Bekeerd tot Munro

Als een gevangene

Om het eerst eens van een ander te horen: «Alice Munro is een groot schrijfster. Ze schrijft zo goed als Tsjechov, De Maupassant, Mansfield, Kipling en de Flaubert van de Trois contes. Ze heeft subtiele veranderingen aangebracht in de mogelijkheden van het korte verhaal…»

Medium slaapkamer2

Aldus de Engelse romanschrijfster A.S. Byatt in een inleiding bij een verhalenbundel van Munro. Ze hoefde me de woorden niet uit de mond te halen, dat had ik zelf al gedaan na het lezen van Runaway, de laatste verhalenbundel van Munro. Acht verhalen van hoog tot zeer hoog niveau, zonder uitzondering. Hoe lang was het geleden dat ik zoiets als lezer had meegemaakt bij een schrijver van wie ik tot dan toe nauwelijks gehoord had? Het moet bij het debuut van F.B. Hotz, Dood weermiddel, uit 1976, zijn geweest.

De verhalen van Munro en Hotz hebben, bij alle verschillen, toevallig ook enkele kenmerken gemeen: de (vaak forse) lengte en de structuur. Ze beperken zich niet tot een geïsoleerd incident, of een glimp van de werkelijkheid, maar overspannen vaak hele mensenlevens.

Ik hoef meestal maar één verhaal of roman van een schrijver te lezen om bij toverslag te weten dat ik álles van hem zal gaan lezen – of niets. In dat opzicht kan ik bij Munro nog wel even vooruit, want ze heeft zo’n honderd verhalen geschreven.

Het verhaal dat mij tot Munro bekeerde, was het titel- en openingsverhaal van Runaway. (Ik gebruik hierna de vertaling van Pleuke Boyce, die het verhaal Runaway tot Weg omdoopte en de bundel naar een ander verhaal, Stilte, vernoemde.) Dit verhaal is een wonder van suggestiviteit en onontkoombaarheid.

Op de cover van de Nederlandse vertaling staat een reproductie van Compartment C, Car 293, een schilderij van Hopper, waarop een vrouw in het isolement van een treincoupé zit te lezen. Een goede keus van de ontwerper, want de vrouwen bij Munro zijn vaak nogal geïsoleerde figuren die wanhopig naar enig houvast zoeken. Hun isolement wordt soms juist binnen een relatie voelbaar, wat het nog schrijnender maakt

Dat zien we ook gebeuren bij Carla, de jonge heldin van het verhaal die zo weinig heldhaftig zal eindigen. Ze brak al als achttienjarige met haar ouders, maar zocht meteen haar toevlucht bij Clark, een oudere en nogal labiele man. «Ze had hem als de architect van hun toekomstige leven gezien en haarzelf als de gevangene, waarbij haar onderwerping zowel juist als heerlijk was.» Samen leiden ze op het platteland een kwijnende manege. Carla doet een halfslachtige poging met Clark te breken. Als ze per bus naar Toronto vlucht, valt ze ten prooi aan een wilde paniek. «Ze kon het zich niet voorstellen», schrijft Munro. «Zoals ze in de metro of de tram zou zitten, voor nieuwe paarden zou zorgen, met nieuwe mensen zou praten en iedere dag tussen een heleboel mensen zou leven die Clark niet waren (…) Het vreemde en vreselijke iets dat ze begon te bevroeden over deze toekomstige wereld, zoals ze die nu voor zich zag, was dat ze er niet zou bestaan. Ze zou er alleen in rondlopen, haar mond opendoen en dingen zeggen, van alles en nog wat doen. Ze zou er niet echt zijn.»

Ze was weggelopen van Clark om zichzelf te vinden, maar alles wat ze vond was een vacuüm waarin haar levensangst gierde. Ze moest terug, er zat niets anders op.

Tot zo ver is er voor de lezer nog weinig opzienbarends gaande – totdat Munro het geitje Flora uit de coulissen het podium op schuift. Het geitje Flora! Ik geef toe dat het nog niet erg veelbelovend klinkt, maar juist door deze wending verleent Munro haar verhaal een onthutsende dimensie. Dat lukt haar vaak: zonder enige geforceerdheid voorbij de helft een nieuw dramatisch element introduceren, waardoor het verhaal de lezer naar zich toe zuigt.

Flora, het lievelingsdier van Carla, zal niet meer uit de herinnering verdwijnen – noch bij Carla, noch bij de lezer. Ik zal hier niet onthullen wat er precies gebeurt, maar het is duidelijk dat Carla na deze geschiedenis moet leven met een ondraaglijke last. Ze weet nu wat ze aan haar vriend heeft: iemand die kwaad met het ergste kwaad zal vergelden. Maar ze durft niet in opstand te komen: «Het leek dat er een dodelijke naald ergens in haar longen zat en dat als ze voorzichtig ademde ze hem niet zou voelen.»

Clark was inderdaad de architect van haar leven geworden, maar de onderwerping was voor «de gevangene» allesbehalve «juist» en «heerlijk» gebleken. Die gevangene was, niet toevallig, een vrouw – die als zo veel vrouwen even haar leven in eigen handen leek te nemen, maar niet durfde door te zetten. Carla staat de sleutel van haar bestaan definitief af aan haar vriend-cipier. Ik moest ook aan het verhaal Queenie in een andere bundel denken, waarin Munro een vrouw tegen haar zus laat zeggen: «Mannen zijn niet normáál, Chrissy. Dat is één ding dat je leert als je ooit gaat trouwen.»

Samengevat zou zo’n verhaal op een feministisch traktaat kunnen lijken, maar dat is het laatste waar ik bij de verhalen van Munro aan moet denken. Ze is geen ideoloog, maar een schrijver. Haar personages belichamen geen ideeën, maar alleen zichzelf, plus de lezer die zich met hen identificeert. Daardoor blijf je haar verhalen diep onder je huid voelen, ook als je voorzichtig ademhaalt.