Als een draaitol

WILJAN VAN DEN AKKER
DE AFSTAND
De Arbeiderspers, 88 blz., € 17,95

Zoals deze week bekend werd gemaakt, is de C. Buddingh’-prijs voor Nieuwe Nederlandstalige Poëzie dit jaar gewonnen door Wiljan van den Akker voor zijn bundel De afstand. Een opmerkelijke keuze van de jury, die bestond uit dichter Paul Bogaert, schrijver Willem Jan Otten en programmeur van festival de Wintertuin Monique Warnier. De andere genomineerden waren Arnoud van Adrichem, met de bundel Vis, Edwin Fagel met Uw afwezigheid en Peter Swanborn met Bij het zien van zijn lichaam. Niet genomineerd waren Ruth Lasters, die in Vouwplannen een aanstekelijke beeldtaal aan het ontwikkelen is, Annemieke Gerrist met haar grillige impressies in Waar is een huis en Samuel Vriezen met zijn dynamische en opgeruimde Vier zinnen.
Wiljan van den Akker is in de literatuur geen onbekende. Een zanger zonder weerga is de titel van de vrolijke rede waarmee hij in 1988 het ambt van hoogleraar letterkunde aan de Universiteit Utrecht aannam. Hij gaat daarin in op J.H. Leopold en de modern(istisch)e poëzie. Hij was zelf eerder juryvoorzitter van de VSB-prijs en stelde De 100 beste gedichten van 1998 samen. Ook publiceerde hij een studie over Nijhoff: Een dichter schreit niet, en vertaalde hij samen met de dichteres Esther Jansma gedichten van de Amerikaanse dichter Mark Strand onder de titel Gedichten eten.
Zijn debuutbundel De afstand opent met vijf gedichten waarvan de titels in de zevende en laatste serie terugkeren, maar dan aflopend en voorzien van het cijfer twee. In het openingsgedicht wordt een bergwandeling aangevat, in het laatste gedicht wordt afgedaald. Zo de bundel een verhaal bevat, is het er een van ellende en misère. ‘Vooral als het nog vers is verspreidt verdriet/ een geur van pas gebruikte washandjes’, staat er in het gedicht De rouwhoer. Hier lijkt de dood aan het woord: ‘Ik ben de dame met de eeuwige voile’. De vrouw die beschreven wordt in Lasterpraat zal ‘haar kroost de rampen/ voorspellen die ze zelf in haar hoofd al voltrok/ want wie ze liefheeft krijgt een klap’.
Door die tamelijk zware thematiek van de bundel schemert een geschiedenis van dood en scheiding. De graagte waarmee de dichter objecten opsomt, maakt het niet minder benauwend. Een vest en een trui liggen ‘verzuurd’ op de camping.
De dikke bundel is een moeilijk neembare vesting: hoewel helder van taal kennen weinig gedichten een rustpunt of een moment van verlichting. Het is woordrijke poëzie die langs de lezer zeilt, ze vraagt op veel plekken om herlezing en hardop lezen om de aandacht op zich te vestigen. Even breekt de dichter daaruit los:
Het kan zomaar gebeuren op de eerste
de beste hotelkamer staan voor de kast
in de gang waar je laat op de avond
van aankomst snel nog je koffer en jas
in een lichte paniek achter spiegels
verborg in een vreemd bed ontwaakt
uit een slaap waar geen spoor
van een droom aan te pas is gekomen
geschoren gewassen gekamd van plan
tevoorschijn te komen in het pak
dat je droeg bij vertrek op het punt
schone sokken te pakken je hand al
op weg naar de rand van de schuifdeur:

hier ga ik blijven in deze kamer waar ik
voor altijd nauwkeurig uit mijzelf zal
bestaan, weet hoe de dingen mij passen
in dit licht dat nog nooit zo precies
als het hoort door het raam kwam
gezeefd en alles op maat heeft gesneden.

Twee elementen in dit gedicht komen regelmatig terug in de rest van de bundel: de slaap waarin niet gedroomd wordt, totdat helemaal op het eind in het slotgedicht ‘naar een warmte gedroomd’ is, en de lichtval. Een paar pagina’s verder is het opnieuw raak, als ‘een laat/ middaglicht langs het plafond strijkt/ de plint likt het tapijt bekruipt’. Aan het eind van de serie spreekt Van den Akker van ‘dit stralende vertrek’.
Van den Akkers werk kent nauwelijks melodie en is geheel geënt op een daverend ritme. Veel gedichten staan in de wij-vorm, net als in de genomineerde bundel Vis van Arnoud van Adrichem. Vis wordt gekenmerkt door humor en taalplezier en is daardoor licht. De afstand is vooral een verslag van een nogal barre tocht. Door veelvuldig gebruik van spreekwoorden en weinig interpunctie houdt de dichter afstand, tot zijn personages en de situatie en vooral tot de lezer. Spreekwoorden zijn een onpersoonlijk gebruik van taal. Het lijkt of Van den Akker ze procedématig aanwendt, met opzet afstand tot zijn aangrijpende materie kweekt. Hij houdt dat consequent en tomeloos vol.
Met de keuze voor de oudste debutant van de vier genomineerden heeft de jury zeker geen traditionele en veilige keuze gemaakt. De bundel leest als een draaitol die maar zelden tot rust komt. Zo verandert er helemaal niets aan een bepaalde situatie en wordt desondanks geconstateerd dat na verloop van tijd alles veranderd is. Het is de vraag of met dergelijke paradoxen het elastiek van de lezer niet kapot gaat, door ‘niet te verliezen wat ik nooit heb bezeten’. Het lijkt of de dichter het onderwerp telkens voor zich uit duwt. De afstand is een opmerkelijk werkstuk dat binnen een register is geschreven en zich pas na herhaaldelijk lezen prijsgeeft. Ik hoop dat de laureaat zo blij met de prijs is, dat als hij nog een bundel maakt die lichter van toon zal zijn.