Brieven over Jan Six van Chandelier

Als een dorstig sponsje

Riet Schenkeveld-van der Dussen & Willemien B. de Vries
Zelfbeeld in gedichten: Brieven over Jan Six van Chandelier (1620-1695)
Prometheus/Bert Bakker, 407 blz., € 24,95

Canonisering is een grillig proces. Wie zou durven voorspellen welke hedendaagse dichters en denkers over tweehonderd jaar nog zullen worden gelezen? Literaire smaken veranderen, charlatans worden ontmaskerd, alles wat alleen maar modieus is valt binnen enkele decennia af, al blijft het als sociologisch verschijnsel natuurlijk interessant. Betekent dit dat alleen superieure kwaliteit op den duur houdbaar blijft? Helaas niet. Canonisering is namelijk ook een zichzelf in stand houdend proces. Is een auteur eenmaal beroemd, dan zal zijn werk ongeacht de kwaliteit gelezen blijven worden, alleen al omdat hij invloed heeft uitgeoefend. Zo is het gegaan met Cicero, zo zal het ook gaan met Mulisch en Nooteboom. Een van de doorslaggevende factoren is de kracht van netwerken. Je moet de juiste mensen kennen, de relevante media bespelen en daardoor de belangrijkste prijzen in de wacht slepen. Ook al is Gerrit Krol een veel groter schrijver dan Mulisch, tegen diens netwerk kan hij nooit op. Daarom zal zijn werk ook in de toekomst slechts voer voor ingewijden blijven.

Voor de zeventiende-eeuwer Jan Six van Chandelier (1620-1695) geldt iets dergelijks. Als drogist uit de Amsterdamse Kalverstraat behoorde hij niet tot de letterkundige elite, hoewel hij op de Latijnse school had gezeten en in enkele klassieke auteurs beter thuis was dan Vondel. Hij had geen geleerde vrienden en wisselde geen lofdichten uit met collega’s. We kennen van hem slechts één (omvangrijke) bundel gedichten uit 1657 en een psalmberijming uit 1674 (herzien in 1690). Zo goed als geen brieven, een omstreden portret en nauwelijks documenten van tijdgenoten waar we iets aan hebben: het werk moet voor zichzelf spreken.

Riet Schenkeveld-van der Dussen en Willemien B. de Vries schreven een boek met een onorthodoxe opzet. Het bestaat uit thematisch geordende brieven, waarin de hooggeleerde dames een dialoog over Six’ vaak ongrijpbare poëzie op gang brengen. Het voordeel van deze aanpak is dat het boek niet alleen niet vervalt in academisch voetnotenproza, maar bovendien zichzelf steeds opnieuw herneemt en zelfs ondergraaft, hetgeen goed past bij een dichter die er alles aan deed zijn eigen positie stelselmatig onderuit te halen. Nadeel is dat de schrijftrant vooral in het begin vaak slordig en omslachtig is, alsof de spontaneïteit van de briefwisseling benadrukt moest worden. Het had allemaal een stuk beknopter gekund. Verder is ‘R.’ duidelijk de echte deskundige en vervult ‘W.’ vaak de rol van aangever of nuancerende meelezer. Het boek wordt afgesloten met een ruimhartige bloemlezing uit het werk van Six.

De auteurs gaan ervan uit dat Six een sterk op de werkelijkheid betrokken dichter is, die met scherpe blik verslag doet van wat hij zoal meemaakt als Amsterdams burger, als zoon en broer, als gemankeerd minnaar, als reiziger en calvinist. Inderdaad worden veel van Six’ gedichten gekenmerkt door een directheid die je bij zijn tijdgenoten zelden tegenkomt. Zo weidt hij tot in onsmakelijke details uit over milt- en darmklachten, die hij tracht te bestrijden met kruidenmengsels, aderlatingen, veel te copieuze maaltijden en bezoeken aan kuuroorden: ‘In ’t drinken moet men elk geledigd glas verzellen/ met venkelzaad, anijs, of suikre oranje schellen/ om winden van ’t rauw nat met rupsinge (oprispingen) te lozen.’

Aangrijpend is een sonnet waarin Six vertelt hoe in 1652 het familiegraf in de Zuiderkerk wordt geopend voor de bijzetting van zijn grootmoeder. Bij die gelegenheid krijgt hij de half vergane lijken van zijn vader en zijn broer te zien. De huiveringwekkende observaties worden echter verwerkt tot een christelijke overpeinzing over vergankelijkheid. Hij herkent zijn vader ‘slechts aan ’t haar/ des schimmeligen monds, diep onverrot gebleven’, en roept vervolgens uit: ‘Mijn God, wat is de mens? Mijn God, mijn leden beven.’ Van zijn broer rest niets dan een walgelijk ‘doorknaagd geraamt’ en hij realiseert zich dat het hemzelf niet anders zal vergaan: ‘Heb ik ’t beginsel uit dat stinkend vlees genomen?/ ’t Is raadzaam dat ik mee zijn einde dan beraam.’

Van Six’ liefdesleven weten we vrijwel niets. Duidelijk is dat hij ongetrouwd bleef en, omdat hij principiële bezwaren had tegen buitenechtelijke seks, op dat terrein waarschijnlijk nooit aan zijn trekken is gekomen. Zijn bundel bevat echter wel een serie gedichten die gericht zijn aan een zekere Roselle, die hij zonder succes tot een huwelijk poogt te bewegen. Schenkeveld en De Vries veronderstellen dat de gedichten een autobiografische basis hebben, al houden ze de mogelijkheid open dat achter de naam meer dan één meisje schuilgaat. Aangezien de Roselle-cyclus rijk is aan verwijzingen naar de erotische poëzie van dichters als Catullus, Horatius en Janus Secundus denk ik dat je met biografische interpretaties niet voorzichtig genoeg kunt zijn.Een van de hoogtepunten is een broeierig gedicht waarin een mesje wordt aangesproken. De dichter heeft het mes uit het huis van Roselle meegenomen en zes weken als fetisj gekoesterd, maar nu stuurt hij het terug met het verzoek haar namens hem innig te kussen. Hij drukt het mes echter nadrukkelijk op het hart zijn vriendin niet te snijden: ‘Snedig ijzer, puntig staaltje,/ doe toch nimmer zulk een kwaaltje,/ zulk een zeer aan ’t tenger vleisje/ van dat poeslig zoete meisje.’ Mocht ze zich toch verwonden, ‘Laat dit blaadje (waarop het gedicht is geschreven) ’t purper druipen,/ als een dorstig sponsje opzuipen.’ Terecht suggereren Schenkeveld en De Vries dat de seksuele symboliek hier voor het oprapen ligt, al is het moeilijk – en waarschijnlijk ook niet de bedoeling – alle details exact te duiden.

Aanvechtbaar, maar verklaarbaar uit hun behoefte de dichter autobiografisch te lezen, is de opmerking dat Six na 1657 geen nieuw werk meer aan zijn oeuvre heeft toegevoegd omdat zijn dichterschap zou horen bij een ‘eigen actief, verkennend, ervarend leven’. Six was in de eerste plaats een vakman die precies wist in welke traditie hij stond. Zijn levendige bundel is niet zozeer het verslag van een leven als wel een zorgvuldig vormgegeven kunstwerk dat meer te maken heeft met de poëzie van Catullus en Persius dan met een drogist uit de Kalverstraat.