Als de mayonaise pakt

Daniel Robberechts, TOXT: Nagelaten werk. Uitgeverij Kritak, 1080 blz., f99,90
HET IS MET HET WERK van Daniel Robberechts wel heel vreemd gelopen. Aanvankelijk, in de jaren zeventig, was hij een van de vooraanstaande auteurs van een generatie die men toen met een verschrikkelijk sektarisch en dwaas woord ‘ander-prozaschrijvers’ noemde. Later, in de jaren tachtig, werd hij een teruggetrokken auteur van wie enkele getrouwen de recentste bladzijden kregen toegestuurd van een groot journaal-met-structuur. Door de modieuze buitenwacht werd zijn naam gekoppeld aan een voorbije tijd, aan allerlei onleesbaars en vervelends. Aan de andere kant werd hij verdedigd door een kleine schare getrouwen die over hem bleven spreken en schrijven.

Toch was er iets dat Robberechts van andere ‘experimentelen’ onderscheidde: hij werd ook gewaardeerd door schrijvers met een uitgesproken sociaal engagement, zoals Walter Van den Broeck en Pol Hoste. Het werk van Robberechts, hoe experimenteel ook, zag er lang niet zo afwijkend uit als dat van bijvoorbeeld Claude van de Berge. Robberechts was, met andere woorden, 'leesbaar anders’, hoe theoretisch de gedachten ook waren die aan zijn werk ten grondslag lagen. Hij werd ook vaker in verband gebracht met de linkse erfenis van de avant-garde, bijvoorbeeld met Jacq Vogelaar in Nederland. Zijn stijl werd gekenmerkt door eenvoud en transparantie, in Vlaanderen en Nederland nog altijd het kenmerk bij uitstek van literaire deugdzaamheid - Shakespeare, Rabelais, Borges en Joyce ten spijt.
Toch ging het Robberechts niet voor de wind. Hij vond geen enkele uitgever meer bereid om hem te begeleiden bij zijn ambitieuze project - iets wat Ivo Michiels voor zijn al even groots opgezette project Journal brut wel was gelukt.
Vooral bij de jongste generatie lezers (en schrijvers) was de naam Robberechts alleen al genoeg voor denigrerende opmerkingen, een sarcastische grap of een schouderophalend wegkijken. Het was voorbij. Tot plotseling de mens Robberechts voorbij was. Ik heb toen een aantal mensen de meest eigenaardige bochten zien maken. Wie een paar dagen tevoren nog snerend zat te doen over de onnozelheid van allerlei post-experimentele schrijvers die door hun eigen stomme schuld niet aan de bak kwamen, zag zich plotseling genoodzaakt zijn eigen geweten te sussen door het Verzameld Werk van Robberechts Nu en Meteen als Dringende Plicht op te leggen aan de Lezende Natie.
DE CONCLUSIE lijkt verschrikkelijk en onontkoombaar: Robberechts’ teksten werden door een aantal mensen pas publikabel geacht toen de auteur er niet meer was. Dat is een pijnlijke kwestie. Het verraadt enerzijds schijnheiligheid, maar het wijst op een averechtse manier ook, denk ik, op de sterk aanwezige existentiele inslag van dit werk. Hoe onrechtvaardig het op het eerste gezicht ook lijkt, misschien is Robberechts’ project pas nu echt lees- en verteerbaar, precies omdat het geen work in progress meer is. Misschien lezen we het in de eerste plaats als een getuigenis. En dat ligt niet eens zo ver af van de visie die Robberechts er zelf op had.
Robberechts heeft herhaaldelijk geprobeerd een uitgever te vinden voor de teksten die we nu als TOXT: Nagelaten werk kunnen lezen in een fraaie, gebonden uitgave. De titel is een soort cryptogram waarin het woord 'totaaltekst’ is samengetrokken. Eigenlijk heb ik het gevoel dat ik iets cynisch doe wanneer ik dit sjieke boek in handen houd en lees. Tegelijk verplicht mijn gezond verstand me om kritisch te lezen en me af te vragen: stel dat de auteur nog leefde en hij had deze uitgave zelf tot stand kunnen brengen, wat zou ik dan van deze opeenvolgende boeken hebben gevonden? Zou ik ze met hetzelfde oog voor het gehele project hebben gelezen, of zou ik van boek tot boek toch iets meer body hebben verwacht en zou de soms wel erg langdradige montage van altijd weer andere innerlijke monologen me na een tijd zijn gaan tegenstaan? Hoor ik dus niet net zo goed tot diegenen die ik als hypocriet wil brandmerken?
Tegelijkertijd is pieteit het kwalijkste en meest hypocriete wat we voor een boek en voor een auteur kunnen doen. Ik heb me dus aan het lezen gezet vanuit dit ongemak en deze gene hopelijk de beste manier om de postume Robberechts eerlijk in de ogen te kunnen kijken.
'WAT MIJ wel het ondernemen waard leek, was: een groot aantal van alle bestaande schrijfwijzen in een tekstenalbum te verzamelen waar lezers genoegen uit zouden halen, en leesmacht over de stroom van geschriften waarmee ze dagelijks werden overspoeld…’ Wie nu precies in TOXT deze woorden uitspreekt, is niet helemaal duidelijk: het kan de auteur zelf zijn, maar net zo goed het personage Zebedeus De Zitter, de laatste in de alfabetische rij van 26 fictieve personages, de hekkesluiter, arrangeur en het alter-ego van de auteur zelf. In het fragment waaruit dit citaat afkomstig is, wordt ook gepleit voor een soort avantgardeschriftuur die nu een keer niet voor de 'tekstmachtigen’ bestemd is, maar voor de eenvoudigste lezer. Daarmee is de inzet bepaald, hoewel deze bedenking pas uitdrukkelijk verschijnt op pagina 829.
TOXT is een tekstlabyrint, een monstertekst, een metronetwerk van op elkaar aansluitende mollegangen en dwarsverbindingen. In de meer dan duizend pagina’s nagelaten teksten voor zijn totaalproject heeft Robberechts iets heel paradoxaals geprobeerd: enerzijds wou hij de meest gewone 'vertogen’ in kaart brengen. Een groot aantal van de fragmenten laten zich dan ook als naturalistische monologen lezen. Aan de andere kant steunt het hele project op bijna extreem te noemen theoretische principes, die vaak in schril contrast staan met wat men van bladzijde tot bladzijde te lezen krijgt. Wie 'argeloos’ lezend zo'n tachtig procent van deze tekst doorneemt, zal dit zo experimenteel bedoelde bouwwerk misschien eerder willen vergelijken met Boons Kapellekensbaan dan met de taalkundige theorieen van structuralististen uit de jaren zeventig.
Robberechts weeft aan een reusachtig netwerk van anekdoten, met de uitdrukkelijke bedoeling geen verhaal in de klassieke zin op te zetten: zijn personages is elke dramatische ontwikkeling vreemd, er is geen plot te vinden, geen dynamiek die naar een ontknoping moet leiden. Wat we wel te lezen krijgen, is een mozaiek van levens in een alfabetische namenrij: van Adolphine Auwaert via Baptist Boonen en Charlotte Cordeman tot Xavier Xhauffleire en, uiteindelijk, de zelf-ironiserende Zebedeus De Zitter, die op een gegeven ogenblik door enkele andere personages het vuur na aan de schenen krijgt gelegd: ze klagen dat hij een wel erg eenzijdig beeld geeft van hun zo hooggeprezen werkelijkheid. Tussen al die personages, die als het ware als sjablonen van een direct realisme worden opgevoerd, groeit natuurlijk toch een soort verband: ze blijken allemaal op ingenieuze manier aan elkaar verwant door relaties, familiebanden of toevallige gebeurtenissen. Bovendien komen bepaalde motieven, details en fragmenten letterlijk terug, vanuit andere invalshoeken. En hoewel er geen plot is, wordt dit boek natuurlijk wel geleidelijk aan zoiets als een grote roman, een verhaal met vele motieven en lagen.
Het commentaar dat Robberechts elders op de leugenachtigheid van de traditionele vertelling geeft, is daardoor dubbelzinnig. Enerzijds behoort het tot zijn project om de gratuite vertelling uit te bannen in naam van een soort taalsociologische bekommernis. Maar anderzijds introduceert hij zoveel fictieve tussenlagen, plots, intriges en relaties dat de realiteitsaanspraak ironisch verpulvert tot een laag in het tekstlabyrint.
DE 'BESCHEIDEN’ realist Robberechts, die zich als het ware onzichtbaar wil maken, als een enkel en alleen maar observerende instantie, werkte tegelijk aan een project dat even ambitieus was als het monsterproject De man zonder eigenschappen van Robert Musil. En er is meer verwantschap met Musils project. Net zoals de auteursinstantie in Musils boek via de onvergetelijke eerste zin als het ware vanuit de stratosfeer neerdaalt, in de straten van Wenen belandt en daar schijnbaar toevallig enkele personages gaat volgen (met de bedoeling een bijna chroniqueur-achtig getrouw beeld van een tijd te geven), komen we bij Robberechts geregeld in een soort 'satelliet-perspectief’ terecht: weerberichten, berichten voor duivenliefhebbers, letterlijk uitgeschreven radiojournalen, beursberichten, artikelen uit kranten, samenvattingen van pulpboeken en soap-afleveringen, en dat alles als aanvulling op de monologues interieurs van de personages. Deze ambitie om de alledaagse realiteit in haar kleinste details vast te leggen is bepaald niet onschuldig. Ze staat voortdurend bloot aan een bijna genante paradox, die als een tonicum heeft gewerkt voor de eenzaam en stug doorschrijvende god-arrangeur: door het invoegen van allerlei retorische, citerende vertogen, krijgen ook de verhalen die voor 'werkelijk’ moeten doorgaan, van de weeromstuit een fictieve schijn. Deze spanning werkt meer dan eens intrigerend en ironisch.
Net als Musils boek komt TOXT in principe niet tot een einde; wat we nu kunnen lezen, met een aantal van de tien boeken nog maar in aanbouw, laat ons het hele project in zijn utopische gedaante overzien, en we voelen daarin heel goed aan: dit is gewoon niet afsluitbaar. Voltooiing zou niets wezenlijks hebben toegevoegd, behalve - en dat is op zich natuurlijk niet te onderschatten - de omvang, de duur van het lezen. Het project had van begin af aan iets fataals. Deze auteur, die als het ware 'tegen het personage’ schreef, zag hoe onder zijn ooit neutraal gedroomde pen ten slotte een gigantisch tekstweefsel ontstond dat hem bijna naakt als monteur, voyeur en auteur liet verschijnen. Misschien daarom dat de auteur gaandeweg meer in eigen naam ingrijpt en steeds meer commentaar gaat leveren.
NATUURLIJK KAN ik voor die tussenkomsten ook de 'structurele’ reden aanvoeren: het was zo in de opzet voorzien. Maar de primair menselijke nood die steeds meer op het project ging drukken, lijkt me van groter belang. TOXT moest achtereenvolgens in tien boeken gaan behandelen (even slikken): anekdoten, focalisatie, grammaticale persoon, fixatie, semantiek, logica, syntaxis, fonische en grafische woordvorm en tenslotte theorie. Dat alles moest in de verschuivende assemblage van de anekdoten duidelijk worden. Wie echter gewoon van fragment tot fragment leest, stoot op prachtige en dan weer melige beschrijvingen, ontroerende of triviale intimiteiten, virtuoze aanzetten tot het beschrijven van een situatie, futiliteiten, een grote sociale en ideologische bewogenheid, en vooral een vertelstijl en constructie die meer dan eens aan Louis Paul Boon doen denken.
Maar deze spanning tussen theorie en beschrijving heeft soms ook iets irritants. Uiteraard is ze typisch voor een hele generatie auteurs die via deze confrontatie hoopte meer waarheid over het schrijven aan het licht te brengen. Auteurs als Willy Roggeman en Ivo Michiels hebben net zo goed vooraf theoretisch afgebakende macro-constructies opgezet, om daarbinnen te gaan experimenteren met hun eigen schrijversidentiteit. Robberechts’ opzet past perfect binnen de utopieen en preoccupaties van zijn generatie. Maar het lijkt er ook vaak op dat de bijna naturalistische romanschrijver Robberechts voortdurend werd teruggefloten door de inventariserende tekstmagazijnier in hem.
Dat markeert zijn specifieke positie en betekenis, maar het maakt ook dat heel wat fragmenten het stempel dragen van een grote bedachtheid die de monologen soms genant artificieel en een enkele keer zelfs ergerniswekkend flauw maakt. Dat laat daar jammer genoeg meteen ook de geloofwaardigheid van de taalsociologische betekenis (die uiteraard authenticiteit moet suggereren) als een pudding in elkaar zakken. Maar in een volgend fragment licht dan plots weer een moment van inleving op, hetgeen Robberechts bij vlagen tot een werkelijk groot schrijver maakt. Zo wordt, wat als een soevereine vorm van realisme werd opgezet, soms fictie van een pijnlijke onmacht.
Niet dat ik dat een argument tegen Robberechts’ project zou vinden. Integendeel. Als dit boek al iets duidelijk maakt, dan is het zijn met grote nauwkeurigheid beschreven failliet, dat hogelijk interessant is. Robberechts is eigenlijk te cerebraal bezig met zijn personages, ergens breekt door het gemijmer en gebabbel van de types de radeloze liefde van de intellectueel door die van hun ongedwongenheid de inzet van zijn bouwwerk wil maken. Met andere woorden: ze spreken nooit rechtstreeks geensceneerd zoals bij Walschap (precies omdat ze niet episch mochten zijn). Ze spreken bijgevolg altijd exemplarisch, als vertegenwoordigers van een tekstproducerende soort.
Dat is op zich een verdedigbare zienswijze, ze is verwant aan Foucaults archeologie van het weten en, explicieter, aan de visie van Roland Barthes. Maar ik vrees dat het zo niet werkt in een literaire tekst, omdat de woorden van personages altijd om een verhaal vragen en niet om een encyclopedie. Robberechts’ medeleven en interesse voor deze half-anonieme levens slaat daardoor meer dan eens om in een onvermogen om hen werkelijk en geloofwaardig op te laten draven. Wat we wel zien verschijnen - en dat is vaak indrukwekkend genoeg - is een grauwe doorsnee-Belgische rij schimmen, een doordruk van eindeloos veel archiefbeelden, krioelend van kleine angsten, affecties, intieme eenzaamheid en levenswil. De kracht van het particuliere verkeert hier op gespannen voet met de betekenis van het universele. Robberechts is, door zijn weigering om een epicus te zijn, een encyclopedist van de alledaagse taallagen geworden, terwijl er toch een 'groot een meeslepend’ verteller in hem zat.
DIT OFFER AAN de goede zaak is niet gering. Wat Boon met zijn personages in De Kapellekensbaan deed, is zo onvergetelijk omdat hij het particuliere drama zo universeel kon maken. Wat Robberechts doet, is in feite precies het omgekeerde: hij vertrekt vanuit een universeel en theoretisch standpunt en vult dat in met het particuliere. Maar op een bepaald ogenblik moeten al deze fragmenten, net als in een traditionele roman, toch in elkaar grijpen en het boek overtuigend maken. Dat geeft Robberechts zelf onomwonden toe met een beeld dat er niet om liegt:
'Maar die pietepeuterige pennelikkersarbeid zou hij toch niet zo aangenaam vinden als hij niet uit ervaring wist dat die onderhand kon leiden tot een soort van openbaring. In de loop van de arbeid kwam er een ogenblik “dat het ging klikken”. Soms zei Zebedeus: “Het ogenblik waarop de mayonaise pakt.” (…) In een woord: compositie. Het beantwoordde aan het vooruitzicht dat hij er goed aan gedaan had, het zo disparate, belaste en vervuilde materiaal te verzamelen en te ordenen; dat er een reele kans bestond dat hij die verzameling ooit tot een samenhang kon monteren waar andere mensen later een evidente, cultuur-noodzakelijke eenheid zouden aan toekennen. “Dit is: als de mayonaise niet gaat scheiden.” ’
In feite is dit gelukzalige moment voor Robberechts fataal: want als de mayonaise pakt, zitten we wel degelijk in een goedgeklutst verhaal en niet in een reservoir van sociologisch of linguistisch geanalyseerde grondstoffen. Geen 'cultuur-noodzakelijke eenheid’, maar goed geschreven fictie. Vanuit die onmogelijk op te lossen tegenstrijdigheid is deze hele bulktekst tot stand gekomen, en omwille van die tegenstrijdigheden heb ik hem met sterke emoties gelezen. Misschien minder om wat ik las dan om wat ik wist. Want strikt genomen heeft, wat te bewijzen was, tot een failliet geleid. Maar precies om die reden heb ik ook respect voor Robberechts’ poging, hoe voorbij ze op sommige bladzijden ook oogt.
TOXT is een in zekere zin fataal afgelopen experiment van grote allure, en daarom ook een indrukwekkend getuigenis van een integer en eenzaam zoekend mens. In feite mag niemand het ongelezen laten die interesse heeft voor de grenzen en onmogelijkheden van het schrijversvak. De mayonaise zal dus nog niet zo gauw schiften, ook al was dat eigenlijk niet de bedoeling.