Wouter Godijn, Hoe ik een beroemde Nederlander werd

Als een foute oom

Hoe ik een beroemde Nederlander werd lijkt te zijn geschreven door tenminste twee schrijvers. Door degene die het verhaal vertelt van de jonge Wilfried, die met zijn vriendjes speelt langs de sloot, geen groter avontuur kan bedenken dan het vangen van een snoek (‘er zit een grote hond aan m’n hengel vast’), die tijdschriften waarin ‘je alles zag’ eigenlijk nog niet echt durft te bekijken en die, in een hartverscheurende scène, zijn moeder voor een auto ziet komen.

Wouter Godijn, Hoe ik een beroemde Nederlander werd, € 19,95e-book, € 15,99

Medium cover.php

Het is deze kundige, menselijke schrijver die van de jonge Wilfried een personage maakt dat, literair gezien, bij Oek de Jongs Abel (uit Pier en oceaan) in de klas zou kunnen hebben gezeten: zo’n stuurs jongetje dat alles ziet maar lang niet alles begrijpt, driftig achter zijn eigen impulsen aan draaft en de wereld met zijn eigen regeltjes probeert te besturen. Een klein meneertje dat geniet van zijn eigen zelfbeheersing als hij ‘precies goed’ holt met zijn hengel in de hand, snel maar gecontroleerd, zodat de hengel nergens blijft haken. Deze schrijver laat alles in het leven van Wilfried schijnbaar achteloos in elkaar overvloeien, zoals je leven er op die leeftijd ook uitziet en er nog geen onderscheid is tussen school, thuis en spelen.

De tweede schrijver van Hoe ik een beroemde Nederlander werd is het type waarvoor je heel goed op moet passen als je naar een verjaardag gaat, want als je naast die burgerlul van een vent terechtkomt is het feestje voorgoed verpest. Laten we er vanuit gaan dat die burgerlul niet samenvalt met de auteur zelf, Wouter Godijn, want burgerlijkheid is precies een van de belangrijkste thema’s van het boek. De ik-persoon is een niet heel succesvolle schrijver die werkt aan een boek over het jongetje Wilfried (aha), terwijl zijn privé-leven in gestaag tempo uit elkaar dondert. Hij is overal bang voor, kan weinig, en ziet in de opkomst van de populistische politicus Vaandels (een goede naam voor een nationalist) een zondebok voor al zijn problemen – een fijne omkering van de verhoudingen: waar populisten normaal gesproken zondebokken aanwijzen, zijn ze het nu zelf.

De schrijver heeft een serieuze relatie met Martha, een arts die aanvankelijk niet heel erg in hem geïnteresseerd is, maar uiteindelijk zijn volharding beloont: als ze met hem naar bed gaat beukt zij op hem in, niet andersom (dat u niet mist hoe de verhoudingen zijn). En toch dient zich een andere femme fatale aan tegen wie hij weerloos is. Martha gooit hem eruit, zijn minnares is binnen de kortste keren op hem uitgekeken en hij eindigt in een huurflatje in het soort wijk waar Vaandels zijn kiezers trekt. Zoals hij het zelf samenvat: ‘Vrouw weg, huis weg, nog drieduizend eur op m’n bankrekening en sinds de subsidie voor schrijvers is afgeschaft geen idéé hoe ik aan geld moet komen als die drieduizend op zijn (en de verkoop van je boeken dan? Dames en heren, boeken verkopen, is iets voor boekhandelaars. Daar sta ik bóven!) en dan ook nog eens een writer’s block. Niettemin: je maintiendrai.’

Het is een flink staaltje borrelpraat, van iemand die waarschijnlijk zelf het hardst om zijn eigen grappen lacht (daarom wil je hem als een foute oom op verjaardagen mijden), maar het is soms moeilijk te merken wanneer Godijn de spot drijft met de burgerlijkheid van zijn personages en wanneer die van hemzelf begint. Als de schrijver (het personage) het heeft over insecten die je beter niet kunt doodmeppen ‘want barst hun lichaam open dan blubberblupt er een compleet Monatoetje tevoorschijn’ dan is dat nog true to character. Als een ander personage opmerkt dat hij bij het vrijen geluiden maakt als ‘een kaketoe in een centrifuge’ is dat de oubollige burgerhumor van Godijn zelf. Toch? Of is het de burgerlijkheid van dát personage? Maar uitgerekend dát personage bekritiseert des schrijvers lulligheid steeds.

Komen de twee auteurs van Hoe ik een beroemde Nederlander werd dan nergens samen? Jawel. Beide verhalen hebben dezelfde behendigheid waarmee scènes aan elkaar worden gekoppeld, in de beide verhalen zie je het gemak waarmee Godijn zijn personages naar de wereld laat kijken, alles koppelt aan hun ervaringen en voorkeuren. Maar het verhaal van Wilfried is gefocust, heeft een harde emotionele kern; het verhaal van de schrijver zwabbert, drijft op een leukigheid die misschien leuk moet zijn, maar zeker niet scherp is. Ik geloof best dat Wouter Godijn dat verhaal van Wilfried heeft geschreven, daar is hij goed genoeg voor, ik geloof alleen niet dat de schrijver (het personage) het ooit zo zou kunnen opschrijven. Daarvoor is hij veel te veel met zichzelf bezig.

Wouter Godijn

Hoe ik een beroemde Nederlander werd

Atlas Contact,

219 blz., € 19,95