Toon Verhoef, geen titel, 2020. Acryl en olieverf op linnen, 150 x 90 cm © Peter Cox, Eindhoven / Galerie Onrust, Amsterdam

Mijn eerste aandacht had het rechthoekige rood en blauwe schilderij met allerlei schuivende driehoeken. De rechthoek is smal. Zo zou ik het kort beschrijven: vormgeving en kleuren. Naar een schilderij gaan kijken, begint met een summier overzicht hoe het ongeveer in elkaar zit. Dan gaat het verder: binnen langs de rechthoekige kanten van het doek zitten drie verschillend hoekige driehoeken vast. Spits en plomp. Voorlopig is dat eerst voldoende beschrijving. In het schilderij beginnen de driehoeken, ieder op zijn manier en op zijn plek in het geheel met een recht stuk lijn en een rechte hoek. Dan eindigen ze in een punt. Hun beweging is verschillend van vorm. De driehoek helemaal links is strak en stevig. Het is een essentiële vorm in het beeldend geheel dat, zie ik nu, van boven naar beneden schuift. Van de punt gaat de schuine lijn naar beneden waar de driehoek breed wordt. Het is een stabiele vorm die links op de voorgrond, als coulisse, de ruimte afsluit. Bovenin, tegen de bovenkant, hangt nog een driehoekige vorm naar beneden die er logger uitziet. De plompe punt ervan eindigt rechtsboven in het beeldvlak en versmelt zich daar met het begin van de slanke, lichte driehoek die langs de rechterkant van het schilderij naar beneden glijdt.

Nu zie ik ook hoe, in de staande rechthoek van het schilderij, zich een patroon gevormd had van driehoekige figuren en schuine lijnen. Het lijken vouwen die hier en daar wat zijn strakgetrokken. Ongeveer terzijde van het midden liet het patroon een plek leeg. De kleur ervan is blauw en lichter blauw: een plek van zomerlicht in de lucht. De plek is ook driehoekig. De ruimte kantelt. Tussen de scheve en schuine kanten tussen de driehoeken eromheen hangt de blauwe plek als hoekig licht – als in abrupte vormverschuivingen in een caleidoscoop. Intussen zie ik het zachte blauw ook als een opening die bij toeval ontstond tussen dunne doeken van een tent toen die werd opengeslagen. Of ook licht hangende gordijnen waar vreemde wapperfiguren ontstonden toen ze in deinende wind gingen bewegen.

Driehoeken zijn wonderlijk thuis in de lucht zoals vliegers

De hoekige doeken, het hele patroon van driehoekig vallende delingen in de rechte beeldruimte, lijken gewichtloos omdat ze zo luchtig getekend en gekleurd zijn. De zachte dunne lijnen zijn afwisselend recht en licht geplooid. Fluwelig rood is de tekening, de kleur van bloemen. Het beige is zacht als schilderslinnen. De rode lijnen zijn nergens strak. Bijna voorzichtig zien we de hand van de schilder bewegen. Tussen het zachte rood zijn ook overal spaties van beige opengelaten. Het lijkt dan of de beweging van de rode lijnen ook het beige in beweging zet – zoiets als een echo in de kleur. Tegelijk werd zo ook een lichtblauwe driehoek, een zwevend licht in de verte, geheimzinnig als een fata morgana.

De vertelling die het schilderij vertoont is eigenzinnig. Het begon als een ensemble van scheve driehoeken. De kunstenaar werkte aan een eerste ontwerp op papier. Dan kijk je heel geconcentreerd van dichtbij. Daarbij duiken dan weer andere waarnemingen op die om ruimte vragen. Zo met onverwachte interrupties brengt een schilderij uiteindelijk zichzelf tot stand. Want dwars door de dromerige plek lichtblauw, zo te zien vlak naast het hart van het schilderij, kwam ten slotte nog een scheef verdraaid stuk driehoek langs zweven, als een sierlijk hemellichaam. Het heeft enig volume en leek te zijn losgeraakt uit een stuk wand van mortelwerk. Het zou kunnen dat zo het driehoekige blauwe gat ontstond.

Ik was verdwaald in de vederlichtheid van het schilderij en het zachte blauw en rood ervan. Toen dacht ik aan driehoeken van gevouwen doeken, met bovenin een opening naar de lucht als bij een wigwam. Anders dan een rechthoek of een vierkant zijn driehoeken om te zien lichte vormen. Ze zijn wonderlijk thuis in de lucht als bijvoorbeeld vliegers van papier. Bij het driehoekige hemellichaam in het schilderij zit de punt bovenaan. Beneden is de breedte van de vorm. Met dat gewicht mee, zakt en wappert het stuk driehoek, voor langs het blauw, dus naar beneden toe. De vallende driehoek, zie ik nu, kwam precies zo langs de lichtblauwe opening dat die weer in drie kleinere driehoeken van hemelsblauw werd gedeeld. Zo is er midden in het schilderij allerlei geheimzinnige zweving van vorm gaande. Het kleine stuk driehoek daar heeft gewicht en valt wel maar de spitse vorm ervan lijkt toch omhoog te zweven. Het deint op het hele lichte hemelse blauw. Wat ik bedoel: kunst kan op van alles lijken, ook op wat zogenaamd niet waar is.