Als een grote jongen

Glasgow, 1980 © Raymond Depardon / Magnum Photos / ANP

Als Shuggie Bain, een elfjarig jochie dat worstelt met zijn ontluikende homoseksualiteit, op oudjaarsnacht 1982 alleen thuis is in een achterstandswijk in Glasgow en hij zijn moeder nergens kan vinden, loopt hij naar de telefoon. Hij drukt op de ‘herhaalknop’, hoort aan de andere kant van de lijn harde muziek, en krijgt na een tijdje zowaar zijn moeder te spreken. ‘Toen ik jong was zeiden ze allemaal dat ik nog heel veel feestjes zou krijgen’, zegt ze. ‘Waarom moet je het nou weer voor me verpesten?’

Shuggie realiseert zich dat opnieuw bellen geen zin heeft, en dus achterhaalt hij het adres van het feest – uit het boekje vol namen die zijn moeder van AA–bijeenkomsten kent. Hij belt een taxi, wrikt met een broodmes wat muntjes uit de tv-meter, zoals zijn moeder gewoonlijk doet, en gaat naar haar toe. Want: ‘Het was gewoon niet eerlijk dat ze hem allemaal zomaar in de steek lieten als ze daar zin in hadden.’

Een sterke scène, juist doordat alles zo gewoontjes staat opgetekend, in zinnen zonder franje of beschouwende terzijdes. Dit is de wereld zoals de sensitieve Shuggie hem kent. Een soms totaal afwezige moeder. Een vader op wie hij nooit hoeft te rekenen, en ook verder niemand die zich serieus om hem bekommert. Shuggie wordt er niet boos om: voor hem is dit normaal. En dus heeft hij niet door dat hij zich nu als de ouder gedraagt en zijn moeder zich als het losgeslagen kind. En dus trekt hij zich niet terug in zelfbeklag maar komt hij juist in beweging, zoals hij elders in deze roman ook heel actief probeert normaal te zijn.

Shuggie Bain is een vitaal boek, dat drijft op handelingen en overtuigende dialogen (inclusief soepel vertaald dialect). Het kan niet anders of die scenische kracht overtuigde de jury van de Booker Prize, waarmee Shuggie Bain afgelopen jaar verrassend bekroond werd – al zal het beslist hebben meegespeeld dat Shuggie opgroeit in zo’n arm en ongeletterd milieu, het soort subgemeente waar gewoonlijk vooral over gesproken wordt, en waar hoogstwaarschijnlijk flink tegen de Brexit is gestemd. Thatchers bewind is op de achtergrond steeds voelbaar; Shuggies omgeving bestaat uit mijnwerkers en vloekende voetbalkijkers, uit doeners in plaats van denkers.

'Shuggie Bain' is een groots opgezette, bruisende schets van een vergeten klasse

Daar volgen we Shuggie tijdens meerdere episodes uit zijn jeugd, vooral uit zijn vroege tienertijd. Hij is een klassieke outsider, bijna een literair oertype; iemand bij wie de schaamte altijd suddert en die zelfs door leeftijdgenoten binnen zijn eigen klasse wordt bekeken met ‘een mengeling van verbazing en verachting’.

Toch gaat dit debuut niet hoofdzakelijk om een dolende eenling, de greep van Douglas Stuart (1976) is groter, en dat valt te prijzen. Regelmatig wisselt hij van perspectief, soms zelfs licht verwarrend midden in een scène, waardoor de roman uitwaaiert in diverse richtingen en illustreert hoezeer armoede soms niet in een individu besloten ligt, maar in een hele stamboom. We kijken door de ogen van Shuggies starre grootouders, van zijn vader (een overspelige, agressieve taxichauffeur) en van zijn verslaafde moeder natuurlijk, de tweede hoofdrolspeler uit dit boek.

Hoe onmogelijk deze Agnes zich ook gedraagt, ze probeert werkelijk af te kicken. Maar ze oefent een grote aantrekkingskracht uit op elke vorm van tegenspoed, ook omdat ze zich heeft overgeleverd aan een manipulator eersteklas. Als ze aan het begin van de roman hoopvol verhuist, voelt ze bij aankomst in haar nieuwe buurt al dat ook nu haar bestaan niet plots extra kleur zal krijgen. Pal voor haar verschijnen ‘de saaiste, deprimerendste huizen die Agnes ooit had gezien’.

Pijnlijk en inzichtelijk geschetst, dat onvermogen om de eigen ellende te ontvluchten. Al moet gezegd: stilistische lenigheid gaf vermoedelijk niet de doorslag bij de Booker-toekenning, want Stuart is geen subtiele schrijver. Meer dan eens lijkt hij te vrezen dat cruciale sentimenten uit zijn verhaal niet helemaal overkomen, waarna hij ze preventief maar met een marker onderstreept. Door het hele boek heen duiken er nogal plompverloren mededelingen op, midden in verdere stevige scènes: ‘de moed zonk hem in de schoenen’; ‘trieste, egocentrische tranen van zelfbeklag welden op in haar ogen’ – taal die van elke suggestieve of beeldende kracht is ontdaan.

Maar je kunt je afvragen hoe erg dat is. Mij stoorde het in elk geval weinig; Stuart heeft gewoonweg geen roman geschreven die draait om de meest effectieve formuleringen of de mooiste metaforen, in plaats daarvan richt hij zich op een groots opgezette, bruisende schets van een vergeten klasse. En ja, het leven daar zit vol teleurstelling – wanneer Agnes na intensief afkicken er toch nonchalant toe wordt gedwongen weer te gaan drinken, wanneer Shuggie een paar ferme tikken krijgt en zich tot in zijn vezels anders voelt – maar uiteindelijk heeft de belangrijkste relatie in het verhaal juist iets innemend warms. De liefde tussen Shuggie en Agnes is onvoorwaardelijk en groots, en tegelijkertijd nergens zoetsappig. Zoon en moeder zitten aan elkaar vast, al is het maar omdat de rest van de wereld geen oog voor hen heeft.

Ook om die reden grijpt Shuggie naar de telefoon zodra ze weg is. En ten slotte vindt hij haar op dat feestje, tussen de morsige en zuipende volwassenen, onder een stapel jassen. ‘Aan haar kleine oogjes kon hij zien dat ze niet meer dronken was.’ En dan, een zinnetje waar eigenlijk het hele verhaal in besloten ligt: ‘Van schrik hield hij zelf op met huilen en hij probeerde zijn schouders te rechten, als een grote jongen.’