Gemijmer over astma en toneel, hoe kan dat?   17 juli 1971

Als de stoel daalt

Het leven kent olijke grappen, b.v. deze dat ervaringen van volkomen verschillende aard, als kralen aan één draad geregen, tezamen wonderlijkerwijs een bont maar op elkaar afgestemd snoer vormen.
Zo kwam ik te denken aan mijn verblijf in een astmakliniek, waar ik wegwijs werd gemaakt in de biologische, psychische en sociale factoren van de ziekte, die thans meer dan de vrijwel overwonnen tbc wordt gevreesd. Ik hoorde doceren over medicijnen, gedachtencontrole, lichamelijke prikkels, klimaat. Onderhand vroeg ik me af of we astma niet beschouwen moeten als een ziekte, die ten opzichte van het menselijk lichaam dezelfde functie heeft als een vulcanische uitbarsting ten opzichte van de aardkorst.

Wanneer de Etna vuur en lava uitspuwt zullen we geen brandweerslangen uitrollen om het geweld te keren. We raken doordrongen van de oerkrachten die onder de dunne aardkorst woelen. Uit alle verhalen van patiënten kwam eenzelfde iets naar voren: een zware astma-aanval wordt ervaren als een doodsstrijd. Zou het antwoord op de vraag ‘hoe moet iemand op deze generale repetitie van het eens onvermijdelijke reageren?’ in wezen niet even logisch als illusoir dienen te luiden: zich met het geheim van de dood te verzoenen? Zou, indien het taboe van de dood overwonnen wordt, misschien deze bezoeking wegvallen?

Margaret Mead schijnt niet te reppen over astma bij de door haar bestudeerde primitieve volken. In hoeverre de lichamelijke gedisponeerdheid aanwezig is weet ik niet. Dat het levensklimaat van de moderne mens zowel uiterlijk als innerlijk bevorderlijk is voor de ontwikkeling van de ziekte staat vast. Ook dat geestelijke zelfdiscipline, het zich ontworstelen aan het ego, door zich te concentreren op boven het eigen ik uitreikend terrein, verlichting schenkt is geconstateerd, vandaar de arbeidstherapieën. Maar het uitspansel boven onze westelijke cultuur is weinig toegankelijk. Wij beleven een crisis. De christelijke religie wordt of losgelaten of aan zeer ingrijpende restauratie onderworpen om de harmonie tussen wetenschap en religieuze waarheden te herstellen.

Zelfs de goed willende gelovige zal zodra hij het gebed verwisselt voor de uren van zijn in de maatschappij ingeschakeld bestaan, zijn vrome contact moeten verbreken voor het betreden van een terrein dat gebarricadeerd is tegen niet door ratio en materie bepaalde handelingen. Wie zich enkel afgeeft met deze laatste hindert zichzelf doordat hij zich verbiedt in te gaan op de volgende fundamentele vragen: ‘Wat is leven en dood?’ en ‘Hoe komt het dat de diersoort mens zo geschapen is dat hij gedwongen is door zijn verstand met vragen te spelen, die hij omdat hij mens is, niet beantwoorden kan?’

De primitieve mensen, wier rituelen een dagelijkse omgang met het onkenbare waarborgen, leven misschien vrijer dan wij. Zou de ziekte, die ons dwingt repetitie te houden van de doodsstrijd, soms het antwoord zijn van de natuur op ons beklemd bestaan? Ik begreep al mijmerend dat verandering van ons cultuurpatroon niet van vandaag op morgen uit de grond gestampt kon worden, dat ik het niet meer zou beleven dat de nieuwe ethiek zou doorbreken, die de slavernij onder pressie van bezit en macht geheten ijver, niet meer als deugd maar als abnormaliteit zou bestempelen. En ik begon te hunkeren naar een wereld, zoals een jong kind die ziet, waarvan de beweeglijkheden nog niet functioneel worden begrepen, een wereld die haar wonderbaarlijke wezenlijkheid ongerept behouden had, open naar de wonderbaarlijke kant van het bestaan en niet versneden naar klein-menselijke belangen.

En toen dit heimwee zeer dringend was geworden werd mij het voorrecht gegund de volgende kraal in de ketting te vinden. Ik maakte kennis met Deafman Glance (De blik van de dove), het door Robert Wilson geschreven en geregisseerde werk, dat door het Holland Festival, in organisatorische samenwerking met het Amsterdamse Universiteittheater werd gebracht. Deafman Glance bestaat eenvoudig uit het Elixir, door gebrek waaraan astmapatiënten in ademnood geraken.

Robert Wilson is oorspronkelijk een schilder, die als psycho-therapeut werkzaam is geweest en toen te maken kreeg met een negerjongen, die een vrouw twee kinderen zag vermoorden en daardoor het gehoor verloor. Deze patiënt, die ook de kunstgrepen niet machtig was om zich desondanks aan de maatschappij aan te passen (misschien moet men zeggen: dit werd hem bespaard) werd de inspiratiebron voor de schrijver en regisseur van dit stuk. Hij kon, met als centrum zijn negermodel, vrijuit fantaseren over diens dromen, uitgaande vanuit de grote stilte, waarin het kind zich bevond, zag hij de kleuren en ritmen om hem heen als geheimzinnige verschuivingen, droomgeladen illusie wekkend, dreigend, sussend of losbarstend in groteske pulsering. Herinnering aan muziek begeleidt deze visioenen van serene stilten, die zich openen, zoals onder water zee-anemonen opengaan en wuiven in een voor het menselijk oog onbegrepen gebarenspel.

Dit alles heeft met toneel in de gewone zin niets te maken. Wilson, de schilder is hier eerder aan het werk met zich naar zijn aanwijzingen gedragende leken, vooral geen acteurs, die immers afgestemd zijn op de mensenmaatschappij. De maatschappij bestaat hier niet, wél leven in uiterst vegetatieve vorm, waar wij in ons gejakker meestal overheen zien, al hebben we er deel aan met elke lichaamscel – en hoe een grote macht hebben deze cellen niet op onze psyche.

Wilson heeft voor deze bewegende surrealistische schilderijen gebruik gemaakt van zijn eigen dagboekbladen. Ze zijn volgeschreven met woorden zoals ze opkomen in een musisch mens. Hij zou met deze neergeschreven zinnen voor elk examen gezakt zijn, maar deze onhandige, misspelde notities, behouden de suggestie van een ondefinieerbare materie die zich zo dadelijk zou kunnen kristalliseren tot een gedicht: ‘The moon breaks – The ice appears to be melting the lake appears nothing existing.’

Ik zag drie scènes aan zee, in het kasteel, in de kelder van het kasteel. In de voorstelling van donderdagavond zal er nog een scène worden bijgevoegd. Gewone mensen dus, onder wie twee blinden, niet door de dagelijkse realiteit aangetasten, weet de kunstenaar modulaties van stilte te laten overbrengen. Stilten, door een kind gedroomd, (men ziet het kind dromen), waarbinnen zich monsters roeren. Per slot heeft het kind zien moorden.

Het zou onjuist zijn deze Dali- of nog vaker Willink-achtige traag bewegende, pulserende, zich bevolkende en weer ontvolkende schilderijen symbolisch te duiden. Gelukkig lijkt me de intelligentie van deze kunstenaar te weinig gemanipuleerd om een overtuigend wereldbeeld over te brengen. Hij is échter als hij begrippen ontbindt, dan als steller van gedachten. Als mensen schaken ziet men de stukken niet. Dat Freud door deze zacht kloppende materie van het onderbewuste behoedzaam en peinzend drentelt, gesteund door zijn vrouw, is m.i. een overbodige toevoeging. Dat het monster, dat eerst achter een stoelleuning verstopt zat en ten slotte in de kelder heerst, de koning van Spanje moet voorstellen dienen we liever te vergeten, want een koning hoort in de historie thuis en Wilsons verbeeldingen staan buiten de tijd. Het gaat om het dromen, de lieflijkheid, de angst, de onnutte verplaatsingen van mensen, die dan in overeenstemming blijken met het trage voortschuiven van een schildpad. Het grote wachten, dat gehonoreerd wordt door een kleur of een trilling. Het op gezette tijden scanderen van het gezichtsvlak door een langsrennende bader. Wel is er in de nok een stoel die zakt en zakt en de hoop dat men er ooit op zal kunnen zitten.

Dit toneel dat geen toneel was, werd door het publiek deels ademloos en diep ontroerd ontvangen. Maar er waren ook velen die op zoek naar ratio, zich bekocht voelden, lachten waar niets te lachen viel of zich verveelden. Ik voor mezelf moet bekennen dat ik zelden zo innig heb genoten als deze avond, al zie ik deze hoge kunst niet als een uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen. •