Als een kamer door de nacht

Straks zorgen we langer voor onze ouders dan voor onze kinderen. Waarom ik ‘straks’ schrijf weet ik niet.

Straks ben ik er zelf niet meer, en ik zit er nu midden in. Nu het weer vroeger donker wordt, en iedereen in de loop van de middag de lichten opsteekt, zie ik vlak voor ik de sleutel in de eigen voordeur steek mijn geschiedenis weerspiegeld in de kamer van mijn buren. ‘Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, in ’t glas ijl en doorzichtig’ hoe vastgeklonken onze werelden zijn. Mijn buurjongetjes zitten aan tafel, de jongste ingeklemd in een triptrapstoel, zijn vader snijdt voor hem de maaltijd in hapklare brokjes, eet hij zelf niet dan wordt hij gevoerd. Ons kind is de tachtig gepasseerd, ze zit tussen ons in, haar zoon snijdt haar eten, brengt het geduldig naar haar mond.

Een boek waar ik vaak aan terugdenk is De reis naar het kind van Vonne van der Meer, dat in 1989 verscheen. Julia verlangt zo naar een kind dat ze naar Peru afreist om er een te kopen. Aldaar wordt ze het slachtoffer van een vuige mensenhandel. In plaats van een baby krijgt ze een tandeloze oude man in haar schoot geworpen, alleen in zijn hulpeloosheid lijkend op een baby. Julia accepteert de consequentie van haar eigen verlangen, en neemt – tot afgrijzen van haar omgeving – die bejaarde voor lief.

Omdat ik een boekhouder ben, kan ik mijn verse leeservaring terugvinden. Het was het eerste boek van Vonne van der Meer dat ik las, en ik schrijf dat ik het impulsief had gekocht nadat ik een interview met de schrijfster had gelezen. Dat ik sowieso al eens wat van haar had willen lezen omdat Rudy Kousbroek over haar gezicht had gezegd dat hij dát nou een mooi, lief en intelligent gezicht vond. Er was een tijd dat alles wat Kousbroek zei of schreef heilig was.

‘Vind jij een vrouw zonder kinderen tragisch?’ vraagt een vriendin aan me

Wat ik níet opschrijf, maar wat ik weer weet als ik deze aantekeningen lees – waarmee maar weer eens bewezen is dat elke vorm van dagboek de schrijver herinnert aan wat hij heeft verzwegen of verdraaid, en voor ieder ander een onbetrouwbare informatiebron is – is dat ik op grond van dat interview had gedacht dat dit boek mij zou kunnen helpen. Ik was 29 en wist niet of ik aan kinderen zou durven beginnen.

‘Vind jij een vrouw zonder kinderen tragisch?’ vraagt deze week een vriendin aan me. Toevallig of niet, maar zij is 29. De wereld raast door, maar in het lichaam van de vrouw huist een prehistorisch beest dat zich in het zicht van het dertigste levensjaar begint te roeren. Zo ook in dat van haar, maar vooralsnog is ze van plan het beest de kop in te drukken. We zitten in De Jaren in Amsterdam, wijn te drinken, ossenworst en olijven te eten. Ik vind het een moeilijke vraag, stop nog maar eens een olijf in mijn mond.

Ook genoteerd: de ruzie die ik kreeg met mijn toen-beste vriendin. Eenmaal zwanger – ik, zij niet – ervoer zij het als kwetsend dat ik zei het moederschap niet te zien als levensvervulling. Ik probeerde de zwangerschap denk ik kleiner te maken, voor haar, maar ook voor mezelf. We kwamen er niet uit. Het is makkelijk relativeren als je eenmaal iets hebt, en de ander niet. Categorie: eindelijk aangespoeld de lof van de woeste wateren bezingen. Ik beging ook nog eens de fout om haar De reis naar het kind cadeau te doen. Mij had het inderdaad geholpen, maar zij voelde zich voor gek gezet. Ik heb het boek nooit meer durven inkijken, bang dat ik opeens vernietigende regels zou zien. Nu pak ik het uit de kast, en vind al gauw de bladzijden die ik toen relativerend vond. Nu jagen ze me angst aan, zo indringend als de fysieke schrik van Julia wordt beschreven als ze beseft wat daar knikkebollend op haar zit te wachten, en de nieuwe betekenis van tandeloosheid tot haar doordringt, de donzigheid van een schedel. ‘In de stoel zat geen baby, geen kleuter, geen jongen. De man naar wie zij zich voorover boog en die zij nu recht in het gelaat keek, was ouder dan haar vader toen hij stierf, veel ouder.’ Er is zoveel weerzin die ze moet zien te overwinnen.

Mooie trui heeft ze aan, de 29-jarige vriendin. Wit staat haar goed. Straks stapt ze op de fiets, een vriend is jarig. Morgen reist ze een liefde achterna. Of niet. Ze weet niet wat regeert, hoofd of hart. ‘Daar zie ik ook mezelf.’ Wat kan ik haar anders zeggen dan dat ik een vrouw mét kinderen ook niet per se níet-tragisch vind?