‘Platero y yo’, Juan Ramón Jiménez

Als een knuffel

Het zal wel veelzeggend zijn maar ik heb iets met ezels. Het komt vermoedelijk doordat deze prachtige beestjes altijd als het summum van domheid worden gezien. Maar dat zijn ze helemaal niet. Zo vertelt B. Traven in zijn roman Das Totenschiff over het enorme verschil tussen mensen en ezels. Laatstgenoemde weigeren regelmatig idiote klussen te verrichten en als je ze dwingt, gaan ze op een gegeven moment gewoon liggen: ze doen het niet meer. Mensen daarentegen gaan altijd door, tot ze over hun nek in de stront zitten. Zij houden hoop, altijd. Wat is het slimste? vraagt Traven zich af.

Van de vele ezelverhalen uit de literatuur steekt er één met kop en schouders bovenuit. Platero y yo (Ezel en ik) is van de in Nederland zo goed als onbekende Spaanse dichter en Nobelprijswinnaar Juan Ramón Jiménez. Het verhaalt in korte, poëtische teksten over de auteur in zijn jongensjaren en zijn ezel in het Zuid-Spaanse stadje Moguer. Het beeld van de ezel is vooral lief, ontzettend lief. In de eerste regels wordt Platero voorgesteld als een knuffel, pequeño, peludo, suave, tan blando por fuera, que se diría todo de algodón, que no lleva huesos, klein, harig, zacht, zo zacht dat het lijkt alsof hij van katoen is en geen botten heeft.

Deze liefheid, gecombineerd met de fraaie impressies van mensen en dingen in een landelijke omgeving, zal verklaren waarom Platero y yo na Don Quichot het meest gelezen en meest vertaalde boek uit de Spaanse literatuur is, niets minder dan een cultboek waarvoor standbeelden zijn gemaakt en tekeningen, een museum, theater, websites, congressen en ter ere van het eeuwfeest (2014) zelfs een Platero-jaar. En dat allemaal vanwege zo’n schijnbaar stom beest. Maar ook Jiménez vindt zijn ezel niet stom, helemaal niet. In plaats van met zijn leeftijdgenoten in de klas te zitten en letters te leren, gaat hij met Platero de velden in, op zoek naar gras, bloemen, vijgen.