Als een kamer door de nacht

Beangstigend, de futuristische wereld die Rob van Essen zo knap licht schetst in De goede zoon. En toch zo’n logisch vervolg op de huidige.

Henn na Hotel in Sasebo, Nagasaki Prefecture, Japan © Akio Kon / Bloomberg via Getty Images

De nieuwe roman van Rob van Essen speelt zich af in een nabije toekomst waarin robotten een deel van het mensenwerk hebben overgenomen. Van Essen is een van de weinige schrijvers die het zich kan veroorloven om behalve robotten ook futuristische gadgets als palio’s – nóg weer meer kunnende en vooral wetende persoonlijke tablets – sprekende en zelfrijdende auto’s, analyserende bedden en toiletpapier met scanfunctie op te voeren in zijn verhaal, zonder niet-in-scifi-geïnteresseerden te verliezen. De wereld waarin hij zijn personages neerzet in De goede zoon is in zijn behandeling een logisch vervolg op de wereld waarin we nu leven. Logisch, en nogal absurd, op het angstwekkende af. Ons handelen en denken wordt van buiten- of bovenaf in de gaten gehouden; we zijn open boeken geworden waarin anderen zomaar kunnen bladeren. We besteden werk uit om tijd over te houden, maar voor wát? We hoeven zelf geen auto meer te rijden, dat doet de auto voor ons. Robotten zijn zozeer vermenselijkt dat de hoofdpersoon ze soms op een zekere ironie denkt te betrappen, zeker als hij ze achter de hotelbalie treft. Zorgrobo’s doen hun werk zonder zelf precies te weten wat ze moeten doen. Sinds de invoering van het basisinkomen is iedereen aan het schrijven geslagen, maar dan ook echt iedereen. Robo’s kunnen ook aardige verhalen produceren, in verschillende talen tegelijk nog wel, maar iedereen wil zelf schrijven en de lezers die nog over zijn willen iets wat door een mens gemaakt is, iemand zoals zij zelf zijn. De droefgeestige en sardonische bespiegelingen die Van Essen loslaat op de toekomstige mens en diens omgeving zetten het leven nú – en wat het betekent om mens te zijn – in een scherp, treurig en uiteindelijk meedogenloos licht.

Het is een gecompliceerd, veellagig boek, De goede zoon, met een verteltoon die uit alle macht lichtheid blijft nastreven, grappigheid soms, en een diepere betekenis die voortdurend nét onder het oppervlak schuilgaat. Kenmerkend voor het type nabije wijsgerigheid waarop de schrijver ons vergast, is dat zijn verhaal begint bij de kassa van de Albert Heijn. Alsof hij wil zeggen: wat er ook gebeurt, van de Albert Heijn komen we nooit af. Al ligt er vanwege de ‘schrale tijden’ nog maar weinig in de schappen. En is het na de invoering van het basisinkomen alleen nog maar te danken aan subsidieregelingen dat er in de Albert Heijn nog caissières zijn in plaats van afleesrobo’s. Het is een van de manieren om jongeren aan het werk te houden, omdat ze anders tot lethargie en misdaad zouden vervallen. ‘Robotisering en basisinkomen werken alleen maar voor de geletterde middenklasse die musea platlopen en eindelijk eens al die boeken kunnen gaan lezen die ze de afgelopen decennia op aanraden van recensenten en boekenpanels hebben gekocht, jongeren gaan er massaal van uitslapen en plunderen, omdat ze het idee hebben dat toch alles gratis is.’

Die bevoorrechte middenklasse heeft niets meer te doen en maakt dankbaar gebruik van de actie van Nederland Leest, die hen gratis het Natuurdagboek van Nescio in de schoot werpt. En masse trekken de verveelde cultuur- en natuurminnaars de weilanden in om de lichtval op een bruggetje te bekijken. De verteller vermoedt een langdurig en precies voorbereid complot, zoals in ieder geval een deel van de mensheid richting contemplatie en bezinning is gemasseerd via meditatie en mindfulnesstrainingen. Juist voor deze groep verdwenen immers de banen het snelst. Ook moet niet worden uitgesloten dat de moslims erachter zitten, om ons definitief te verzwakken en over te nemen. Maar dit is Van Essen en niet Houellebecq, en dus hebben we hier te maken met spotlust, en niet met apodictische waarschuwingen. Lethargie en stijgend museumbezoek lagen niet eerder zo natuurlijk in elkaars verlengde. Net als doelloosheid. Men vraagt niet meer aan elkaar wat voor werk de ander doet, maar informeert wat iemands bezigheden zijn.

Waarom zit niet iedereen thuis, zo vraagt de verteller zich af als hij tegen zijn zin in een zelfrijdende auto belandt, want dat is ook zoiets: het autoverkeer is elektrisch, grotendeels zelfbesturend, desondanks soms suïcidaal. Zelf zit hij pas sinds kort zonder werk. Hij schreef een redelijk goed lopende serie ‘plotloze thrillers’, maar zijn uitgeverij heeft het laatste deel afgewezen. Zoals het probleem van de uitgever wordt geformuleerd, lijkt het een bezwaar tegen het boek dat de lezer nu in handen heeft: te veel sciencefictionelementen, te veel plot, met bovendien een hoofdrol voor zijn vroegere baas Bonzo over wie hij had moeten zwijgen.

De afwijzing van zijn uitgever is kenmerkend voor de tamelijk ontregelde staat waarin hij verkeert, naakt en ongewapend, zoals hij zelf met afgrijzen constateert. Onlangs overleed zijn moeder, op honderdjarige leeftijd. Twintig jaar lang bezocht hij haar wekelijks in het verzorgingstehuis waar ze dement zat te wezen. Zoveel moeite gedaan zichzelf wat redelijkheid en compassie bij te brengen, om er als beleefde zestiger achter te komen dat hij toch het liefst een willekeurige passant bij de Albert Heijn neer zou willen knallen.

‘Waarom hebben we geen werkelijkheid waar we onze herinneringen kunnen bezoeken?’

Een telefoontje van oud-collega Lennox zorgt ervoor dat hij uit de luie stoel komt die van zijn moeder is geweest. Het idee is dat ze hun beider baas van vroeger opzoeken, om hem te helpen zijn geheugen te hervinden. So much voor de plotloze thriller.

Zoals we inmiddels van Van Essen gewend zijn, laveert hij in zijn fictie tussen droom en werkelijkheid, een ‘echte’ en een bijna magische wereld. ‘Het regent, we rijden door natte achtergronden van oude schilderijen, alsof de wereld een museum is waar op de bovenverdieping de waterleiding is gesprongen.’ Die magie wordt nu gesitueerd in een toekomstige wereld, waarover de verteller zich blijft verbazen. Alsof hij hier zelf niet thuishoort, wat in zekere zin ook zo is, want zoals hij zelf zegt: hij is zestig en heeft geen kinderen. Zit je als je ouder wordt sowieso al niet meer in je eigen wereld, zonder kinderen verleng je die wereld ook niet meer. Bovendien behoort hij tot de tussengeneratie, volwassen geworden zonder internet en toebehoren en daardoor altijd op distantie van al die ‘gimmicks’ gebleven. ‘We doen volop mee maar ons leven is het nooit helemaal geworden.’

De zevendaagse reis geeft de vertelling haar structuur en de verteller een natuurlijke gesprekspartner. Aanvankelijk is dat dus Lennox, met wie hij terugblikt op hun gezamenlijk arbeidsverleden bij het Archief en later bij een voormalig klooster dat schijnbaar dienst deed als centrum voor retraites maar waar een overheidsdienst aan geheime projecten werkte. Deze hadden iets te maken met het creëren en het doen verdwijnen van het menselijk geheugen. Dat de verteller uiteindelijk zelf ook slachtoffer van een dergelijke operatie zal worden, wordt hem verteld tijdens het tweede deel van zijn reis. Samen met de robot die zijn auto bestuurt, en die fungeert als chauffeur, leidsman en vertrouweling, komt hij in steeds onbekender en onherbergzamer oorden terecht, waar brandjes woeden en soms andere pelgrims op weg lijken. Het ontbreken van een stuur ervaart hij langzaam als een zegen: ‘ik word vervoerd en kan niet tussenbeide komen, ik moet me overgeven aan wat er gaat gebeuren’. Lennox had hem al duidelijk gemaakt dat zijn hele levensloop, zijn schrijven, zijn medewerking aan een soapserie, het overlijden van zijn therapeut, allemaal achter de schermen was bedisseld. De tocht brengt hem in gedachten terug bij zijn gereformeerde jeugd, zijn eerste geliefde en vooral bij zijn moeder die haar hele leven bang is geweest, behalve tijdens haar laatste demente jaren. Zoals hij vroeger bijna hóópte dat zijn moeder eigenlijk undercover was in plaats van dat ze die gedienstige en godvrezende huisvrouw-‘tegen de klippen op’ was, zo gunde hij het haar ook toen ze in de gemeenschappelijke ruimte zat te suffen dat ze het allemaal spéélde, dat de dementie een actieve ontsnappingstruc was. ‘Ik had het haar gegund maar uiteindelijk had ik het vooral mezelf gegund, als alles maar anders was geweest.’

‘De goede zoon’, what’s in a title, is vóór alles het verhaal van een zoon die zijn moeder langzaam uit het leven heeft zien verdwijnen. De hellevaart waartoe hij wordt veroordeeld spiegelt de hellevaart die hem in het vooruitzicht is gesteld in zijn zwaar gereformeerde jeugd. En is het niet de hand van God die het leven bestiert, dan zijn het wel de machinaties van een ander soort verborgen macht die ook hem in de mal van predestinatie hebben gedwongen. Het geheugenverlies waar hij op afstevent, spiegelt de dementie van zijn moeder. Naarmate de vertelling het einddoel nadert begint die telkens strakkere cirkels te draaien rondom kwesties van beschikking en zelfbeschikking, herinneren en vergeten. ‘Overal waar je geweest bent zou je moeten kunnen blijven, je zou er in ieder geval een versie van jezelf moeten kunnen achterlaten die je nog eens zou kunnen opzoeken.’ En: ‘Waarom hebben we geen werkelijkheid waar we onze herinneringen kunnen bezoeken; waarom heb je een geheugen als je niet terug kunt?’

In zijn woordkeuze, en in de manier waarop hij parallelle werelden oproept van droom en realiteit echoot Van Essen de mystiek van het gedicht Afsluitdijk van Vasalis, dat begint met ‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’ en eindigt met ‘Er is geen einde en geen begin/ aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,/ alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.’

Twintig jaar lang elke week dezelfde tocht maken naar zijn moeder heeft niet kunnen voorkomen dat hij ouder is geworden. ‘Ik ben geen langgerekt heden, kijk maar, de trams zijn veranderd, je moeder is dood, hoe heb je tijdens de kleine Grote Reis in Identieke Delen het uitzicht vanuit trein en bus niet zien veranderen.’ De roman evenaart Vasalis’ gedicht in een helder soort raadselachtigheid, een verdrietig existentieel besef, en ja, zonder meer, in zijn schitterende kracht.