Essay Soberheidspredikers halen bakzeil

Als dronkaards om de lantaarnpaal

Terwijl het IMF spijt heeft van zijn eerdere aansporingen tot meer soberheid redeneert de Europese Commissie de negatieve resultaten van het bezuinigingsbeleid in diverse landen weg. Waarom is de elite zo hardleers?

In normale tijden zou een rekenfout in een economische verhandeling in het geheel geen nieuwswaarde hebben. Maar in april 2013 werd de ontdekking van zo’n fout – feitelijk een coderingsfout in een spreadsheet, samen met diverse andere tekortkomingen in de analyse – niet alleen onderwerp van gesprek onder economen, maar ook wereldnieuws. Terugkijkend zouden we zelfs tot de slotsom kunnen komen dat de beleidskoers erdoor is veranderd.

Waarom? Omdat de verhandeling in kwestie, Growth in a Time of Debt van de Harvard-economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff, een toetssteen was geworden in het debat over het economisch beleid. Sinds de verhandeling voor het eerst in omloop kwam hebben de zogenoemde austerians (de pleitbezorgers van austerity – soberheid, van onmiddellijke scherpe bezuinigingen op de overheidsuitgaven) verwezen naar de vermeende bevindingen ervan om hun standpunt te verdedigen en hun critici aan te vallen. Telkens opnieuw werden suggesties dat, zoals John Maynard Keynes ooit betoogde, ‘de bloeitijd en niet de crisis de juiste tijd is voor soberheid’ gepareerd met de verklaring dat Reinhart en Rogoff hadden aangetoond dat wachten desastreus zou zijn, en dat de economieën van een klif zouden vallen als de staatsschuld hoger zou uitvallen dan negentig procent van het bruto binnenlands product (bbp).

De verhandeling van Reinhart en Rogoff zou wel eens meer ­onmiddellijke invloed op het publieke debat kunnen hebben gehad dan enige eerdere verhandeling in de geschiedenis van de economie. De ‘grens’ van negentig procent werd aangevoerd als het beslissende ­argument vóór soberheid door allerlei mensen, uiteenlopend van Paul Ryan, de voormalige Republikeinse kandidaat voor het vice-presidentschap die voorzitter is van de begrotingscommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, tot Olli Rehn, de topfunctionaris voor de economie van de ­Europese Commissie. De onthulling dat de vermeende drempel van negentig ­procent het product was van programmeerfouten, het weglaten van gegevens en merkwaardige statistische technieken, deed een ­opmerkelijk aantal vooraanstaande mensen dus plotseling in hun hemd staan.

Maar het échte mysterie was waarom de verhandeling van Reinhart en Rogoff ooit serieus is genomen, laat staan heilig verklaard. Vanaf het allereerste moment hebben critici sterke bedenkingen geuit over de methodologie en de conclusies van de verhandeling, bedenkingen die hadden moeten volstaan om iedereen nog eens goed te laten nadenken. Bovendien was deze verhandeling feitelijk het tweede voorbeeld van een document dat naar voren is geschoven als beslissend bewijsmateriaal ten faveure van bezuinigingen, om vervolgens bij nadere beschouwing door de mand te vallen. Precies hetzelfde is gebeurd, zij het minder spectaculair, nadat de austerians enthousiast waren geraakt over een verhandeling van Alberto Alesina en Silvia Ardagna, waaruit zou blijken dat het korten van de overheidsuitgaven weinig negatieve gevolgen zou hebben voor de economische groei en zelfs een positief effect zou kunnen uitoefenen. Die ervaring had toch tot enige voorzichtigheid moeten nopen. Waarom was daar dan geen sprake van? Het antwoord ligt zowel op het vlak van de politiek als op dat van de psychologie: het pleidooi voor soberheid was en is er een waar veel machtige mensen in willen geloven, zodat ze alles aangrijpen wat ook maar enigszins op een rechtvaardiging lijkt. Ik zal later nog terugkomen op die wil om te geloven. In de eerste plaats is het echter nuttig om eens te kijken naar de recente geschiedenis van de soberheid, als doctrine en als beleidsexperiment.

***

In het begin was er de zeepbel. Er zijn veel boeken verschenen over de excessen van de jaren van de bloei – in wezen zelfs te veel. Want zoals we nog zullen zien is de neiging om stil te blijven staan bij de lugubere details van de bloei in plaats van te proberen de dynamiek van de crisis te doorgronden een terugkerend probleem voor de economie en het economisch beleid. Voor dit moment volstaat het te zeggen dat Amerika en Europa begin 2008 klaarstonden voor de val. Hun economieën waren te afhankelijk geworden van een oververhitte huizenmarkt, de huishoudens hadden zich te diep in de schulden gestoken en hun financiële sectoren waren ondergekapitaliseerd en overbelast.

Al wat nodig was om dit kaartenhuis te laten instorten, was een of andere negatieve schok, en uiteindelijk was dat de implosie van de Amerikaanse markt voor hypotheekobligaties die waren gebaseerd op zogenoemde subprime-hypotheken. In het najaar van 2008 waren de huizenzeepbellen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan geknapt en was de hele Noord-Atlantische economie verstrikt geraakt in deleveraging, een proces waarbij veel debiteuren proberen – of gedwongen worden – hun schulden tegelijkertijd af te betalen.

Waarom is dit een probleem? Vanwege de onderlinge afhankelijkheid: jouw bestedingen zijn mijn inkomen, en mijn bestedingen zijn jouw inkomen. Als wij allebei proberen onze schulden te verminderen door de uitgaven te beknotten, zullen de inkomens van ons allebei kelderen – en dat kan ervoor zorgen dat onze schuldenlast nog groter wordt, terwijl het ook tot massale werkloosheid leidt.

Onderzoekers van de economische geschiedenis bezagen het proces dat zich in 2008 en 2009 ontvouwde met een koude rilling van herkenning, omdat het heel duidelijk eenzelfde soort proces was geweest dat ons de Grote Depressie van de jaren dertig had gebracht. Begin 2009 hadden de economische historici Barry Eichengreen en Kevin O’Rourke schokkende grafieken gepubliceerd waaruit bleek dat het eerste jaar (2008-2009) als twee druppels water leek op het eerste jaar van de mondiale crisis tussen 1929 en 1933.

Stond er dus een tweede Grote Depressie voor de deur? Het goede nieuws was dat we diverse grote voordelen hadden – of dachten te hebben – ten opzichte van onze voorouders, waardoor de schade beperkt zou kunnen blijven. Een paar van deze voordelen waren als het ware structureel van aard, ingebouwd in de manier waarop moderne economieën functioneren. Zij vergden geen speciale actie van de kant van de beleidsmakers. Andere voordelen hadden een intellectueel karakter: we hadden toch zeker wel iets geleerd sinds de jaren dertig en zouden de beleidsfouten van onze grootvaders niet herhalen.

Aan de structurele kant was waarschijnlijk het grootste voordeel ten opzichte van de jaren dertig de manier waarop belastingen en sociale verzekeringen – die allebei veel meer gewicht in de schaal legden dan in 1929 – fungeerden als ‘automatische stabiliseerders’. De lonen mochten dan dalen, het totale inkomen daalde niet in verhouding, omdat de belastinginkomsten kelderden en er overheidsgeld bleef vloeien naar de sociale vangnetten, de gezondheidszorg, de werkloosheidsuitkeringen en meer. In feite betekende het bestaan van de moderne verzorgingsstaat een vloer onder de totale uitgaven, zodat werd voorkomen dat de neerwaartse spiraal van de economie zich te ver zou doorzetten.

Aan de intellectuele kant kenden de moderne beleidsmakers de geschiedenis van de Grote Depressie als een waarschuwend verhaal. Milton Friedman had hun laten zien hoe dwaas het was om bankruns het hele financiële systeem onderuit te laten halen. Hij had aangetoond hoe wenselijk het was de economie met geld te overspoelen in tijden van paniek. John Maynard Keynes had hun geleerd dat overheids­bestedingen in geval van een depressie een effectieve manier kunnen zijn om banen te scheppen. De desastreuze wending van president Roosevelt in de richting van bezuinigingen in 1937 had hun laten zien dat het te snel loslaten van een monetair en fiscaal stimuleringsbeleid een heel grote fout kan zijn.

Als gevolg hiervan werden de jaren 2008 en 2009, in tegenstelling tot de eerste jaren van de Grote Depressie, waarin het beleid – renteverhogingen om de goudreserves te beschermen, bezuinigingen in een poging om de begroting in evenwicht te brengen – de crisis verergerde, gekenmerkt door een expansief monetair en fiscaal beleid. Dit was vooral het geval in de Verenigde Staten, waar de Federal Reserve niet alleen de rente omlaag bracht, maar ook actief intervenieerde op de markten om alles te kopen, van commercial paper tot langetermijnobligaties van de overheid, terwijl de regering-Obama er een programma van achthonderd miljard dollar aan belastingverlagingen en bestedingsverhogingen doordrukte. De Europese stappen waren minder dramatisch – maar aan de andere kant maakten de sterkere verzorgingsstaten in Europa de noodzaak van een doelbewuste stimulans misschien ook minder urgent.

Sommige economen (waaronder ikzelf) hebben vanaf het begin gewaarschuwd dat deze monetaire en fiscale ingrepen, ook al waren ze welkom, te weinig voorstelden tegen de achtergrond van de ernst van de economische schok. Eind 2009 was het zonneklaar dat – hoewel de situatie was gestabiliseerd – de economische crisis dieper was dan de beleidsmakers hadden onderkend, en waarschijnlijk hardnekkiger zou blijken dan zij zich konden voorstellen. Een tweede ronde van stimuleringsmaatregelen om de economische tegenslag te boven te komen lag dus voor de hand.

Maar wat zich feitelijk voordeed was een plotselinge ommekeer.

***

De belangrijkste geavanceerde economieën bekeerden zich plotseling van stimulering tot soberheid. Dat gebeurde begin februari 2010 in het afgelegen Canadese plaatsje Igaluit in de poolcirkel, waar de ministers van Financiën van de Groep van Zeven belangrijkste industrielanden een van hun reguliere vergaderingen hadden belegd. Soms (vaak) zijn dergelijke topconferenties weinig meer dan ceremoniële plechtigheden, en ook bij deze gelegenheid was er meer dan genoeg ceremonieel, waaronder rauw zeehondenvlees bij het laatste diner (de buitenlandse gasten bedankten allemaal beleefd). Maar ditmaal gebeurde er ook iets substantieels. De leiders van de wereldeconomie werden het erover eens dat de wereld­economie aan de beterende hand leek te zijn en het tijd werd dat ze ophielden met het bevorderen van de groei. Geen stimuleringsmaatregelen meer.

Op het eerste gezicht was dit een vreemde beleidswijziging. Volgens de economieboeken op de middelbare school zorgt het korten van de overheidsuitgaven voor een daling van de algehele vraag, wat op haar beurt weer leidt tot een lagere productie en minder werkgelegenheid. Dit is misschien wenselijk als de economie oververhit raakt en de inflatie stijgt; bovendien kunnen de negatieve gevolgen van minder overheids­bestedingen worden gecompenseerd. De centrale banken kunnen de rente verlagen, waardoor de particuliere uitgaven worden gestimuleerd. Maar geen van deze omstandigheden deed zich begin 2010 voor, en nu ook nog niet. De belangrijkste geavanceerde economieën verkeerden en verkeren nog steeds in een diepe depressie, en er is nog geen enkele inflatiedruk te bespeuren. Intussen staat de kortetermijnrente, die min of meer door de centrale banken wordt gecontroleerd, bijna op nul, zodat er weinig ruimte is voor het monetair beleid om lagere overheidsuitgaven te compenseren. De economieboeken lijken dus te zeggen dat alle soberheid die we hebben gezien prematuur is, en dat versobering moet wachten totdat de economieën sterker zijn.

De vraag is dan waarom de economische leiders zo graag bereid waren de economieboeken het raam uit te gooien. Eén antwoord is dat velen van hen nooit in de wijsheid van die boeken hebben geloofd. Het Duitse politieke en intellectuele establishment heeft nooit veel op gehad met de keynesiaanse economie, dat geldt ook voor een groot deel van de Republikeinse Partij in de Verenigde Staten. Op het hoogtepunt van een acute economische crisis – zoals in het najaar van 2008 en de winter van 2009 – kan zulke stemmen tot op zekere hoogte het zwijgen worden opgelegd, maar als de zaken eenmaal enigszins tot rust zijn gekomen, beginnen ze hard terug te duwen.

Aan een breder antwoord zullen we later toekomen: de onderliggende politieke en psychologische redenen waarom veel invloedrijke figuren de ideeën van de tekortfinanciering en het ‘goedkope geld’ afwijzen. Opnieuw is het zo dat toen de crisis minder urgent werd, de ruimte groter werd om aan deze gevoelens toe te geven.

Naast deze onderliggende factoren waren er echter nog twee bijkomende aspecten van de situatie begin 2010: de nieuwe crisis in Griekenland en de publicatie van schijnbaar rigoureus economisch onderzoek van hoge kwaliteit dat het standpunt van de austerians ondersteunde.

De Griekse crisis kwam voor bijna iedereen als een schok, niet in de laatste plaats voor de Griekse regering die in oktober 2009 de macht in handen kreeg. De nieuwe leiders wisten dat ze te maken hadden met een begrotingstekort – maar pas na aantreden kwamen ze erachter dat de vorige regering de zaak had beduveld, en dat zowel het tekort als de schuldenlast veel hoger waren dan wie dan ook had bevroed. Toen dit nieuws doordrong tot de beleggers werd eerst Griekenland en daarna een groot deel van de rest van Europa geconfronteerd met een nieuw soort crisis – niet een van noodlijdende banken, maar van noodlijdende regeringen, die niet meer konden lenen op de mondiale markten.

De Griekse crisis was een godsgeschenk voor de anti-keynesianen. Zij hadden voortdurend gewaarschuwd voor de gevaren van tekortfinanciering; het Griekse debacle leek aan te tonen hoe gevaarlijk een verkwistend begrotingsbeleid kan zijn. Tot op de dag van vandaag kan iedereen die tegen het soberheidsbeleid in het geweer komt, of die zelfs oppert dat we misschien een nieuwe ronde van stimuleringsmaatregelen nodig hebben, verwachten dat hij wordt bestempeld als iemand die Amerika (of Groot-Brittannië) in een nieuw Griekenland wil veranderen.

Als Griekenland het voor de hand liggende schrikbeeld uit de werkelijkheid was, leken Reinhart en Rogoff de daaraan ten grondslag liggende cijfers te bieden. Hun verhandeling leek niet alleen aan te tonen dat schulden de groei schaden, maar dat er ook een ‘drempel’ is als de schuld hoger uitkomt dan negentig procent van het bbp. Als je dat punt passeert, zo leken hun cijfers te suggereren, dan valt de economische groei stil. Griekenland had natuurlijk al een schuld die groter was. Maar ook grote ontwikkelde economieën zoals de Verenigde Staten hadden grote begrotingstekorten en kwamen dicht in de buurt van de drempel. Als je Griekenland en de verhandeling van Reinhart en Rogoff combineert, lijk je een overtuigend pleidooi in handen te hebben voor een scherpe, onmiddellijke wending in de richting van meer soberheid.

Maar zou zo’n wending naar soberheid geen onmiddellijk negatief effect hebben op een economie die nog steeds gebukt ging onder de particuliere schuldenafbouw? Geen zorgen, aldus een tweede opmerkelijk invloedrijke wetenschappelijke verhandeling, Large Changes in Fiscal Policy: Taxes Versus Spending van Alberto Alesina en Silvia Ardagna.

In wezen voerden Alesina en Ardagna een frontale aanval uit op het keynesiaanse denkbeeld dat het korten van de uitgaven in een zwakke economie tot nog meer zwakte leidt. Net als Reinhart en Rogoff beriepen zij zich op historisch bewijsmateriaal om hun pleidooi te onderbouwen. Volgens Alesina en Ardagna werden zware bezuinigingen in geavanceerde landen door de bank genomen gevolgd door een expansie en niet door een krimp. De reden, zo opperden zij, was dat doortastende soberheid vertrouwen wekte in de particuliere sector, en dat dit toegenomen vertrouwen iedere terugslag als gevolg van de lagere overheidsuitgaven ruimschoots compenseerde.

Deze gedachte verspreidde zich als een lopend vuurtje. Alesina en Ardagna verzorgden in april 2010 een speciale presentatie voor de Raad voor Financiële en Economische Zaken van de Europese ministerraad en al snel vond deze analyse zijn weg in officiële verklaringen van de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank. In juni 2010 wees Jean-Claude Trichet, de toenmalige president van de Europese Centrale Bank, de zorgen van de hand dat de soberheid de groei zou kunnen schaden: ‘Wat de economie aangaat, het idee dat bezuinigingsmaatregelen tot stagnatie kunnen leiden is incorrect… In feite is onder deze omstandigheden alles wat ertoe bijdraagt het vertrouwen van de huishoudens, bedrijven en beleggers te vergroten in de duurzaamheid van de overheidsfinanciën goed voor de consolidatie van de groei en het scheppen van werkgelegenheid. Ik ben er heilig van overtuigd dat vertrouwenwekkende maatregelen in de huidige omstandigheden het economisch herstel zullen bevorderen en niet hinderen, omdat vertrouwen vandaag de dag de sleutelfactor is.’

Dit kwam rechtstreeks uit de koker van Alesina en Ardagna. Tegen de zomer van 2010 had zich een volwaardige orthodoxie rond het soberheidsbeleid gevormd, die dominant werd in Europese beleidskringen en invloedrijk aan deze zijde van de Atlantische Oceaan. Hoe is het nu gegaan in de drie jaar die sindsdien zijn verstreken?

***

Het is doorgaans lastig om aan duidelijke bewijzen voor de effecten van een of ander economisch beleid te komen. Regeringen veranderen in de regel niet graag van beleid en het is moeilijk de gevolgen van de halve maatregelen die zij nemen te onderscheiden van alle andere dingen die in de wereld gaande zijn. Het stimuleringspakket van Obama was bijvoorbeeld tijdelijk van aard en redelijk klein in vergelijking met de omvang van de Amerikaanse economie; het kwam nooit ver boven de twee procent van het bbp uit en kreeg zijn beslag in een economie die was getroffen door de grootste financiële crisis van drie generaties. Hoeveel van wat plaatsvond in de jaren 2009-2011, goed of slecht, kan aan de stimuleringsmaatregelen worden toegeschreven? Niemand weet het echt zeker.

Maar de wending naar soberheid na 2010 was zo drastisch, met name in de Europese debiteurenlanden, dat de gebruikelijke slagen om de arm niet meer van toepassing zijn. Griekenland voerde bezuinigingen en belastingverhogingen door ter waarde van vijftien procent van het bbp; Ierland en Portugal kwamen met maatregelen ter hoogte van zes procent van hun bbp; en in tegenstelling tot de halfhartige pogingen om tot stimulering te komen, bleven deze bezuinigingen van kracht en werden ze zelfs jaar na jaar nog versterkt. Hoe functioneerde het soberheidsbeleid nu in de praktijk? Het antwoord is dat de gevolgen desastreus waren – zoals iedereen op grond van de economieboeken van de middelbare school had kunnen voorspellen. De landen die tot een zwaar soberheidsbeleid werden gedwongen ervoeren zeer ernstige inzinkingen, en die inzinkingen waren min of meer in verhouding met de mate van soberheid. Er zijn pogingen gedaan om deze resultaten weg te redeneren, vooral door de Europese Commissie. Maar het imf, dat de gegevens grondig heeft onderzocht, is niet alleen tot de conclusie gekomen dat het soberheidsbeleid grote negatieve economische gevolgen heeft gehad, het heeft zelfs een soort ‘mea culpa’ laten horen wegens het onderschatten van deze negatieve effecten.

Maar is er ook een alternatief voor het soberheidsbeleid? Hoe zit het met de risico’s van excessieve schulden?

Begin 2010, toen het Griekse debacle nog vers in ieders herinnering lag, leken de risico’s van een excessieve schuldenlast voor de hand te liggen; deze risico’s leken zelfs nog groter in 2011, toen Ierland, Spanje, Portugal en Italië zich voegden bij de landen die hoge rentepremies moesten betalen. Maar er gebeurde iets grappigs met andere landen met een hoge schuldenlast, waaronder Japan, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië: ondanks grote begrotingstekorten en snel stijgende schulden bleven hun leenkosten laag. De Belgische econoom Paul De Grauwe heeft erop gewezen dat het cruciale verschil leek te zijn of landen hun eigen munt hadden en in die munt konden lenen. Zulke landen kunnen niet zonder geld komen te zitten, want zij kunnen het bijdrukken als dat nodig is, en bij ontstentenis van het risico van een liquiditeitscrisis kunnen geavanceerde landen blijkbaar zonder problemen een vrij grote schuldenlast dragen.

Drie jaar na de wending naar soberheid lijken zowel de hoop als de vrees van de austerians dus misplaatst te zijn geweest. Het soberheidsbeleid heeft niet geleid tot een toename van het vertrouwen; de tekorten hebben niet tot een crisis geleid. Maar was de soberheidsbeweging dan niet gegrondvest op serieus economisch onderzoek? Feitelijk bleek dat dit niet het geval was – het onderzoek waarnaar de austerians verwezen kende grote gebreken.

Het eerste denkbeeld dat sneuvelde was dat van de soberheid waar groei uit voortkomt. Zelfs nog vóór de resultaten van het Europese experiment met het soberheidsbeleid bekend waren, bleek de verhandeling van Alesina en Ardagna een grondig onderzoek niet te kunnen doorstaan. Wetenschappers van het Roosevelt Institute wezen erop dat geen van de vermeende voorbeelden van soberheidsbeleid die tot een expansie van de economie zouden hebben geleid in werkelijkheid te midden van een economische crisis hadden plaatsgevonden; onderzoekers van het imf kwamen erachter dat de maatstaf van Alesina en Ardagna voor het begrotingsbeleid weinig relatie onderhield met feitelijke beleidsveranderingen. Met weinig tromgeroffel verdween het hele denkbeeld dat soberheid economieën feitelijk een steun in de rug zou kunnen geven van het toneel.

De verhandeling van Reinhart en Rogoff bleef echter langer overeind, ook al werden er al in een vroeg stadium ernstige twijfels over hun werk geuit. In juli 2010 hadden Josh Bivens en John Irons van het Economic Policy Institute een duidelijke fout ontdekt – een verkeerde interpretatie van Amerikaanse economische cijfers onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog – en een ernstig conceptueel probleem. Zij wezen erop dat Reinhart en Rogoff geen enkel bewijs hadden geleverd dat hoge schulden verantwoordelijk waren voor lage groeicijfers en niet andersom; ander bewijsmateriaal duidde erop dat het laatste waarschijnlijker was. Maar dergelijke kritiek maakte weinig indruk; je zou kunnen zeggen dat het verhaal van Reinhart en Rogoff voor austerians te goed was om grondig tegen het licht te houden.

De onthulling in april 2013 van de tekortkomingen in de verhandeling van Reinhart en Rogoff kwam dan ook als een schok. Ondanks de invloed van hun verhandeling hadden de auteurs hun cijfers niet breed toegankelijk gemaakt – en onderzoekers met schijnbaar vergelijkbare cijfers waren niet tot dezelfde conclusies gekomen. Uiteindelijk stelden ze hun spreadsheet ter beschikking van Thomas Herndon, een doctoraalstudent van de Universiteit van Massachusetts. Hij vond het een merkwaardig gedrocht. Er was sprake van één feitelijke coderingsfout, maar die had slechts een kleine bijdrage geleverd aan hun conclusies. Belangrijker was dat hun cijfers voorbij gingen aan de ervaringen van diverse geallieerde landen – Canada, Nieuw-Zeeland en Australië – die uit de Tweede Wereld­oorlog te voorschijn waren gekomen met een hoge schuldenlast, maar desondanks konden bogen op een solide groei. En ze hadden gebruik gemaakt van een vreemde wegingsmethodiek, waarbij iedere ‘episode’ van hoge schulden even zwaar telde, of die zich nu had voorgedaan tijdens één jaar van slechte groei of tijdens zeventien jaren van hoge groei.

Zonder deze fouten en merkwaardig­heden was er nog steeds sprake van een negatieve samenhang tussen schulden en groei – maar dit zou grotendeels – en waarschijnlijk – een zaak kunnen zijn van een lage groei die tot hoge schulden leidt en niet andersom. En de ‘drempel’ van negentig procent verdween uit beeld, waardoor de horrorverhalen werden ondermijnd die waren gebruikt om het soberheidsbeleid te verkopen.

Het zal geen verbazing wekken dat Reinhart en Rogoff hebben getracht hun werk te verdedigen, maar hun reactie was op z’n best zwakjes te noemen, en op z’n slechtst ontwijkend. Ze bleven schrijven op een manier die erop duidt, zonder dat uitdrukkelijk te betogen, dat een schuldenlast ter hoogte van negentig procent van het bbp een soort drempel is waarna zich slechte dingen gaan voordoen. In werkelijkheid, zelfs als je de kwestie van de causaliteit negeert – of een lage groei tot een hoge schuldenlast leidt of andersom –, zijn de klaarblijkelijke gevolgen van de groei van een schuldenlast van bijvoorbeeld 85 naar 95 procent van het bbp redelijk klein. Zij rechtvaardigen geenszins de schuldenpaniek die zo’n grote invloed op het beleid heeft gehad.

Op dit moment staat de economie van de soberheid er dus bijzonder slecht voor. Haar voorspellingen zijn volkomen verkeerd gebleken, en de wetenschappelijke verhandelingen die eraan ten grondslag lagen hebben niet alleen hun ‘heilige’ status verloren, maar worden alom belachelijk gemaakt. Toch had niets van dit alles (behalve die Excel-fout) een verrassing hoeven zijn: de fundamentele macro-economische principes hadden iedereen kunnen vertellen wat verwacht had mogen worden en feitelijk ook is gebeurd. De verhandelingen die nu in diskrediet zijn geraakt kenden vanaf het eerste begin al duidelijke gebreken. Dit roept een voor de hand liggende vraag op: waarom heeft de economie van de soberheid zo’n krachtige greep kunnen krijgen op de opinie van de elite?

***

Iedereen houdt van allegorieën. ‘Het loon van de zonde is de dood’ is een veel bevredigender boodschap dan ‘shit happens’. We willen allemaal dat gebeurtenissen een betekenis hebben. Toegepast op de macro-economie leidt deze voorkeur om overal een morele betekenis achter te zoeken tot de neiging om verhalen te geloven die de pijn van een crisis toeschrijven aan de excessen van de eraan voorafgaande bloeiperiode. Zij zorgt er misschien ook voor dat het natuurlijk is om die pijn als noodzakelijk te beschouwen, als onderdeel van een onvermijdelijk reinigingsproces. Toen zijn minister van Financiën Andrew Mellon tegen president Herbert Hoover zei dat hij de Depressie moest laten uitwoeden, om ‘de rotting uit het systeem te verdrijven’, gaf hij een advies dat – hoe slecht het economisch gezien ook was – psychologisch bij veel mensen weerklank vond (en nog steeds vindt).

De keynesiaanse economie berust daarentegen op het fundamentele uitgangspunt dat de macro-economie géén zinnespel is, en dat depressies in wezen een technische storing zijn. Toen de Grote Depressie zich verdiepte, deed Keynes de beroemde uitspraak dat ‘we een motorisch probleem hebben’ – dat wil zeggen dat de problemen van de economie leken op die van een auto die niet wil starten, en dat het de taak van de econoom is om erachter te komen hoe dat technische probleem verholpen kan worden. Het meesterwerk van Keynes, The General Theory of Employment, Interest and Money, is opmerkelijk – en revolutionair – omdat het bijna niets zegt over wat er gebeurt in economische bloeiperiodes. Pre-keynesiaanse theoretici van de conjunctuurcyclus bleven graag uitgebreid staan bij de lugubere excessen die zich voordoen in goede tijden, terwijl ze betrekkelijk weinig te melden hadden over de vraag waarom deze excessen tot slechte tijden leiden, of wat je zou moeten doen als dat zo is. Keynes draaide dit alles radicaal om; bijna al zijn aandacht ging uit naar de vraag hoe economieën in een depressie bleven hangen, en wat je kon doen om ze daaruit te halen.

Ik zou willen betogen dat de aanpak van Keynes in grote lijnen juist was, maar het lijdt geen twijfel dat veel mensen deze aanpak emotioneel gezien zeer onbevredigend vinden. En daarom hoeft het geen verbazing te wekken dat veel populaire interpretaties van onze huidige problemen telkens weer teruggrijpen op de instinctieve, pre-keynesiaanse neiging om stil te blijven staan bij de excessen van de bloeiperiode, in plaats van zich af te vragen wat de tekortkomingen van de crisisbestrijding zijn.

Is de impuls tot soberheid dan louter een psychologische aangelegenheid? Nee, er is ook sprake van een redelijke hoeveelheid eigenbelang. Zoals veel waarnemers hebben opgemerkt, kan het besluit om het stimuleringsbeleid los te laten worden geïnterpreteerd als het geven van voorrang aan de crediteuren boven de werknemers. Inflatie en een lage rente zijn slecht voor crediteuren, ook al propageren zij het scheppen van banen; het terugdringen van overheidstekorten in een tijd van massale werkloosheid kan een depressie verdiepen, maar zorgt ervoor dat de obligatiehouders er zekerder van zijn dat ze al hun geld terugkrijgen. Ik denk niet dat iemand als Trichet bewust of zelfs cynisch de belangen van een bepaalde klasse wilde dienen, ten koste van het algemeen welzijn, maar het kwam hem waarschijnlijk wel goed uit dat zijn economische moraliteitsgevoelens zo nauw aansloten bij de prioriteiten van de crediteuren.

Het is ook de moeite waard om op te merken dat het economisch beleid sinds de crisis voor de rijken helemaal niet zo slecht heeft uitgepakt, ook al lijkt het op grond van de meeste maatstaven zo vreselijk te hebben gefaald. De winsten hebben zich krachtig hersteld, ook al houdt de ongekende langetermijnwerkloosheid onverminderd aan; de aandelenbeurzen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan zijn weer terug op het niveau van vóór de crisis, ook al blijft het gemiddelde inkomen achter. Het zou overdreven kunnen zijn om te stellen dat de bovenste één procent van de inkomenspiramide feitelijk profiteert van de aanhoudende depressie, maar deze mensen voelen zeker niet veel pijn. En dat heeft waarschijnlijk wel iets te maken met de bereidheid van de beleidsmakers om de soberheidskoers aan te houden.

***

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Dat was de vraag die veel mensen vier jaar geleden stelden, en het is nog steeds de vraag die velen vandaag de dag stellen. Maar het ‘dit’ is wel veranderd.

Vier jaar geleden was het een mysterie hoe zo’n vreselijke financiële crisis zijn beslag had kunnen krijgen, zonder veel waarschuwing vooraf. Tot de harde lessen die we moesten leren behoorden de kwetsbaarheid van het moderne financiële systeem, de dwaasheid om erop te vertrouwen dat de banken zichzelf wel reguleren, en de gevaren van de veronderstelling dat leuke nieuwe financiële ‘oplossingen’ de eeuwenoude problemen van het risico zouden hebben weggenomen of verminderd.

Ik zou echter willen betogen – hoezeer ik mezelf daarmee misschien ook uit de wind houd (want ik heb wel gewaarschuwd voor de zeepbel op de huizenmarkten, maar had geen idee hoe groot de crisis zou worden als hij zou knappen) – dat het onvermogen om de crisis te voorzien een betrekkelijk kleine zonde was. Economieën zijn gecompliceerde, telkens weer veranderende entiteiten; het was begrijpelijk dat slechts weinig economen inzagen in welke mate kortetermijnkredieten en de securitisatie van effecten zoals subprime-hypotheekobligaties de oude risico’s hadden doen herleven die door depositoverzekeringen en het toezicht op de banken ondervangen hadden moeten zijn.

Ik zou willen betogen dat wat er vervolgens is gebeurd een veel grotere zonde vertegenwoordigt: de manier waarop de beleidsmakers de rug hebben toegekeerd aan praktisch alles wat economen hebben geleerd over de manier waarop ze met depressies moeten omgaan, en de manier waarop de opinie van de elites alles heeft aangegrepen wat het soberheidsbeleid leek te rechtvaardigen. De financiële crisis van 2008 kwam als een verrassing en voltrok zich supersnel; maar we zitten nu al jaren vast in een regime van trage groei en wanhopig hoge werkloosheid.

Het is een vreselijk verhaal, vooral vanwege het enorme lijden dat het gevolg is van deze beleidsfouten. Het is ook zeer zorgwekkend voor degenen die willen geloven dat kennis een positief verschil kan maken in de wereld. Voorzover de beleidsmakers en de opinie van de elites in het algemeen überhaupt gebruik hebben gemaakt van economische analyses hebben ze dat gedaan zoals dronkaards een lantaarnpaal gebruiken: als steun en niet als verlichting. Verhandelingen en economen die de elites vertelden wat ze wilden horen werden gevierd, ondanks een overvloed aan bewijzen dat ze ernaast zaten; critici werden genegeerd, hoe vaak ze het ook bij het rechte eind hadden.

Het debacle rond de verhandeling van Reinhart en Rogoff heeft de hoop onder de critici doen herleven dat logica en bewijzen er eindelijk toe beginnen te doen. Maar de waarheid is dat het nog te vroeg is om te zeggen of de greep van de economie van de soberheid op het beleid na deze onthullingen genoeg zal verslappen. Op dit moment is de bredere boodschap van de afgelopen paar jaar dat uit inzicht weinig goeds voortkomt.


Paul Krugman is hoogleraar economie en internationale betrekkingen aan Princeton University. Hij schrijft spraakmakende columns voor The New York Times en won in 2008 de Nobelprijs voor economie. Begin dit jaar verscheen zijn meest recente boek: End This Depression Now!

© 2013 The New York Times
Vertaling Menno Grootveld