Als een geheel

In De lange Tweede Wereldoorlog rekt Peter Romijn de oorlogsjaren op tot aan de Indonesische onafhankelijkheid in 1949. Maar op dat moment was de dekolonisatie nog maar net begonnen.

Menteng Pulo in Jakarta, Indonesië. Nederlands ereveld voor slachtoffers uit de Japanse kampen en Nederlandse soldaten die zijn gesneuveld tijdens de politionele acties © Martin Roemers/ HHMartin Roemers/ HH

Op dit moment is lezen en schrijven over wat er 75 jaar geleden gebeurde anders dan tot voor kort. De reden ligt voor de hand: sommige van die gebeurtenissen hebben opeens actuele, welhaast fysieke betekenis. Dat geldt niet voor wat vermoedelijk het meest essentiële kenmerk van de Tweede Wereldoorlog is: geweld. Tegelijkertijd weerspiegelt veel van ons heden zich in dat verleden, waarvan de belangrijkste overeenkomsten zich in één of twee woorden laten vatten, denk ik: onzekerheid, onveiligheid.

Daarom ook vraag ik me af of een boek zoals Peter Romijn zojuist over de Tweede Wereldoorlog publiceerde in de toekomst nog op deze wijze geschreven zal worden. Geschiedschrijving is immers altijd een combinatie van twee grootheden: de gebeurtenissen uit het verleden en de perspectieven van het heden. Wat betreft die eerste zijn de veranderingen op den duur veelal gering. Natuurlijk, nieuwe feiten worden bekend, onverwachte bronnen duiken op, kennis wordt uitgebreid en verdiept. Van veel meer invloed op de beeldvorming is een eventuele verandering van perspectief en het is zeer wel denkbaar dat ook onze corona-ervaring daartoe zal leiden. Onmiskenbaar in ieder geval is dat het boek van Romijn van zo’n perspectiefwisseling de sporen draagt. Aanleiding in dit geval is het sinds enkele jaren almaar bitterder wordende debat over Nederlands omgang met de voormalige koloniën, in het bijzonder Nederlands-Indië.

‘Tot voor kort gold de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog als een ongelukkige nasleep van de Tweede Wereldoorlog’, schrijft Romijn aan het begin van De lange Tweede Wereldoorlog. ‘Toch ligt het veel meer voor de hand de dekolonisatie te zien als deel van de historische fase waarin sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een nieuwe internationale orde gestalte kreeg.’

Vandaar dat hij voorstelt ‘zijn’ Tweede Wereldoorlog niet in 1945 maar in 1949, met de Indonesische onafhankelijkheid, te laten eindigen. Door de Duitse inval werd Nederland uit een langdurig tijdperk van splendid isolation gehaald, om vervolgens deel uit te maken van een internationale orde waarin zoiets achterhaalds als een koloniaal rijk niet langer paste. Dat is volgens Romijn één reden om het tijdperk van de Tweede Wereldoorlog tot 1949 op te rekken. De tweede reden staat hier haaks op en is dat het optreden van Nederland en de Nederlanders tijdens de Indonesische vrijheidsstrijd niet te begrijpen is zonder de ervaring van de Tweede Wereldoorlog. In één, versimpelende zin gezegd: de oorlog verruwde land en bevolking, van die verruwing zouden de Indonesiërs de gevolgen ondergaan.

Tot slot is er nog een derde reden om de duur van de oorlogstijd op te rekken. Die ligt niet bij de gebeurtenissen, maar bij het verhaal daarvan, bij ‘de verbindingen die Nederlanders in het decennium van de Lange Tweede Wereldoorlog legden tussen ervaringen uit het verleden, de morele uitleg van het heden en verwachtingen van de toekomst’. Volgens Romijn, anders gezegd, is het spreken van een lange Tweede Wereldoorlog te meer gerechtvaardigd omdat in die periode een zelfbeeld ontstond dat gedurende lange tijd bepalend was voor onze collectieve identiteit.

De oorlog verruwde land en bevolking, van die verruwing zouden de Indonesiërs de gevolgen ondergaan

Aldus kader en context van dit boek. Het merendeel van de inhoud is prozaïscher en doet weinig anders dan het verhaal van de Tweede Wereldoorlog nogmaals vertellen, zij het op een relatief hoog abstractieniveau. Dit betekent dat de belangrijkste gebeurtenissen weliswaar wederom genoemd worden, maar niet als zodanig en niet in de chronologische volgorde die veelal gebruikelijk is. Ze zijn illustraties van een thema. Daarvan onderscheidt Romijn er vijf: Nederland en de wereld vóór 1940, Bezetting, Shoah, Bevrijding én Oorlog in Nederlands-Indië. Tot op zekere hoogte is deze indeling traditioneel, met als belangrijkste verschil dus dat de overzeese gebeurtenissen op hetzelfde niveau geplaatst worden als die in Nederland. Vervolgens bespreekt Romijn binnen deze hoofdstukken de volgens hem belangrijkste fenomenen – niet gebeurtenissen, die zijn, nogmaals, ‘slechts’ illustraties. Om die reden zou je met betrekking tot dit boek van een zekere ‘sociologisering’ van het oorlogsverhaal kunnen spreken: het gaat hier niet om de feiten, maar om wat daarachter schuilgaat.

Een dergelijke aanpak spoort met een ontwikkeling die binnen de historiografie gewoon is. Naarmate de tijd verstrijkt en de feiten beter bekend zijn, splitst het verhaal zich in twee geheel verschillende richtingen. De ene vertelt kleine gebeurtenissen en bekommert zich nauwelijks om interpretatie of ‘het grote plaatje’. De andere richting doet dat juist wel en vertelt dus weinig of geen details. Het mooiste zijn wat mij betreft de boeken die slagen in een combinatie van deze twee, maar die zijn zeldzaam – en moeilijk om te schrijven. Romijn lijkt aan het begin van zijn verhaal, met het noemen van een reeks namen van personen die de relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië aan den lijve ervoeren, eventjes die richting op te gaan. Hij doet het niet, helaas, en kiest voor een aanzienlijk abstractieniveau.

Een aardig voorbeeld van dat niveau zijn de passages die hij wijdt aan de klassieke (‘calvinistische’) deugden van volgzaamheid en gehoorzaamheid. Vóór de oorlog maakten deze deugden deel uit van een maatschappelijk systeem dat alom als rechtvaardig en democratisch werd gezien. Maar binnen de context van de bezetting konden diezelfde deugden moorddadige betekenis krijgen. Bijvoorbeeld bij ambtenaren die uit een soort Befehl ist Befehl-houding precies deden wat hun opgedragen werd, met een duizendvoudige dood tot gevolg. In deze zin filosofeert Romijn op basis van historische feiten over veel zaken: geweld en conflict, loyaliteit en opstandigheid, slachtofferschap en repressie, beschaving en democratie, doel en middelen, oftewel de politiek van het mindere kwaad.

Nieuws brengt hij hiermee zelden. Wél plaatst hij een aantal zaken fraai in context. Bijvoorbeeld het dilemma waarbij je in een oorlogssituatie gedwongen kunt worden te kiezen uit twee kwaden en het minste kwaad vervolgens als deugd aanprijst – wat het vanzelfsprekend niet is. Aldus botsen pragmatisme en moraal en ontstaat ruimte voor een oeverloos debat, waaruit vanuit het perspectief van de nuchtere toeschouwer veelal blijkt dat er twee gelijken zijn: aan de ene kant het praktische gelijk van de tijdgenoot die kiezen moet tussen twee kwaden, aan de andere kant het morele gelijk van de buitenstaander (een tijdgenoot of van een latere generatie) die zich slechts om de theorie hoeft te bekommeren. Als geschiedschrijver van de Nederlandse burgemeester in oorlogstijd kent Romijn dit dilemma beter dan wie ook.

Dit alles gezegd kan ik niet anders dan terugkomen op Romijns centrale stelling: dat we er goed aan doen de jaren veertig als een geheel te zien, één lange periode van oorlog. Volgens mij is dat om meerdere redenen een onverstandige suggestie en is het beter de gebruikelijke chronologie te handhaven. De eerste reden hiervoor is dat het weliswaar juist is dat er vanuit de ervaring van tal van Nederlandse politici nogal wat spraakmakers (zoals Henk van Randwijk), Indiëgangers in vele soorten en maten én uitgezonden soldaten een rode lijn loopt van Tweede Wereldoorlog naar Indonesische Vrijheidsoorlog, maar dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking het zo toch niet beleefd heeft. Nederlands-Indië was voor hen uiteindelijk iets van ver weg, en al lazen en spraken ze erover, andere zaken hielden hen in de naoorlogse jaren veel sterker bezig: wederopbouw, huisvesting, armoede, zuivering, vernieuwing. Je zou eventueel kunnen betogen dat de aandacht voor deze zaken een andere reden is om het einde van de oorlog later te leggen dan in mei 1945, maar dan toch niet in 1949. Wel eerder, bijvoorbeeld in 1947. Of later, in 1955, toen de naoorlog definitief voorbij was en een periode van groei begon.

In Romijns chronologie van een lange oorlog wreekt zich volgens mij een combinatie van twee perspectieven. Het ene is het klassieke perspectief van politiek en maatschappelijke organisatie. Voor dit laatste heeft Romijn altijd veel belangstelling gehad. Terecht. Tegelijkertijd worden politiek en organisatie in de moderne geschiedschrijving toch veelal als niet meer dan een zoveelste invalshoek gezien. Het tweede perspectief dat Romijn tot zijn visie aanzette, is de aandacht die in afgelopen jaren aan het Nederlandse geweld in Nederlands-Indië is besteed. Die aandacht is terecht, goed en nuttig, maar volgens mij geen reden om de traditionele chronologie van de oorlogsgeschiedenis op Nederlands grondgebied overboord te gooien. Wil je dat toch en dus een vorm van global history bedrijven, dan is er eveneens weinig reden de eindgrens in 1949 te leggen. Op dat moment was de dekolonisatie nog maar net begonnen. Hij eindigde pas, indien überhaupt, in de jaren zestig. Zou je de oorlog dan niet nog veel langer moeten oprekken? En als je hierbij vervolgens ook nog, zoals Romijn doet, de verwerking van ervaringen, actuele moraal en toekomstperspectieven betrekt en bekijkt hoe vaak we het zelfs tegenwoordig nog over de Tweede Wereldoorlog hebben, dan kun je bijna beweren dat de oorlog nog steeds niet afgelopen is. Dat is evident absurd.

Nog een reden, tot slot. Die heeft te maken met een volgens mij veel te fraai beeld van het eigen verleden. Meerdere keren stelt Romijn dat de ervaring van de Tweede Wereldoorlog Nederland verruwd heeft. ‘Dit boek laat zien dat Nederlanders in de jaren 1940 in zoverre hun onschuld hebben verloren, dat ze hebben geleerd te wantrouwen, te vrezen, te bedriegen, te stelen, te overvallen, te doden, en te moorden.’ Ik waag hierbij dikke vraagtekens te plaatsen. Nederlanders waren vóór 1940 niet zo onschuldig, veeleer past het naoorlogs optreden in Indonesië in een lange traditie, waarin zowel de verhoudingen als de pogingen tot handhaving daarvan altijd dezelfde zijn geweest.