Als een bloem

De abstracte schilderijen van Mondriaan groeien langzaam in de tijd, als een bloem die opengaat. Zo ging het ook met Compositie II.

Zelf noemde Piet Mondriaan zijn abstracte werk gewoonlijk compositie. Dat is een vage benaming. Ik denk dat hij daarbij vooral een uitgewogen soort ordening, zonder rumoer, voor ogen had. Dat is de grote algemene indruk die zijn uitzonderlijke kunst op ons maakt. Kijken we bijvoorbeeld naar een rustig uitgewerkt schilderij als Compositie II (met geel en blauw): eerst was er een leeg, wit vierkant dat vervolgens door rechte, zwarte lijnen werd verdeeld in een aantal kleinere rechthoeken. Al zijn schilderijen begonnen zo. Als je dan nog een paar kleuren in het spel brengt (hier geel en blauw) heb je de elementen klaarliggen om er een compositie van te maken. Opmerkelijk is ook dat de passen goed zichtbaar zijn en het componeren lang te volgen blijft – totdat echter die helderheid oplost in raadselachtige effecten.

Dit schilderij begon dus, stel ik voor, met het slanke, zwarte kruis dat de witte ruimte van het vierkante doek geheel in beslag neemt. De verticale lijn loopt iets links van het midden. Daarna volgde net iets verder naar onder de horizontale lijn. Binnen de omtrek van het vierkant is die kruising van lijnen dus excentrisch: de plaatsing van het kruis maakt dat de ruimte in het vlak licht scheef wordt getrokken. Het natuurlijk evenwicht, eigen aan een kwadrant, raakt iets uit balans. Bovendien is de verticale lijn een fractie smaller dan de horizontale – die dan ook zwaarder oogt en daardoor onweerstaanbaar begint te werken als een horizon. Dat de lijnen van verschillende breedte zijn, valt eerst nauwelijks op. Daar is tijd van kijken voor nodig, zoals trouwens ook voor het zien of het met de ogen wegen van de deelvlakken waarin het vierkant door het kruis wordt verdeeld. Omdat het kruis uit het midden staat, met ook nog de zwarte lijnen zo verschillend breed, zijn de maten van die kwadranten alle ongelijk.

Zulke verschillen bepalen het karakter van het schilderij. Natuurlijk is er niet een van hen gewoon vierkant. Daarmee zet dat kruis dus de toon in het vierkant: eerst lijkt het schilderij een serene compositie van overzichtelijke, rechthoekige vormen, maar geleidelijk beginnen we allerlei nerveuze ongelijkheden te ontwaren. Alle abstracte schilderijen van Mondriaan groeien zo: langzaam als een bloem die opengaat, in de tijd. Ik kijk naar dat onnavolgbare schuiven in de kleine vierkante ruimte en naar haast onmerkbare verschillen tussen vormen. De maar net ongelijke vormen allitereren met elkaar als woordklanken in een gedicht. Bijvoorbeeld: het grote witte vlak rechtsboven begint dan, wat zijn karakter betreft, op het vlak linksonder te lijken. Die wankele gelijkenis (tussen verwante vormen of versies van vormen) zou er ook zijn tussen het gele vlak (dat staat) en het liggende kwadrant rechtsonder als dat niet verder was onderverdeeld. Het werd een groter vlak, geheel door zwarte lijnen ingesloten, en een smalle rechthoek die rechts overbleef, en zelfs een nog smallere strook onder in het schilderij. Het smalle vlak rechts werd verder nog door een dikke, zwarte horizontale lijn in twee ongelijke delen verdeeld. Het bovenste daarvan, het blauwe (dat in proportie op het gele vlak lijkt) is ook het kleinste in heel de ambivalente compositie van vlakken. Het raakt aan het grootste vlak rechtsboven. Als je van daar, tegen de klok in, het verloop van de verschillende vlakken in het vierkant volgt, zie je ze, tot aan dat blauwe vlakje, steeds een fractie kleiner worden – terwijl ook hun vorm er steeds wat anders uitziet. Zo ziet het vlak rechtsonder, omdat het door die zwarte lijnen wordt omlijst, er ogenschijnlijk steviger en zelfs vierkanter uit dan de andere vlakken langs wier begrenzing maar ten dele zwarte lijnen lopen. Binnen de omlijsting van zwarte lijnen lijkt van dat vlak het wit net ook witter dan het andere wit in het schilderij. Bij het gele vlak, intussen, werkt de kleur (langs twee kanten begrensd door zwart) veel ruimtelijker en lichter. Het blauwe vlak is compact. Tussen dat gedrongen blauw en het stralende geel hangt onderin het zwartomrande vlak van wit. Als we daar terechtkomen bij de bewegingen van de kleuren wordt wat we ervaren werkelijk onbeschrijflijk. Maar toen Mon­driaan aan dit schilderij werkte, heeft hij alle nerveuze ongelijkheden ook gezien. Omdat ze hem bezighielden heeft hij de beslissingen genomen waardoor Compositie II uiteindelijk zo is geworden. Zo laat hij ons zien wat hij zelf aan wonderbaarlijks zag, zo helder als hij het zelf begrijpen kon. Dat is wat schilderijen doen.