Gemanipuleerd voesdel

Als de T-bonesteak maar smaakt

Tegenstanders van genetisch gemanipuleerd voedsel schetsen enge scenario’s omtrent de gevolgen van verbouwing en consumptie ervan. Voorstanders wijzen op het voedseltekort en op milieuvoordelen. Intussen wil Afrika gewoon eten.

Vorig jaar kreeg Madeleine Albright op haar lazer van John Ashcroft, binnenkort de nieuwe Amerikaanse minister van Justitie maar toen nog senator namens de landbouwstaat Missouri. Albright was als minister van Buitenlandse Zaken aanwezig bij de Biosafety-top in Montreal waar afspraken waren gemaakt over de handel in genetisch gemanipuleerde landbouwproducten. Ashcroft vond dat ze veel te aardig was geweest voor de vervelende Europeanen die de industrie aan banden wilden leggen.
Waarschijnlijk heeft dezelfde Ashcroft een paar maanden geleden zitten gniffelen toen in Europa paniek uitbrak over de gekkekoeienziekte. De Europeanen, die vinden dat de Amerikanen een loopje nemen met de internationale volksgezondheid en die volgens het Franse parlementslid Pierre Lellouche «in het algemeen» vinden dat Amerikanen «rotzooi eten en dik zijn», die Europeanen waren kennelijk niet in staat thuis de boel op orde te houden. In het culinaire walhalla van de wereld was het biefstukje verbannen.
Amerikaanse media deden met geveinsde bezorgdheid verslag van de ontreddering in verfijnde Franse en Belgische restaurants, en merkten terloops op dat de koeien in de VS niet gek zijn, want die krijgen geen voer waarin meel met dierlijke producten is verwerkt, de vermoedelijke veroorzaker van de ziekte. De Amerikanen gebruiken soja en graan; misschien zijn die ingrediënten genetisch gemanipuleerd, maar de T-bonesteak smaakt er niet minder om.
Jane Henney van de Food and Drug Administration (FDA), het machtige Amerikaanse instituut dat waakt over de gezondheid van de burgerij, is medeverantwoordelijk voor de invoering van genetisch gemanipuleerde producten (GM-products) en ze ligt er niet wakker van. Genetische manipulatie bestaat eigenlijk al meer dan honderd jaar, sinds de ontdekking eind negentiende eeuw dat de karakteristieken van een erwtenplant overdraagbaar waren. Sindsdien is er gerommeld met de genetische samenstelling van planten. Duizenden genen werden overhoop gehaald en vervolgens werd afgewacht wat de uitkomst was, aldus Henney. Tegenwoordig gaat het veel subtieler en is het mogelijk een, twee of drie genen aan een gewas toe te voegen.
Meestal gebeurt dat met de bedoeling de groei van het gewas te vergemakkelijken. De helft van de nieuwe sojaboonaanplant in 1999 was voorzien van een gen dat de plant beschermde tegen een onkruidbestrijdingsmiddel. Ongeveer een kwart van het nieuwe graan in dat jaar bevatte een gen dat een proteïne produceert die voor bepaalde rupsen dodelijk is en die het gebruik van de gewone bestrijdingsmiddelen onnodig maakt.
Voor de FDA maakt het niet uit hoe een gewas tot stand komt. Als er een nieuw gen wordt gebruikt, moeten verbouwers gedurende een aantal seizoenen nagaan of alleen de gewenste veranderingen zijn aangebracht. Men contro leert de samenstelling, de voedingswaarde, de smaak, het groeiproces en het uiterlijk. Henney: «Tot nu toe hebben we geen bewijs gezien dat het GM-voedsel dat nu op de markt is enige bezorgdheid rechtvaardigt ten aanzien van de menselijke gezondheid. Of dat het minder veilig zou zijn dan gewassen die op een traditionele manier zijn verbouwd.» Alle proteïnen die via biotechnologie in gewassen zijn aangebracht, zijn snel verteerbaar en niet giftig. Ze roepen geen allergische reacties op, aldus Henney.
Ruim de helft van de nieuwe katoenaanplant is tegenwoordig genetisch gemanipuleerd en dankzij die ingreep hadden Amerikaanse katoenboeren een miljoen kilo minder insecticiden nodig. Aardappelboeren hadden bijna anderhalf miljoen kilo minder nodig.
Het optimisme van de FDA wordt ondersteund door de National Research Council, die in een rapport opmerkte «geen enkel bewijs» te hebben dat GM-voedsel schadelijk is. Een ander rapport, opgesteld door zeven instituten in en buiten de VS, stelde dat nu al op dertig miljoen hectare grond GM-gewassen worden verbouwd en dat er geen gezondheidsproblemen zijn gesignaleerd.

Een belangrijk deel van de discussie over GM-voedsel heeft betrekking op ontwikkelingslanden. Onlangs leverde de Nigeriaanse minister van Landbouw en Landelijke Ontwikkeling Hassan Adamu een opmerkelijke bijdrage. «Het is mogelijk iemand liefdevol te doden», schreef hij op de opiniepagina van de Washington Post. «Dat zou het gevolg kunnen zijn van goedbedoelde maar verkeerde pogingen van Europese en Noord-Amerikaanse groepen die Afrikanen aanraden behoedzaam te zijn ten aanzien van landbouwkundige biotechnologie. Ze zeggen dat het verzet in dienst staat van het milieu en de volksgezondheid, maar wetenschappelijk bewijs ontkracht hun stelling dat bewerkte oogsten onveilig zijn. Als we ons de alarmerende waarschuwingen aantrekken, zullen miljoenen Afrikanen lijden en misschien sterven.»
Volgens de minister kan genetische manipulatie veel goed doen in Afrika en andere delen van de wereld waar armzalige omstandigheden de landbouw bemoeilijken. Kunstmest, pesticiden, machines, brandstof en andere gereedschappen die in rijke landen vanzelfsprekend zijn, zijn luxegoederen in armere landen.
De Nigeriaanse minister noemt het «paternalistisch en moreel verkeerd om wanhopige en hongerende mensen de middelen te ontzeggen waarmee ze greep op hun toekomst kunnen krijgen». Natuurlijk moeten vruchtbare landen met genoeg voedsel zelf weten wat ze doen; organische landbouw en verfijnde methoden van voedseldistributie zijn prima voor wie zich het kan veroorloven. Maar wie richting dood gaat, wil niet de les worden gelezen, die wil eten. Adamu: «We willen zeker niet worden geïntimideerd door ecoterroristen die experimentele oogsten vernielen en die wetenschappelijke bijeenkomsten verstoren waar wordt getracht de feiten openbaar te maken.»
De minister weet zich gesteund door organisaties als de National Research Council, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Voedsel en Landbouworganisatie van de VN, de OESO, en de American Medical Association. En door de Amerikaanse McKnight Foundation die ruim veertig miljoen dollar uittrok voor onderzoek naar verbetering van de biotechnologische voedselproductie in arme landen. De stichting stelt dat in de jaren zestig de voedselproductie sterk steeg dankzij onder meer het gebruik van pesticiden en kunstmest, maar dat de piek nu wel is bereikt. En omdat de wereldbevolking de komende dertig jaar stijgt van zes naar vermoedelijk negen miljard en die stijging zich vooral zal voordoen in arme landen, zijn er nieuwe technieken nodig om de voedselvoorziening op peil te brengen.

Tegenstanders menen dat er eigenlijk geen voedseltekort bestaat, maar alleen een verdeelprobleem. Een Amerikaanse organisatie als Food First zegt dat in principe voor iedereen ruim twee kilo eten per dag beschikbaar is. Probleem is dat 78 procent van de landen met ondervoede kinderen eten uitvoert omdat de regeringen dat lucratiever achten dan thuisgebruik. Anurada Mittal, mededirecteur van Food First, is afkomstig uit India «waar een derde van de achthonderd miljoen mensen met honger wonen». Toch zit het land met een «onhanteerbaar» voedseloverschot. Twee jaar geleden was er tien miljoen ton graan te veel en een half jaar geleden was dat al 42 miljoen. Los daarvan zou biotechnologie op den duur juist voor meer honger zorgen omdat het de boeren op hoge kosten zal jagen; die zullen dan hun prijzen verhogen zodat nog minder mensen het eindproduct kunnen kopen.
George Ayittey, voorzitter van de Free Africa Foundation in Washington, denkt dat biotechnologie niet nodig is. Meer voedsel moet het gevolg zijn van betere politiek. In de jaren vijftig en zestig waren landen als Liberia, Congo, Nigeria, Sierra Leone en Zambia niet alleen zelfvoorzienend, men hield nog over voor export. Een studie uit 1981 van de Food and Agriculture Organization stelde dat «zonder het gebruik van moderne landbouwtechnieken de 51 landen in Afrika potentieel in staat zijn een bevolking te voeden die drie keer zo groot is als de huidige op het continent».
Maar ja, meent Ayittey, stupide overheidsbeleid bevoordeelde stedelingen ten koste van landbouwers en een infrastructuur voor de landbouw had geen prioriteit. Toen Nigeria in de jaren zeventig olie ontdekte, werd de landbouw prompt verwaarloosd en werden enorme bedragen uitgetrokken voor voedselimport. Daarnaast is het continent geteisterd door hevige oorlogen die de landbouw hebben vernield en eindeloze stromen vluchtelingen hebben veroorzaakt. Wie op de vlucht is, verbouwt niet, aldus Ayittey. De productie in Afrika zou dertig procent toenemen als de oorlogen ophielden.
De meer principiële tegenstanders van genetische manipulatie menen dat de nieuwe producten niet of onvoldoende zijn getest op lange termijngevolgen en dat ze daarom niet verspreid mogen worden. Vandana Shiva, oprichter en directeur van de Research Foundation for Science, Technology and Ecology in India, was woedend toen najaar 1999 de miljoenen slachtoffers van een cycloon hulp kregen in de vorm van GM-voedsel. Ze eiste onmiddellijke stopzetting van de verdeling en beschuldigde de VS ervan de Indiase bevolking te gebruiken als proefkonijnen voor voedsel dat was afgewezen door «consumenten in het Noorden, met name Europa».
Shiva moet ook niks hebben van een in Zwitserland ontwikkelde rijstkorrel die ervoor zorgt dat het lichaam meer ijzer kan opnemen. Dertig procent van de wereldbevolking lijdt aan ijzer tekort, wat leidt tot onder meer een grotere vatbaarheid voor infecties, geringer leervermogen en lagere arbeidsproductiviteit. Ook «gouden rijst» acht ze taboe, een eveneens in Zwitserland ontwikkeld gewas dat blindheid kan voorkomen bij wellicht drie miljoen kinderen in ontwikkelingslanden en dat een tekort aan vitamine A tegengaat. Tijdens een seminar over biotechnologie afgelopen zomer in Washington deed Shiva het vitaminebelang van de korrel af met de opmerking dat alleen al in de deelstaat Bengalen 150 groentesoorten voorkomen die rijk zijn aan vitamine A en die ter plekke door de vrouwen worden verbouwd en geconsumeerd.
De opmerking over proefkonijnen werd door verscheidene Amerikanen afgedaan als «vals» en «stom», want de VS hebben helemaal geen proef konijnen nodig. Miljoenen Amerikanen consumeren al jaren GM-voedsel, dus voor onderzoek hoeft men niet naar India. Unicef geloofde niet dat Shiva’s groentesoorten genoeg vitamine A opleverden en achtte het onwaarschijnlijk dat vrouwen in de sloppenwijken in Calcutta in de gelegenheid waren groenten te verbouwen.
Het onderwerp staat bol van de meningsverschillen. Tegenstanders zeggen dat GM kan leiden tot een verarming van de natuur, voorstanders zeggen het tegenovergestelde. Tegenstanders menen dat de derde-wereldboer organisch zou moeten verbouwen, voorstanders zeggen dat GM leidt tot een hogere productie op minder grond en dus tot minder vernieling van regenwouden en andere natuurgebieden. Het zou dus ook beter zijn voor de fauna. Tegenstanders zeggen dat producten zonder controle op de markt worden gebracht, voorstanders bestrijden dat. Tegenstanders komen steeds met het verhaal over een Braziliaanse sojaboon die voor aller gieën zorgde dankzij een pinda-gen; voorstanders zeggen dat de boon nooit op de markt is gebracht juist omdat het probleem tijdig aan het licht kwam dankzij de grondige testen.

Gelet op de enorme weerstand tegen genetisch gemanipuleerd voedsel in Europa hebben de tegenstanders succes geboekt. Geen wonder. Voor de leek is de biotechnologische discussie niet te volgen en dus moet hij afgaan op woordvoerders. Voorstanders kunnen niet garanderen dat GM-verbouwing of –consumptie nooit schadelijke gevolgen zal hebben, en ze zijn soms verdacht wegens mogelijke financiële belangen bij de GM-handel. Tegenstanders hebben weliswaar nooit aangetoond dat de spullen ongezond zijn, maar schetsen wel enge scenario’s. De consument heeft in de afgelopen decennia het nodige te verduren gehad in de vorm van nitrietgroenten, dioxinevissen en salmonellakippen, terwijl allerlei alledaagse producten ineens hart- en vaatziekten bleken te stimuleren, allergieën veroorzaakten of kinderen gek maakten. Hoewel dan soms uit nieuw onderzoek juist weer bleek dat een ingrediënt toch niet zo schadelijk was als gedacht. In zo’n klimaat is het niet raar dat consumenten een nieuwe techniek afwijzen, vooral als die geen directe voordelen lijkt op te leveren.
Als de rijke landen geen GM-voedsel willen hebben, dan is het voor westerse boeren niet interessant meer om het te verbouwen. De wes terse landen missen dan milieuvoordelen als verminderde toepassing van bestrijdingsmiddelen en efficiënter grondgebruik. En als ontwikkelingslanden er wel aan willen, zal het tes ten van nieuwe producten voortaan daar moeten gebeuren en zo worden die landen alsnog de proefkonijnen van Shiva. Dat was niet de bedoeling.
Hoe nu verder met het runderlapje? Het vee voer waarin dierlijk meel is verwerkt, is in Europees verband verboden. Soja en graan zijn goede alternatieven. De vraag is alleen, ook gezien de verwachte groei van de wereldbevolking, of er op den duur voldoende onbewerkte soja en graan is om de vleesconsumptie op peil te houden zonder overmatig gebruik van de bodem en van bestrijdingsmiddelen. Zo niet, dan wil John Ashcroft vast wel komen uitleggen hoe de boeren in Missouri het aanpakken.