Botsende supermachten

Als de ene vleugel hapert klappert de andere tevergeefs

Amerika en China lijken op ramkoers te liggen. Het verbeten nationalisme van zowel Donald Trump als Xi Jinping verduistert de vele voordelen die hun samenwerking zou hebben. Is oorlog de enige uitweg?

Medium gettyimages 73043637
Peking – Geen land heeft zo geprofiteerd van de globalisering als China, maar dat heeft de liefde van de Chinezen voor de democratie niet vergroot, integendeel © Guang Niu / Getty Images

Amerika en China: een belangrijker bilaterale relatie bestaat er niet. Als het tussen die twee misgaat, moet voor de wereldvrede het ergste worden gevreesd. Hun relatie is schizofreen. Economisch vullen ze elkaar goed aan, op sommige gebieden zijn ze zelfs op elkaar aangewezen, en ze hebben grote gemeenschappelijke belangen. In de geopolitieke arena daarentegen zijn ze elkaars vinnige concurrenten. Achter hun strijd om de hegemonie gaan niet alleen botsende nationale ego’s schuil, maar ook formidabele etnische, culturele, historische, sociale en politieke verschillen. Van de afloop van die strijd hangt de toekomst van de wereld af.

Toen in 1776 de Amerikaanse onafhankelijkheid werd uitgeroepen had China al een paar duizend jaar geschiedenis achter de rug. Voor de Chinezen is Amerika een extreem late laatkomer, een start-upnatie die alleen al daarom wat meer bescheidenheid zou passen. De Amerikanen zouden beter een voorbeeld kunnen nemen aan China. Hun eigen Founding Fathers hadden grote bewondering voor de confucianistische samenleving, al heeft uiteindelijk Montesquieu aan het langste eind getrokken – de man dus op wiens trias politica Trump het niet begrepen heeft.

In de Chinese naam voor Amerika is alleen de tweede lettergreep overgebleven, getranscribeerd als mei (mooi). Daaraan is het woord guo (land) vastgeplakt, en het resultaat is Meiguo, ‘Mooiland’. China’s eerste politieke kennismaking met Mooiland was geen onverdeeld genoegen. Een Chinese diplomaat die in 1844 met de Amerikanen onderhandelde omschreef hen als onwetend en buitengewoon simplistisch. Hij raadde zijn landgenoten aan in hun omgang met dat onbeschaafde volkje heel eenvoudige taal te gebruiken.

In wezen is die negatieve opvatting niet veranderd. Zeker, Chinezen zijn gek op de Amerikaanse technologie, Hollywood en Silicon Valley, ze imiteren de Amerikaanse (wan)smaak op allerlei gebied, als het even kan sturen ze hun kinderen naar een peperdure Amerikaanse universiteit, Chinese meisjes laten hun gezicht vaak ombouwen tot een barbieface, en een Chinees die wat wil worden in het leven neemt een Engelse naam aan. Maar tegelijk hebben de Chinezen een diep wantrouwen jegens de Amerikanen. Ze haten hun arrogantie, hun zendingsdrang, hun pretentie dat modernisering hetzelfde is als amerikanisering, hun naïeve overtuiging dat de rest van de wereld achter loopt en dat alle niet-Amerikanen slechts door één gedachte worden bezield: willen worden als zij.

De Mooilanders waren aanvankelijk erg te spreken over de onderbetaalde Chinese koelies die in het Wilde Westen moerassen drooglegden, spoorlijnen bouwden, in de mijnen werkten en de nederigste baantjes hadden. Maar na de Burgeroorlog sloeg de waardering om. De Chinese immigranten kregen de schuld van de groeiende werkloosheid en de dalende lonen. De ‘mannen van ijzer’ veranderden in ‘smerige gele hordes’ en werden door de populistische People’s Party uitgeroepen tot ‘morele en sociale leprozen’.

De grootste lynchpartij uit de Amerikaanse geschiedenis was in 1881 in Los Angeles, toen het gepeupel achttien Chinese immigranten martelde en ophing. Het jaar daarop werd de discriminatie wettelijk vastgelegd in de Chinese Exclusion Act. Het was de eerste keer dat een etnische groep de toegang tot dit land van immigranten werd ontzegd. Tot op de dag van vandaag zijn Amerikaanse Chinezen slachtoffer van racistische incidenten. Zoals de Chinees die vorige week uit een vliegtuig van United Airlines werd gesleurd. In de Amerikaanse politiek is de neerbuigende houding tegenover China nooit helemaal verdwenen, maar Trump ging in zijn campagne wel erg ver: het enorme Chinese overschot in de handel met Amerika betitelde hij als ‘verkrachting’.

Hun eerste ervaring met het nog jonge Amerikaanse imperialisme deden de Chinezen op in 1900, toen de VS als opkomende wereldmacht deelnamen aan de westerse strafexpeditie tegen de Bokseropstand. De genadeloze onderdrukking van deze rebellie tegen de buitenlandse overheersing was voor China de zoveelste smadelijke nederlaag sinds de Eerste Opiumoorlog, zestig jaar eerder, die het begin was van de ‘Eeuw der Vernedering’. In een lange reeks oorlogen en invasies maakten de westerse koloniale mogendheden en later ook Japan zich meester van de Chinese economie en van de centra van de belangrijkste steden. De Amerikanen pikten een stevig graantje mee, al waren ze niet zo geïnteresseerd in landjepik, zoals de Britten, de Fransen en de Duitsers. Dat smadelijke verleden is nu de sterkste drijfveer van China’s wederopstanding als supermacht.

De ergste vernedering werd China niet aangedaan door het Westen, maar door zijn voormalige vazalstaat Japan. De zware Chinese nederlaag in de Eerste Chinees-Japanse Oorlog in 1895 stimuleerde Tokio’s imperialistische roeping. Japanse troepen bezetten Mantsjoerije in 1931 en trokken zes jaar later naar het zuiden op om eerst China te veroveren en daarna heel Zuidoost-Azië. Zo werd China de toen officieel nog niet uitgebroken Tweede Wereldoorlog in gezogen. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor sloten Roosevelt en Churchill een bondgenootschap met de Chinese president Chiang Kai-shek. Daarmee begon een stroeve Amerikaans-Chinese samenwerking, die de Chinese communisten na hun machtsovername uit de geschiedenis hebben weggecensureerd. Amerika vindt nog altijd dat de militaire rol die het speelde in de oorlog tegen Japan zijn voortdurende aanwezigheid in de regio rechtvaardigt.

De afloop van de Tweede Wereldoorlog bevestigde Amerika’s status als supermacht en zijn militaire suprematie. In West en Oost sloot Washington militaire bondgenootschappen om de veiligheid van de wereld en vooral zijn eigen belangen te verzekeren: een overkoepelende organisatie, de Navo, voor de Atlantische bondgenoten, afzonderlijke verdragen met de bondgenoten in Oost-Azië – die China nu bezig is los te weken van de Verenigde Staten voor de opbouw van een eigen invloedssfeer. Het verslagen Japan werd ook op defensiegebied een Amerikaanse dependance. De Filippijnen, tot 1946 een Amerikaanse kolonie, werden een neokolonie, compleet met een defensieverdrag. Er kwamen bases met Amerikaanse troepen in Japan, Zuid-Korea, Thailand, de Filippijnen, Australië en Nieuw-Zeeland. De vijand was het internationale communisme, dat wil zeggen de Sovjet-Unie en haar Aziatische satellieten.

Als een van de overwinnaars in de Tweede Wereldoorlog kreeg China een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad. De Amerikanen waren er vast van overtuigd dat Chiang Kai-shek aan de macht zou blijven en een betrouwbare Amerikaanse bondgenoot zou worden. Het liep anders. De in de oorlog onderbroken Chinese Burgeroorlog laaide weer op, en in 1949 koos Chiang het hazenpad naar Taiwan. Daarmee werd de kwestie-Taiwan geboren – die onder Trump opnieuw acuut is geworden. De overwinning van Mao werd in de Verenigde Staten ‘het verlies van China’ genoemd, alsof China voordien Amerikaans eigendom was geweest.

Sindsdien haalden Amerikaanse presidentskandidaten in hun campage het ‘rode gevaar’ routinematig van stal, maar wie als kandidaat beloofde het perfide China mores te leren zocht er als president een vorm van samenwerking mee. Kandidaat Bill Clinton sprak, denkend aan het bloedbad van Tiananmen, over ‘de slagers van Peking’, president Bill Clinton loodste China de Wereldhandelsorganisatie in. Kandidaat George W. Bush noemde China een ‘strategische concurrent’, president George W. Bush nam China op als bondgenoot in zijn oorlog tegen het terrorisme. Hillary Clinton, die zich als havikachtige minister van Buitenlandse Zaken in China gehaat had gemaakt, beloofde dat ze de door China gestolen banen naar Amerika zou terughalen. Als kandidaat ging Trump tegen China haast even furieus tekeer als tegen Obama. De China-politiek van president Trump is tot op heden het Twitter-stadium nauwelijks gepasseerd.

Een Chinese diplomaat die in 1844 met de Amerikanen onderhandelde noemde hen onwetend en simplistisch

Waarschijnlijk de eerste Amerikaan die Mao leerde kennen was de journalist Edgar Snow, de eerste westerling die berichtte over de communistische boerenopstand, en dat deed hij met grote sympathie. Eenmaal aan de macht verbrak Mao de diplomatieke relaties met de VS en confisqueerde hij alle Amerikaanse bezittingen. Voor Amerikanen die zich die dagen in China waagden was het heel moeilijk om niet ontmaskerd te worden als agenten van het imperialisme. Chinezen die contact hadden met buitenlanders, speciaal Amerikanen, werden vaak door hun buurtcomité aangegeven. Het idee dat de VS erop uit zijn de Chinese communistische partij te onttronen was bepaald niet uit de lucht gegrepen, maar het werd wel een obsessie, en die is de laatste jaren alleen maar verhevigd.

Achter kritiek, protestacties of pleidooien voor politieke hervormingen worden al snel ‘vijandige buitenlandse krachten’ ontwaard, jargon voor een westerse, bij voorkeur Amerikaanse samenzwering tegen China. Genoemde krachten zouden in China infiltreren via universiteiten, media, mensenrechtengroepen en andere ngo’s. Dat verklaart mede de strenge controle op die organisaties. Critici worden vaak afgeschilderd als buitenlandse agenten die tegen de nationale belangen in gaan en dus landverraders zijn. Vraag maar aan, bijvoorbeeld, Liu Xiaobo (Nobelprijs voor de vrede, 2010), die in 2009 elf jaar cel kreeg, of aan de Oeigoerse intellectueel Ilham Tothi (Martin Ennals-mensenrechtenprijs, 2016) die in 2014 tot levenslang werd veroordeeld wegens het bevorderen van de dialoog tussen Han-Chinezen en de door hen onderdrukte Oeigoeren. In Hongkong kregen de stichters van de jonge onafhankelijkheidspartij het routinelabel ‘westerse agenten’ opgeplakt, net als de leiders van de Hongkongse jongeren die in 2014 bij honderdduizenden de straat op waren gegaan.

Mao was een jaar aan de macht toen hij zijn troepen naar Korea stuurde om te vechten tegen de Amerikanen, de bondgenoten uit de oorlog tegen Japan. Hij wilde koste wat het kost voorkomen dat de Noord-Koreaanse troepen van de communistische leider Kim Il-sung door de Amerikanen en de Zuid-Koreanen werden ingemaakt. Tot op heden was dat de laatste keer dat Chinezen en Amerikanen elkaar op het slagveld troffen. De Koreaanse Oorlog (1950-1953) leidde tot een militaire patstelling en vervolgens tot een wapenstilstand. Vrede werd er nooit gesloten.

Nu Noord-Korea over kernbommen en lange-afstandsraketten beschikt en dreigt die te gebruiken tegen de VS, Japan en Zuid-Korea is een bruuske schending van de wapenstilstand lang niet uitgesloten. Noord-Korea is Trumps meest acute buitenlandprobleem omdat het Amerikaanse vasteland binnenkort onder bereik komt van Noord-Koreaanse atoombommen. De Amerikaanse raketaanval op Syrië eerder deze maand heeft Noord-Korea misschien wel terecht uitgelegd als een waarschuwing aan het eigen adres. Trump wil dat China het regime van Kim Il-sungs kleinzoon tot de orde roept, maar ondanks alle Noord-Koreaanse provocaties durft Peking zijn allesbeslissende steun aan Pyongyang niet in te trekken, want anders valt het regime en winnen de Amerikanen alsnog.

In 1956 zette Stalins opvolger Chroesjtsjov de destalinisatie in. Daarmee verzekerde de nieuwe sovjetleider zich van een machtige vijand: Mao Zedong. De Grote Stuurman was bang dat Chroesjtsjovs ‘revisionisme’ in China school zou maken. De demaoïsatie is er nooit gekomen, alleen enige kritiek op zijn ‘fouten’, en daarna zand erover. Mao buitte China’s vijandschap met de twee wereldmachten grondig uit om zijn binnenlandse positie te versterken, maar hij veranderde van strategie toen de relaties tussen China en de Sovjet-Unie dusdanig verloederden dat een kernoorlog tussen de communistische broederstaten een reële mogelijkheid werd.

In februari 1972 ontving de rasideoloog Mao Zedong de aartsimperialist Richard Nixon in Peking. Het werd de ‘week die de wereld veranderde’. Hoewel in China de Culturele-Revolutieslogan ‘Verbrijzel het Amerikaans imperialisme’ nog nagalmde, was Mao pragmaticus genoeg om bij de imperialisten steun te zoeken tegen de revisionisten in Moskou. Nixon en zijn nationale veiligheidsadviseur Kissinger gaven hem die steun graag, in ruil voor China’s hulp om de Vietnamoorlog te beëindigen. Waarschijnlijk begrepen de Amerikanen toen al dat China’s enorme economische potentieel ongekende mogelijkheden opende voor Amerikaanse investeerders.

Medium anp 50585764
Donald Trump verwelkomt Xi Jinping in Palm Beach, Florida, 6 april © Carlos Barria / Reuters / ANP

Het Chinees-Amerikaanse monsterverbond luidde niet alleen het begin van het einde van de Sovjet-Unie in, maar ook het einde van China’s internationale isolement. Het legde de kiem voor Deng Xiaopings politiek van ‘hervorming en openstelling’ die China gebracht heeft tot waar het nu is. Sindsdien is er maar één andere Amerikaan in wie de communistische leiders evenveel vertrouwen hebben als destijds in Edgar Snow: Henry Kissinger. De nu 93-jarige Kissinger is de China-adviseur van de wonderboy Jared Kushner, die door zijn schoonvader Donald Trump belast is met de oplossing van ongeveer alle wereldproblemen.

Mao heeft een tijdlang de illusie gehad dat het maoïsme de wereldrevolutie zou ontketenen. Amerika zou volgens hem een papieren tijger blijken en China zou weer de enige rol spelen die het land van nature toekomt: die van wereldleider. Deng Xiaoping zag in dat dat een waandenkbeeld was en dat er voor China geen enkele leidersrol was weggelegd als het zich niet eerst ontwikkelde. Hij vond daartoe het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ uit. Alle aandacht en energie werden gericht op de economische ontwikkeling. Op het wereldtoneel hield China zich opmerkelijk stil. Deng had het zelf gezegd: Tao guang yang hui: hou je gedeisd en beid je tijd. In de internationale politiek viel de Volksrepubliek nauwelijks op, in de Veiligheidsraad hield ze zich opvallend koest, de militaire uitgaven liepen terug.

China’s openstelling trok zowel buitenlandse investeringen als buitenlandse ideeën aan. Met het eerste was de overheid heel blij, met het laatste minder. Maar het overwaaien van die vreemde denkbeelden was niet te vermijden, meende Deng, want als je de ramen van je huis open zet, komen er helaas ook vliegen binnen. Als vliegen hinderlijk worden, mep je ze dood. Toen de op het Tiananmenplein kamperende studenten pal tegenover het reusachtige portret van Mao een tien meter hoge ‘Godin van de Democratie’ oprichtten, was de maat voor de partij vol. De protestbeweging kon daardoor worden weggezet als een Amerikaanse samenzwering tegen China. Het bloedbad dat volgde is de grootste schandvlek op het blazoen van Deng en een dieptepunt in de geschiedenis van het post-maoïstische China.

Vlak voor het ingrijpen van de troepen was de laatste leider van de Sovjet-Unie, Michail Gorbatsjov, op bezoek geweest in Peking. Dat teken van ontspanning viel toen al nauwelijks op, en weldra bewees de instorting van de Sovjet-Unie dat het bezoek overbodig was geweest. Voor China’s huidige sterke man Xi Jinping is Gorbatsjov hetzelfde als Judas voor de christenen: het prototype van de verrader. De ondergang van de Sovjet-Unie en haar communistische partij is Xi’s grote obsessie en tegelijk zijn grote inspiratiebron, maar dan in het negatieve. Met het verdwijnen van de Sovjet-Unie viel voor China de belangrijkste reden van zijn toenadering tot de Verenigde Staten weg. Maar intussen was er een nieuwe reden bij gekomen, en die was niet geopolitiek maar economisch van aard. Voor de economische groei was voor China de grootste economie van de wereld immers onontbeerlijk.

Nu is het Amerika van Trump de haard geworden van het verzet tegen de globalisering, en China de grote voorvechter

Na een korte inzinking vanwege het bloedbad van Tiananmen bloeiden de relaties tussen Amerika en China op, tot wederzijds voordeel. Nog nooit hebben de Amerikanen zo weinig hoeven te betalen voor hun huis-tuin-en-keukenspullen, en nog nooit heeft een land zo veel verdiend aan zijn export als China, vooral na het slechten van de tariefmuren dankzij de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001. Dat boezemde Amerika aanvankelijk geen angst in, integendeel, het zou ‘voor China’s 1,2 miljard burgers het zaad van de vrijheid zaaien’, wist Robert Rubin, die onder Clinton minister van Financiën was geweest. Amerika was er zeker van dat China door zijn steeds grotere deelname aan het wereldhandelssysteem democratisch zou worden. President Clinton had het zelf gezegd: de openbreking van het Chinese politieke systeem is ‘onvermijdelijk, even onvermijdelijk als de val van de Berlijnse Muur was’. President George W. Bush zei het hem na: ‘Drijf vrijuit handel met China, en de tijd staat aan onze kant.’

Het was de tijd waarin de Amerikanen nog onvoorwaardelijk geloofden dat een land zich maar langs één weg kon ontwikkelen: de weg die leidt naar de liberale democratie. Volgens de gangbare Amerikaanse opvatting was het autoritaire Chinese politieke systeem intrinsiek slecht en daarom gedoemd tot de ondergang. De snel uitgedijde Chinese middenklasse zou als één man democratie gaan eisen. Economische modernisering zou automatisch leiden tot politieke liberalisering, een open economie automatisch tot een open maatschappij. Een democratisch en volop kapitalistisch China zou zich zeker in de bestaande, dat wil zeggen westerse, wereldorde inpassen en dus geen gevaar vormen voor de Amerikaanse wereldhegemonie. Daarnaast was er natuurlijk het nieuwe, onfeilbare democratiseringswapen: internet.

Het is anders gelopen . Geen land heeft zo veel geprofiteerd van de globalisering als China, maar dat heeft de liefde van de Chinezen voor de democratie niet vergroot, integendeel. Nog niet zo lang geleden waren de Amerikanen ervan overtuigd dat de globalisering alleen maar winnaars zou opleveren. Wie daar anders over dacht werd weggezet als oud-linkse antiglobalist. Nu is het Amerika van Trump de haard geworden van het verzet tegen de globalisering, en China de grote voorvechter. En de vrijhandel heeft in Amerika zijn vijand gevonden en uitgerekend in China zijn verdediger.

Wat ook heel anders is uitgepakt is de voorspelling over het democratiserende effect van internet. China ontwikkelde een geraffineerd en zeer efficiënt censuursysteem. Deze Great Firewall of China heeft de razendsnelle ontwikkeling van internet in het geheel niet gehinderd. Maar de lust om politiek gevoelige onderwerpen aan te snijden is de Chinezen vrijwel compleet vergaan. Des te meer gebruiken ze internet om spelletjes te spelen, aankopen te doen bij e-commerce-giganten als Alibaba en hun vaak verwoede nationalisme te ventileren. Het Chinese censuursysteem is al doorverkocht aan andere autoritair geregeerde staten.

Het gebrek aan democratie en vrijheid in China interesseert Trump niet, de onevenwichtige handelsrelaties des te meer. Gelukkig voor China, maar ook voor Amerika zelf, heeft hij zijn dreigement om een handelsoorlog tegen China te ontketenen niet, of nog niet, uitgevoerd. Het is een onzalig plan. De Amerikaanse en de Chinese economie zijn immers als vogelvleugels: als de ene vleugel hapert, kan de andere zo hard klapperen als hij wil, de vogel kan niet meer vliegen. En dan komt een handelsstroom van jaarlijks 659 miljard dollar in gevaar, en daarmee de hele wereldeconomie. De keynesiaanse econoom Paul Krugman houdt ernstig rekening met een wereldhandelsoorlog, die de huidige mondiale economische structuur kapot zou maken.

Peking hoopt dat Trump het voorbeeld van zijn meeste voorgangers zal volgen: een grote bek tegen China in de campagne, toenadering na de overwinning. Inderdaad schreeuwt Trump sinds hij president is een stuk minder. Tijdens Xi’s bezoek aan Trump eerder deze maand hebben ze elkaar honderd dagen gegeven om een handelsoorlog te voorkomen. Trump voelde zelfs ‘vriendschap’ voor Xi opwellen. Als dat gevoel echt zou zijn, zou hij onmiddellijk de anti-Chinese extremisten die zijn handelsbeleid bepalen de laan uit sturen.

Sinds ze elkaar economisch omhelsden, begrepen zowel Chinezen als Amerikanen dat ze bij een militair conflict niets te winnen hadden. Vier keer laaiden de militaire spanningen even op, maar steeds liep het met een sisser af. Als regel test China een nieuwe Amerikaanse president uit met een militaire actie. Trump kreeg zijn test nog vóór zijn aantreden, toen in internationale wateren in de Zuid-Chinese Zee een snel Chinees militair bootje een onderwaterdrone wegsnaaide vlak voordat die op zijn basis, een Amerikaans marineschip, zou terugkeren. Twitteraar Trump was woedend over deze ‘unpresidented (sic) act’. Hij zei dat de Chinezen die drone mochten houden, maar na een paar dagen werd het apparaat teruggegeven in een geheel door China geregisseerde ceremonie.

Sinds het begin van de Chinese economische revolutie hebben Washington en Peking problemen gehad van allerlei soort, maar steeds bleven de conflicten beheersbaar omdat het gemeenschappelijk belang zwaarder woog. Zo sloten Obama en Xi een klimaatakkoord en werkten samen voor de bevriezing van het Iraanse nucleaire programma. Er was zelfs even sprake van een ‘G2’, waarin Amerika en China in broederlijk overleg zouden beslissen over het lot van de mensheid. Die G2 heeft alleen bestaan in de fantasie van mensen die zich verkeken op de wil van beide landen om grote conflicten te vermijden.

Naarmate China zich economisch en militair verder ontwikkelde was er steeds minder reden om zich gedeisd te houden. Barack Obama onthield zich, heel opmerkelijk, tijdens zijn campagne van goedkoop gescheld op China en maakte na zijn aantreden duidelijk dat hij de opkomst van de Volksrepubliek toejuichte. De Chinese leiders vermoedden in die uitgestoken hand een teken van zwakte. Ze hadden al grote twijfels over Amerika’s mondiale leiderschap vanwege de rampzalige oorlogen in Afghanistan en Irak en de kredietcrisis die Amerika zichzelf had aangedaan. Daarna zagen ze dat leiderschap steeds meer eroderen: Obama voerde zijn dreigement niet uit om Syrië te bombarderen als president Assad de ‘rode lijn’ – het gebruik van chemische wapens – zou overschrijden, hij weigerde het leger in te zetten tegen IS, op de Chinese machtsexpansie in de Zuid-Chinese Zee reageerde hij met krachtige woorden maar zwakke daden, hij liet zich door de Republikeinse meerderheid in het Congres veel te veel in de luren leggen, kortom, China zag hem als een slappe leider van wie het weinig te vrezen had.

Toen de Volksrepubliek ernstig werk begon te maken van haar claims op de Zuid- en Oost-Chinese Zee reageerde Washington met de pivot to Asia (zwenking naar Azië). Met dit project, in 2011 aangekondigd door minister Hillary Clinton van Buitenlandse Zaken, benadrukten de VS dat ze een Pacific-mogendheid zijn en dat ze een dam willen opwerpen tegen de opkomst van China. Dat moest gebeuren door een verhoging van Amerika’s militaire aanwezigheid in het Pacific-gebied, het aanhalen van de militaire banden met oude en nieuwe bondgenoten en de stichting van het Trans-Pacific Partnership (tpp), een grote door Amerikaanse multinationals gedomineerde vrijhandelszone waar China buiten zou worden gehouden. Dit alles moest de Chinezen duidelijk maken dat de verzwakking van Amerika een sprookje was, en tegelijk de bondgenoten in de regio geruststellen dat ze nog altijd op hun grote Amerikaanse broer konden rekenen.

Er is van de pivot weinig terechtgekomen. Amerika’s militaire aandacht werd opgeëist door Rusland en het Midden-Oosten, en het tpp werd door isolationist Trump direct na zijn inauguratie van tafel geveegd. Amerika’s weigering om deel te nemen aan de door China opgerichte en gedomineerde Asian Infrastructure Investment Bank getuigde van weinig visie en veel angst voor de opkomst van de nieuwe wereldmacht in het Oosten. Als Hillary Clinton president was geworden, zou ze ongetwijfeld de indamming van China met nieuwe energie hebben aangepakt en zouden de relaties steeds meer gespannen zijn geraakt. Trump daarentegen gaf tijdens zijn campagne de indruk dat hij zich wilde verschansen in Fort Amerika en de wereld aan zichzelf wilde overlaten.

Wie daarin geloofde, is van een koude kermis thuisgekomen. De oude imperialistische inborst is niet alleen niet veranderd, maar nog verbetener geworden, met meer superioriteitsgevoel en minder zendingsdrang. Zeker, er zijn notoire verschillen binnen Trumps entourage. Schoonzoon Jared Kushner gaat door voor een globalist die alleen geïnteresseerd is in zaken, het doet er niet toe met wie, terwijl huisideoloog Steve Bannon zowel het politieke systeem van de Verenigde Straten als de rest van de wereld kapot wil maken en een oorlog met China voor onafwendbaar houdt. Met de beschieting van het Syrische vliegveld heeft Trump de wereld duidelijk gemaakt dat America first ook in militaire zin moet worden uitgelegd.

Trump wil de Amerikaanse militaire aanwezigheid in de wereld scherp opvoeren ‘zodat Amerika weer oorlogen kan winnen’. Daarvoor wil hij het Pentagon 54 miljard dollar extra toespelen, tien procent meer dan op het budget van 2016 en twee miljard meer dan de totale Russische defensiebegroting. Ook zouden er liefst zes vliegdekschepen bij moeten komen. Die zouden vooral moeten voorkomen dat China de belangrijkste zeemacht van Oost-Azië en de Indische Oceaan wordt. Niemand verwacht dat Amerika, met of zonder Trump, werkeloos blijft toekijken hoe China steeds verder knaagt aan de Amerikaanse wereldhegemonie.


Dit is een bewerking van een hoofdstuk van het nieuwe boek van Jan van der Putten, *Botsende supermachten: China en Amerika op ramkoers? *Op 8 mei vindt in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam een debat plaats over het thema.