontdekt te worden, en overleefde met behulp van vrienden en organisaties als Harry Westerinks Fabel van de Illegaal en Alice Beldmans ASKV.
WIE ILLEGAAL wordt aangetroffen of een vergrijp pleegt, wordt ongewenst verklaard. Als dat gebeurt is elk uitzicht op een nieuwe verblijfprocedure verkeken, zegt Alice Beldman: 'De vader van een zwaar gehandicapt kindje dat binnen enkele jaren zou sterven, werd ongewenst verklaard omdat hij een paar keer iets had gepikt. Moeder en kind waren in afwachting van een verblijfstatus. De vader werd vastgezet. Hij mocht zijn stervende kindje maar één uur zien in twee weken.’ Waar de criminalisering en uitsluiting van vluchtelingen toe kan leiden, bleek vorige maand. Eerst stak een uitgeprocedeerde asielzoeker zich op de Dam in Amsterdam in brand. Een week later sloeg in het Groningse Baflo een asielzoeker die zou worden uitgezet zijn vriendin dood met een brandblusser. Toen doodde hij een agent met diens dienstpistool.
Van deze gebeurtenissen is Abu, die wordt opgevangen in het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden, onwetend. Hij komt uit Sierra Leone en ziet grauw van de ellende. Volgens Alice Beldman staat zijn zaak er niet goed voor. Mensensmokkelaars hebben hem eerst naar Slovenië gebracht. Daar is hij door hen vastgehouden en seksueel misbruikt. Uiteindelijk is hij op een bus naar Nederland gezet. De kans is aanwezig dat de rechter oordeelt dat hij fit genoeg is om te vliegen en dat hij terug moet naar Slovenië om daar asiel aan te vragen.
Abu vertelt dat hij is gevlucht uit Sierra Leone omdat hij zijn vader moest opvolgen als leider van een geheim genootschap dat mensenoffers bracht. Het drinken van mensenbloed en het eten van menselijke organen schenkt volgens sommigen onoverwinnelijkheid. Democratie heeft daarin weinig verbetering gebracht. Nu zijn het politici die zich eraan bezondigen, melden verscheidene media. Abu zit met verward haar op een grijze bank. Naast zijn onopgemaakte bed staan medicijnen. Toen hij uit het asielzoekerscentrum weg moest deed hij een zelfmoordpoging. Hij is nu bijna een jaar onder de hoede van het MOO. 'Ik heb te veel mensen geofferd zien worden’, zegt hij. 'Bloedoffers. Als ik mijn vader zou zijn opgevolgd had ik mijn eerstgeboren kind moeten doden.’
Wat gaat hij doen als hij terug moet naar Slovenië?
Hij weet het niet, zegt hij, en trekt een pijnlijke grimas. 'Overal waar ik ga zie ik bloed, bloed, bloed.’

De namen van de uitgeprocedeerde asielzoekers zijn gefingeerd