Een islamitische opvoeding

Als de leeuw van Allah

Wat betekent het om moslim te zijn in het Westen? De Rotterdammer Lotfi El Hamidi grijpt de ramadan aan voor zelfreflectie. Van de iftars van zijn moeder en ‘Ar-Risalah’ – de ramadanfilm bij uitstek – via de schotel, tot de worstelingen van nu.

Medium bp8b1r
Anthony Quinn als Hamza in de Amerikaanse versie van Ar-Risalah, die tegelijk werd gedraaid met de Arabische © alamy

Mijn eerste deelname aan de ramadan moet vroeg zijn geweest, toen ik een jaar of negen was. Niet dat het moest, daar was ik te jong voor, maar omdat de heilige maand toen in de winter viel. Zonsondergang, het moment van het verbreken van het vasten, was rond half vijf, wat ook voor de kleintjes goed vol te houden was. De heerlijke geuren uit de keuken van mijn moeder, die het presteerde om elke avond een feestmaaltijd neer te zetten, was voor mij reden genoeg om de volgende dag weer fanatiek mee te doen.

In de avond liep de buurt leeg, op weg naar de moskee. De sfeer was gemoedelijk, mensen waren vrolijker dan normaal. De moskee, gehuisvest in een voormalige kerk, stroomde langzaam maar zeker vol voor het speciale avondgebed. De zachte stem van de imam wanneer hij uit de koran voordroeg was zo rustgevend dat ik ervan droomde. De ramadanavonden hadden iets magisch. In mijn beleving was het Kerst, maar dan dertig dagen achter elkaar.

Ik had graag gewild dat de warme sfeer, de gemeenschapszin en de verbondenheid die tijdens de ramadan ervaren werden ook in de rest van het jaar terug te zien waren. Maar dat zat er niet in. Buiten de ramadan om gold weer de wet van de betonnen jungle. De wijk waar ik woonde stond bekend als een van de ruigste van Rotterdam, al wist ik toen niet beter. Wat op straat gebeurde leerde je niet thuis of op school. Ik moest het maar ondergaan.

Zo werd ik geregeld na schooltijd in elkaar geslagen door een groepje jongens uit de buurt, om redenen die ik niet met zekerheid kan vaststellen. Keek ik hen verkeerd aan? Gaf ik niet snel genoeg antwoord? Of was het mijn sullige loopje dat hun niet aanstond? Wat het ook was, een pak rammel was onvermijdelijk. De meeste leeftijdgenoten hadden een rits broers klaarstaan ter bescherming, maar ik was zelf de oudste jongen van het gezin. Voor mij zat er niets anders op dan een week lang na schooltijd omlopen, met de hoop dat er ondertussen een andere loser werd gevonden waar zij hun frustraties op konden botvieren.

Geweld was in mijn jeugd net zo normaal als het kommetje harira bij de iftar. Het was te zien op televisie, op straat, op het schoolplein. Het was nog de tijd dat de corrigerende tik, zoals dat eufemistisch heette, breed geaccepteerd was. Althans, binnen de migrantengemeenschappen. Iedereen wist wat de tweede functie van de broekriem was. Niet dat ik er een trauma aan heb overgehouden, omdat ik me niet kan herinneren of het ooit onverdiend was. Ik moet denken aan een scène uit de gangsterfilm Goodfellas van Martin Scorsese waarin hoofdrolspeler Henry Hill verhaalt hoe hij als jonge spijbelaar thuis regelmatig een pak slaag kreeg van zijn gefrustreerde vader. Hij relativeert de lijfstraffen: ‘Every once in a while, I’d have to take a beating. But, by then, I didn’t care. The way I saw it, everybody takes a beating sometime.’

***

Ik moet ook een jaar of negen zijn geweest toen ik voor het eerst de Arabische film Ar-Risalah te zien kreeg, thuis via de schotel. Het drie uur durende epos uit 1976 vertelt het ontstaansverhaal van de islam, vanaf het moment dat Mohammed via de engel Gabriël de boodschap van God ontvangt tot en met de islamitische inname van Mekka. Dat doet de Syrisch-Amerikaanse regisseur Moustapha Akkad knap, want de centrale figuur van het verhaal, Mohammed, komt geen moment in beeld, conform het verbod rond het afbeelden van de Profeet.

Akkad, bekend geworden als producent van de horrorreeks Halloween, droomde van een islamitische versie van films als The Ten Commandments en Ben-Hur. Na geld te hebben ingezameld in het Midden-Oosten begon hij in Marokko met de opnamen. De van oorsprong Syrische regisseur schoot simultaan een Arabische en een Engelse versie van de film, omdat hij het verhaal ook voor een westers publiek toegankelijk wilde maken. Het duurde niet lang voor de religieuze scherpslijpers uit Egypte en Saoedi-Arabië de filmmaker begonnen te verketteren, omdat elke vorm van visualisering van het verhaal onislamitisch zou zijn. Nadat Marokko onder druk werd gezet moest Akkad noodgedwongen zijn filmset verhuizen naar Libië, waar Kadhafi bereid was om in het project te investeren. De beste Arabische acteurs werden opgetrommeld, en voor de Engelstalige versie wist Akkad zelfs Anthony Quinn te strikken.

De film werd elke ramadan weer uitgezonden op verscheidene Arabische zenders, vaak in drie delen. Het was de ramadanfilm bij uitstek, aangezien volgens de overlevering in die maand de openbaring plaatsvond. Een goed moment om de jonge kijkers kennis te laten maken met het verhaal van de islam, moeten veel ouders gedacht hebben, al zou de film vandaag door de Kijkwijzer vanwege het expliciete geweld ongetwijfeld als ongeschikt en schadelijk voor kinderen beoordeeld worden. Akkad is nog zuinig geweest, want hij wilde de nadruk niet leggen op geweld; de negatieve beeldvorming rondom de islam wilde hij juist doorbreken.

Eindelijk zag ik een held die op ‘ons’ leek, een Arabier die niet de ultieme bad guy was zoals zo vaak te zien in de westerse media

Omdat Mohammed niet afgebeeld mag worden is ervoor gekozen om zijn oom Hamza de hoofdrol te laten vertolken (in de Engelse versie gespeeld door Quinn). Hamza, de beruchte leeuwenjager en wijnliefhebber, is de held van de film. Integer en met een sterk rechtvaardigheidsgevoel bekeert hij zich tot de islam, wanneer zijn neef en zijn dan nog schaarse aanhang in Mekka in toenemende mate gemarginaliseerd en belaagd worden. Hij is onverschrokken en strijdvaardig, op het moment dat Mohammed nog geweldloosheid en engelengeduld predikt. Hamza is het prototype masculiene Arabier, die op het slagveld een opvallende witte struisvogelveer op zijn borst draagt, zodat de vijand weet dat hij de dood niet vreest. ‘Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard vergaan’, is in zijn geval geen waarschuwing, maar een lijfspreuk.

Een onvergetelijke scène is het moment waarop Hamza uit het niets vanuit de woestijn Mekka binnentreedt, van zijn paard stapt en nonchalant de leeuwenvacht om zijn schouders van zich af werpt. Het is een scène die sterk doet denken aan de intrede van Omar Sharif in de film Lawrence of Arabia uit 1962. De strenge blik in zijn ogen en het ontzag dat hij daarmee uitstraalde intrigeerden mij enorm. Eindelijk zag ik een held die op ‘ons’ leek, een Arabier die niet de ultieme bad guy was zoals zo vaak te zien in de westerse media.

De volgende dag op het schoolplein kon je erop rekenen dat in ieder geval alle Marokkaanse leerlingen de film hadden gezien. En dat iedereen het over Hamza had. Het zou me niet verbazen als nu onder de kinderen van mijn generatiegenoten de naam Hamza relatief vaak voorkomt. Iedereen wilde Hamza zijn, de leeuw van Allah, zoals zijn bijnaam luidde. Ar-Risalah werd voor mijn generatie een cultfilm, een referentiekader voor veel jonge moslims die snakten naar eigen helden en verhalen, naar een identiteit die houvast en inspiratie zou kunnen bieden in een onzekere gemeenschap.

Sinds ongeveer tien jaar geleden verschijnen er tijdens de ramadan steeds weer nieuwe religieuze films en series die in de voetsporen proberen te treden van Ar-Risalah. Uiteraard met een groter budget, special effects en een indrukwekkende cast, want het zijn prestigeprojecten geworden. De films worden vooral gefinancierd en geproduceerd door de golfstaten (die eerder juist zulke films verketterden). Ik heb er door de jaren heen een aantal voorbij zien komen en het valt me op hoe bloedig en politiek beladen de films zijn geworden vergeleken met de klassieker van Akkad. Er schuilt te veel haat en nijd in de verhaallijnen, en het komt me helaas allemaal te bekend voor.

***

Net als veel leeftijdgenoten bevond ik me als kind van een migrant in een soort limbo. Verlangen naar een ver, exotisch land als ‘thuis’ kon ik niet, want ik ben in Nederland geboren en getogen. Maar dit land kon ik lange tijd ook niet zien als thuis, want ik was toch zeker geen Nederlander. En misschien ben ik dat nog steeds niet, al weet ik dat ik ook geen Marokkaan ben. Vaak zeg ik maar dat ik een Europeaan ben, wat misschien te veel van het goede is, zoals aan het woord wereldburger tegenwoordig een elitaire bijklank kleeft. Wat in ieder geval onlosmakelijk met mijn identiteit verbonden leek, was toch wel de islam. Maar ook dat was geen statisch gegeven in mijn zoektocht naar identiteit.

Mijn vader struinde in zijn spaarzame vrije tijd de lokale vlooienmarkt af naar historische atlassen. Als hij thuiskwam kreeg ik zo’n oude atlas cadeau. Ik kon wel uren achter elkaar de landkaarten bestuderen en wellicht werd toen de kiem gelegd voor mijn latere studiekeuze voor geschiedenis. Met mijn vader bladerde ik door de atlas en kreeg ik de oude geromantiseerde verhalen te horen over het glorieuze verleden van de islam, hoe de Arabieren in rap tempo de halve oude wereld veroverden en onder hun heerschappij een bloeiende beschaving ontstond. De atlas werd mijn venster op de wereld, waar ik gefantaseerde reisjes maakte naar verre landen en naar het verleden, wat in zekere zin ook een ver land is.

Dat het verleden voor anderen minder ver is realiseerde ik mij later, toen ik mijn gedroomde reisjes begon waar te maken. Ik herinner me hoe ik door de befaamde Qayrawan Moskee van Fès in Marokko werd rondgeleid door een gids die trilde van ontroering toen hij vertelde hoe de enorme kroonluchter in de gebedsruimte door de Moren vanuit Spanje was meegesjouwd nadat zij door de katholieke heersers gedwongen waren huis en haard te verlaten. Dit was geen individuele beleving van de gids, leerde ik al gauw, maar een grensoverschrijdende gemeenschappelijke herinnering.

Zoals de Moren de kroonluchter in de zestiende eeuw meenamen torsen veel moslims hun geschiedenis nu met zich mee, en het is meestal een geschiedenis vol wrok. Zo wordt Arabische kinderen geleerd dat hun geschiedenis onlosmakelijk met het heden is verbonden. Op jonge leeftijd leren zij het verhaal en delen ze de tranen van Boabdil, de laatste heerser over het Spanje van de Moren, die in 1492 de sleutels van Granada aan de katholieke koningen overhandigde, in ruil voor een vrijgeleide naar Marokko. Als de Moorse koning onderweg nog eenmaal omkijkt en een diepe zucht slaakt, spreekt zijn moeder hem bestraffend toe: ‘Terecht huil je als een vrouw voor wat je niet kon verdedigen als een man.’ Deze berisping wordt als aan den lijve ervaren, want Arabieren realiseren zich dat de geschiedenis hun op dat ogenblik uit handen werd genomen, dat dat het begin was van een lange en pijnlijke periode van stagnatie. Het verlies van Spanje is niet slechts een stoffige notie in de geschiedenisboeken, maar bijna een contemporaine gebeurtenis, een voorloper van meer recente rampen, in het bijzonder van het verlies van Palestina.

Identiteit is meervoudig, tijdelijk, ja zelfs fictief. Een identiteit ben je niet, je kunt het hoogstens abusievelijk denken

Ik was er zelf ook niet immuun voor. In de jaren negentig ben ik opgegroeid met de dramatische beelden uit de Palestijnse gebieden. Naast de ongecensureerde beelden van geweld verschenen ook de strijdliederen op onze beeldschermen. Zo zong de Libanese (christelijke) zangeres Julia Boutros het lied Wayn al-Malayeen, vrij vertaald: ‘Waar zijn de miljoenen mensen?’, doelend op de Arabische massa’s in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het patriottistische lied zong zij naar aanleiding van de Israëlische inval in Libanon in de jaren tachtig, maar het werd al gauw ook van toepassing op de situatie van de Palestijnen. In het refrein deed ze een beroep op de eer en waardigheid van het Arabische volk om mee te strijden tegen de zionistische entiteit. Ik kreeg er kippenvel van, terwijl ik etnisch gezien niet eens een Arabier ben.

Maar waarom deed dat lied mij zoveel? Omdat de stenen gooiende tieners in de muziekclip op mij leken? Omdat bij ons thuis een afbeelding van de Rotskoepel aan de muur hing? Of was het dat giftige antisemitisme van de straat, waar jood synoniem stond voor alles wat in onze ogen slecht was? Wellicht een combinatie van factoren, maar wat in ieder geval steeds weer terugkwam was het narratief van de underdog. Er werd een beroep gedaan op een vermeende solidariteit en een vermeend rechtvaardigheidsgevoel vanwege je islamitische identiteit. Ik moest denken aan Hamza, die opkwam voor de onderdrukte minderheid en zijn oude, geprivilegieerde leven ervoor opgaf. En als ik er nu aan terugdenk, realiseer ik me hoe groot de raakvlakken zijn met hoe jongeren later werden geronseld voor de jihad.

De nadruk op islamitisch geweld, terrorisme en fanatisme dwong mij al op vrij jonge leeftijd na te denken over mijn positie als moslim in het Westen. Steeds weer moest ik me in deze samenleving herpositioneren, mijn identiteit herdefiniëren. Het werd een ritueel en ik moet toegeven dat ik het op den duur minder als last en steeds meer als een inspiratiebron ben gaan beschouwen om mezelf en de wereld kritischer te bekijken en beter te begrijpen. De vraag wat mijn identiteit is werd later vervangen door de vraag wat mijn identiteit eigenlijk betekent in de context van de samenleving waarin ik leef.

***

Wat betekent het om moslim te zijn in het Westen? Waaruit bestaat de islamitische identiteit? Wat zijn de invloeden die een religieuze en culturele identiteit bepalen? En in hoeverre wordt identiteit bepaald door beelden en stereotypen uit de media en het publieke debat?

In mijn poging deze vragen te beantwoorden heb ik me er inmiddels bij neergelegd dat ik daar nooit sluitende antwoorden op zal vinden. Want identiteit is geen natuurlijk gegeven maar een voortdurend proces van bijstelling en vorming in relatie tot de omgeving. Identiteit is constant in beweging en aan verandering onderhevig. Identiteit is gefragmenteerd en in meerdere plekken geworteld. Identiteit is de vrucht van machtsverhoudingen en niet zelden een product van uitsluiting. Identiteit is meervoudig, tijdelijk, ja zelfs fictief. Een identiteit ben je niet, je kunt het hoogstens abusievelijk denken. Kortom, de zoektocht naar identiteit is nooit af.

Maar hoe vertel je dit aan al die moslimjongeren die met hun identiteit worstelen? Die dag in, dag uit horen dat hun religie achterlijk is, hun cultuur inferieur? Die ook nog eens in het dagelijks leven worden geconfronteerd met allerlei impliciete vormen van uitsluiting, en daar nog niet genoeg vlieguren hebben gemaakt om zich daartegen weerbaar op te stellen? En zich daardoor aangetrokken voelen tot de radicale islam, met alle gevolgen van dien?

De diplomaat Omar Saif Ghobash, ambassadeur voor de Verenigde Arabische Emiraten in Rusland, doet een poging om antwoord te geven op bovenstaande vragen. In zijn boek Letters to a Young Muslim dat eerder dit jaar verscheen probeert Ghobash zijn tienerzoon houvast te bieden in deze tijd van crisis binnen de islamitische wereld. Hij waarschuwt voor de verleidingen van de radicale islam, voor een misplaatst superioriteitsgevoel ten opzichte van andersdenkenden en andersgelovigen, en spoort aan tot twijfel en zelfreflectie. We moeten kijken naar de aanslagen op Charlie Hebdo en Le Bataclan, zegt Ghobash in zijn boek, en ons serieus afvragen of dit niet precies is wat sommigen van ons moslims aangeleerd krijgen door onze geestelijken. Het is niet meer voldoende om te schuilen achter de apologetische woordvoerders die na elke aanslag roepen dat het niets te maken heeft met de islam, en dat de islam vrede betekent. Volgens Ghobash zijn het holle frasen geworden en staan die de broodnodige zelfkritiek in de weg.

Ik ben het met Ghobash eens. Hoewel ik mijn islamitische opvoeding als een buitengewoon positieve erfenis heb ervaren, kan ik er niet omheen dat een giftige variant van de islam de samenleving is binnengeslopen. Die moet bestreden worden, want die verdwijnt niet vanzelf. Niet met wapens, maar met ideeën. Met een jihad van de liefde, om met Mohamed El Bachiri te spreken, de Marokkaanse Belg die zijn vrouw verloor bij de aanslagen in Brussel in 2016.

Moustapha Akkad, de regisseur van Ar-Risalah, stierf een tragische dood bij een zelfmoordaanslag op een bruiloft in de Jordaanse hoofdstad Amman in 2005. Zijn dochter kwam daarbij ook om het leven. Te veel jonge moslims zijn gestorven voor een valse zaak, te veel onschuldige mensen zijn daarin meegenomen. Mijn generatie is het Akkad verschuldigd om daar een krachtig antwoord op te vinden, in welke vorm dan ook.