De verkiezingen: Mijn eerste keer

Als een Koreaan in de Walmart

Een nieuwe Nederlandse burger zoekt zijn weg in het doolhof van die prachtige democratie. Deze verkiezingen waren een geweldige kans voor verandering. Maar daar kwam niets van terecht. Meer partijen betekent, zo blijkt, niet altijd betere keuzes.

Stemlokaal in de Emmauskerk in Groningen. 17 maart © Kees van de Veen / ANP

Voor een nieuwe Nederlandse burger als ik was het stemmen tijdens de verkiezingen een opwindende ervaring. Met mijn glimmende nieuwe paspoort in de hand liep ik trots naar het stembureau in een kerkje in het Groene Hart, zette mijn krabbel met rood potlood en poseerde vervolgens voor een lachende foto voor een glas-in-loodraam met de tekst ʻGeloof, hoop en liefde’. Het voelde als een overgangsritueel: een nieuwe stap op weg naar dit land dat van mij en van jou wordt.

Er was alleen één probleem: ik had geen idee op wie ik moest stemmen. In Groot-Brittannië, waar ik ben opgegroeid, wist ik hoe het werkte: er zijn meestal maar een paar echte partijen om uit te kiezen, en het kiesstelsel betekent dat er op veel plaatsen nauwelijks keuze is. In de streek waar mijn familie vandaan komt, kwam de winnende kandidaat de afgelopen dertig jaar bijvoorbeeld van dezelfde partij. Sommige Britten veranderen bij elke verkiezing van stem, maar velen behandelen politieke partijen als voetbalteams: je kiest er een als je jong bent en blijft daar je hele leven bij.

In Nederland liggen de zaken duidelijk anders. Sommige partijen zijn altijd wel verzekerd van steun, maar het politieke landschap verandert voortdurend. Nederlandse politici richten net zo makkelijk nieuwe partijen op als de rest van ons WhatsApp-groepen. De stemkaart die ik in de kerk kreeg, zag eruit als de handleiding voor het in elkaar zetten van een ikea-kast, en bevatte zoveel namen dat hij niet meer in het stemhokje paste toen ik hem eenmaal had opengevouwen. Toen ik door de namen ging, voelde ik me als een Noord-Koreaan die een bezoek brengt aan Walmart: sprakeloos van de keuzemogelijkheden.

Zelfs websites als Stemwijzer hielpen niet. Toen ik er een probeerde, was ik een eeuwigheid bezig met het beantwoorden van vragen die een arts zou kunnen voorschrijven om mensen met slaapproblemen te helpen. Uiteindelijk werd ik beloond met de conclusie dat ik moest kiezen tussen verschillende partijen die even goed bij mijn politieke overtuigingen pasten, waaronder het cda, GroenLinks, nida en de ChristenUnie. Ik had net zo goed aan mijn hond kunnen vragen op wie ik moest stemmen. (Partij voor de Dieren, uiteraard.)

Gelukkig maakte mijn eigen besluiteloosheid uiteindelijk niet uit. Toen de verkiezingsuitslag kwam, was die ongeveer zoals velen hadden voorspeld: een sterke prestatie van Mark Rutte’s vvd en een krachtig optreden van Sigrid Kaags D66, die vakkundig wist te doen alsof ze de afgelopen vier jaar niet in het kabinet had gezeten en verontwaardigd was over alles wat Rutte had gedaan. Wopke Hoekstra, die vorig jaar nog zei dat hij ʻmeer een bestuurder was dan een beroepspoliticus’ , bleek gelijk te hebben. Linkse partijen als GroenLinks deden het slecht, hadden moeite om aandacht te krijgen omdat milieukwesties werden genegeerd, en waren als een tractor die vastzit in de modder van het Malieveld.

Gelukkig maakte mijn eigen besluiteloosheid uiteindelijk niet uit

De coalitieonderhandelingen zijn nog maar net begonnen. Het kan zomaar langer duren voordat de partijen tot een akkoord komen dan dat het heeft geduurd voordat ze besloten dat we allemaal een mondkapje moesten dragen. Er is nog steeds een kans dat we een onverwachte uitkomst krijgen, inclusief een nieuwe partij in de regering. Maar ondanks de opwinding over Kaag was het opmerkelijkste aan het resultaat hoe onopmerkelijk het was. Na een decennium van Rutte en een jaar van pandemie, lockdowns, economische implosie, trage vaccinaties, rellen en de toeslagenaffaire, hebben de mensen in dit land besloten dat ze eigenlijk alleen maar meer van hetzelfde willen. Toen ik de resultaten zag binnenkomen, stelde ik me even voor dat ik rond 2060 van mijn pensioen zou genieten, een holografische videochat zou hebben met mijn kleindochter die op de maan woont, en nog steeds zou kijken naar een bejaarde premier Rutte die in Den Haag corona-persconferenties geeft.

Voor veel mensen zal dit verkiezingsresultaat aanvoelen als een behoorlijk resultaat: een perfecte mix van stabiliteit en revolutie; verandering, maar niet te veel. Dat we verkiezingen kunnen houden tijdens een dodelijke pandemie en een tamelijk onopwindend resultaat kunnen overleggen, is in zekere zin een grote prestatie. Maar voor een soort buitenstaander als ik – geboren en getogen in Groot-Brittannië, maar nu Nederlands staatsburger – voelen veel dingen van het politieke systeem hier nog steeds heel vreemd aan.

Zoals mijn ervaring met de stemkaart liet zien, is het vreemdste waarschijnlijk het enorme aantal keuzemogelijkheden dat wordt geboden. Zeventien verschillende partijen wonnen vorige week zetels, wat betekent dat er nu ongeveer evenveel partijen in de Tweede Kamer zijn als in het Britse Lagerhuis en de Duitse Bondsdag samen. Nederland, een land met zeventien miljoen inwoners, heeft ongeveer twee keer zo veel partijen in het parlement als Frankrijk, een land met vier keer zo veel inwoners. Er is niet echt een afzonderlijke partij voor iedere kiezer, maar soms voelt dat wel zo.

Deze verscheidenheid aan meningen heeft natuurlijk voordelen. De concurrentie tussen verschillende partijen helpt innovatieve ideeën te creëren, en de noodzaak om compromissen te sluiten betekent dat extremistische uitkomsten worden vermeden. Het feit dat zoveel groepen vertegenwoordigd zijn in beleidsdebatten is waarschijnlijk ook een van de redenen waarom het land vooroploopt in de wereld als het gaat om zaken als homorechten. En hoewel je zou verwachten dat een systeem met zoveel partijen instabiliteit oplevert, gebeurt meestal het tegenovergestelde: Nederland heeft in de afgelopen veertig jaar slechts vijf premiers gehad – evenveel als Italië in zeven jaar.

Het is echter ook duidelijk dat de Nederlandse aanpak nadelen heeft. Een daarvan is dat zoveel concurrerende stemmen in de regering de zaken echt kunnen vertragen. Vorige maand schreef ik op deze pagina’s over hoe de Nederlandse beleidsmakers tijdens de pandemie vaak verlamd leken, niet in staat om snelle, impopulaire beslissingen te nemen over zaken als mondkapjes of uitgaansverboden, omdat ze eerst wekenlang alles moesten bespreken. Nu, met nóg meer partijen in het parlement en een kabinet onder leiding van twee partijen die er heel verschillende wereldbeelden op nahouden, zal het misschien nog trager gaan. Tijdens een crisis lijkt een maandenlang formatieproces wel het laatste waar we op zitten te wachten. Hoe meer zielen, hoe minder vreugd.

Een andere verrassing is dat de Nederlandse politiek, ondanks de eindeloze keuzemogelijkheden, eigenlijk niet zo divers is. Vóór de verkiezingen was minder dan een derde van onze parlementsleden vrouw en had minder dan één op de zeven een migratieachtergrond. Deze verkiezingen voelden als een stap vooruit, met vrouwen als Sigrid Kaag, Lilianne Ploumen en Lilian Marijnissen die een centrale rol speelden. Maar terwijl Finland en Denemarken vrouwelijke leiders hebben, en Groot-Brittannië twee vrouwelijke premiers heeft gehad, en de VS nu een vrouwelijke vicepresident hebben, lijkt het erop dat er voorlopig nog geen vrouw in het Torentje zal gaan zitten. De top-zes van de kandidatenlijst van het cda bevatte evenveel vrouwen als mannen die Pieter heten.

Dit gebrek aan diversiteit geldt ook voor de partijen zelf. Sla een leerboek over politieke theorie open en je leest dat nieuwe partijen alleen ontstaan als er een gat in de markt is: als een grote partij bijvoorbeeld naar links opschuift, kan er een nieuwe partij aan de rechterkant opduiken om een deel van de stemmen te stelen. In Nederland gebeurt dit soms: de opkomst van nieuwe partijen als JA21 en Forum voor Democratie wordt deels gevoed door het gevoel dat de vvd en het cda de traditionele achterban achter zich hebben gelaten. Maar veel vaker gaat het proces van partijvorming aan een dergelijke logica voorbij. Ons kiesstelsel betekent dat het voor iedereen die een beetje media-aandacht krijgt relatief eenvoudig is om een zetel in het parlement te veroveren. (Kijk trouwens uit naar Lijst Coates in 2026!)

Veel partijen ontstaan gewoon omdat hun lijsttrekkers een nieuwe baan nodig hebben

Het gevolg is dat sommige partijen worden opgericht omdat er écht behoefte aan is, maar dat veel partijen gewoon ontstaan omdat hun lijsttrekkers een nieuwe baan nodig hebben of ruzie hebben gekregen met hun vrienden. Wie zou zes maanden geleden naar de vvd, het cda, de ChristenUnie, de sgp, het cda en FvD hebben kunnen kijken en gedacht kunnen hebben: wat er nodig is, is nóg een rechts-conservatieve partij? Nederlandse verkiezingen voelen soms aan als een werklozenuitkering voor werkloze politici.

Feestzaal De Diamant in Amsterdam tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen. 17 maart © Dingena Mol / ANP

Voor de duidelijkheid: veel partijen hebben een trotse geschiedenis en een duidelijke identiteit, en veel Kamerleden doen goed werk. Er is een groot verschil tussen (bijvoorbeeld) GroenLinks en de ChristenUnie. Maar tussen de vvd en het cda? Die verschillen zijn een stuk kleiner. En tussen de pvv, FvD en JA21? Die zijn vrijwel nihil. Bij het lezen van de partijprogramma’s, voordat ik ging stemmen, moest ik vaak denken aan Freuds ʻnarcisme van de kleine verschillen’ – het idee dat mensen die veel op elkaar lijken uiteindelijk hun verschillen overdrijven, teneinde hun eigen identiteit te behouden.

Als we eerlijk zijn, zijn er ter linkerzijde verschillende partijen die zouden kunnen fuseren zonder dat iemand erop achteruit gaat. En aan de rechterzijde, waar elk seizoen nieuwe partijen opduiken alsof het bloemen in de polder zijn, lijken de mogelijkheden paradoxaal genoeg mettertijd beperkter te worden. Als je, zoals ik, jezelf als gematigd conservatief beschouwt, maar teleurgesteld bent in de huidige regering en geen racist bent, kun je je eigenlijk nergens toe wenden. Te veel politici verkondigen luidkeels hun originaliteit, terwijl ze ongeveer hetzelfde bieden. Als de keuze eindeloos is, wordt ze zinloos. Wopke Hoekstra is in feite gewoon Mark Rutte met schaatsen en betere jukbeenderen.

Het gebrek aan diversiteit is niet alleen problematisch omdat het de keuze van de kiezers beperkt, maar ook omdat het een serieus debat ontmoedigt. Nogmaals: je zou kunnen veronderstellen dat er in een dergelijk concurrerend politiek systeem een levendige markt voor nieuwe ideeën zou zijn. In de praktijk heb ik echter de indruk dat het tegendeel waar is. Omdat er zoveel partijen zijn die op elkaar lijken, richten zij zich niet op het verkopen van hun beleid, maar op hun persoonlijkheden. Vergeleken met eerdere verkiezingen voelden deze verkiezingen opvallend presidentieel aan: campagneposters leken allemaal op pasfoto’s, en de grotere partijen maakten duidelijk dat we niet op hen als collectief stemden, maar op het wijze individuele leiderschap van Mark, Sigrid, Wopke of Jesse.

Deels als gevolg daarvan voelde het debat verrassend frivool aan. Over triviale kwesties werd lang gediscussieerd, over belangrijke (waaronder corona en het vaccinatieprogramma, maar ook zaken als de EU en het buitenlands beleid) werd nauwelijks gesproken. Als er ooit een verkiezing was waarbij het land grote vragen zou kunnen stellen over hoe we in de toekomst allemaal willen leven en werken, dan was het wel deze: tijdens een dodelijke pandemie die het normale leven op een laag pitje heeft gezet. Maar in plaats daarvan hebben we meer tijd besteed aan discussies over wat er bij Jinek was gebeurd dan over hoe we willen dat dit land er over tien jaar uitziet.

Ten slotte is de eindeloze toename van het aantal partijen ook verontrustend, omdat daardoor een bepaald soort nihilistisch populisme in de hand wordt gewerkt. Nogmaals: als nieuwkomer in dit land was ik er naïef van uitgegaan dat Nederland goed was ingesteld op het weerstaan van extremisme, met het meerpartijenstelsel als een soort drukventiel. De Republikeinen in de VS of de Conservatieven in Groot-Brittannië zouden kunnen worden overgenomen door extremistische randgroeperingen, dacht ik, maar in het meer competitieve systeem van dit land zou dat niet kunnen gebeuren: als sommige leden van het cda of de vvd zouden besluiten tegen vaccins te zijn en George Soros de schuld zouden geven van de pandemie, zouden ze de partij niet overnemen maar gewoon weggaan en een nieuwe ʻNee 21’ of ʻWappies Defence Force’ oprichten. Het is eenvoudig voor mainstream-partijen om extremisten buiten de regering te houden, of op z’n minst hun macht binnen een coalitie te beperken. Een Nederlandse Donald Trump zou waarschijnlijk niet veel kwaad kunnen als hij elke zondag Rob Jetten en Klaas Dijkhoff zover zou moeten krijgen dat ze het met elke beslissing eens zijn.

De Nederlandse politiek lijkt steeds meer op de Britse of Amerikaanse: bozer, minder eerlijk

Maar hoe meer ik het Nederlandse systeem van dichtbij zie, hoe meer ik het gevoel krijg dat de eigenaardigheden ervan ook tot een unieke kwetsbaarheid voor extremisme kunnen leiden. Ja, het is geweldig dat mensen nieuwe partijen kunnen oprichten en verkozen kunnen worden om te strijden voor zaken die zij belangrijk vinden. Maar diezelfde open-deur-benadering betekent ook dat dwazen vaak meer aandacht krijgen dan ze verdienen. De media behandelen randstemmen vaak zachtzinnig, en de Wappies Defence Force zou waarschijnlijk meer zendtijd krijgen dan mensen die weten waar ze het over hebben.

Het coalitiesysteem creëert het ongelukkige gevoel dat niemand ooit echt weet waar hij op stemt. Een van de kernpunten van de populistische agenda is het idee dat de wereld wordt bestuurd door een corrupte bevoorrechte elite die in het geheim achter gesloten deuren beslissingen neemt. In Nederland is de ongemakkelijke waarheid dat deze analyse deels waar is. Deze week ben ik overspoeld met berichten van buitenlandse journalisten die dezelfde vraag stellen: hoe zal de volgende Nederlandse regering eruitzien? Het antwoord is altijd ongeveer hetzelfde: ʻIk weet het niet zeker, vraag het me nog maar eens in juli, als de elite klaar is met onderhandelen achter gesloten deuren.’ Geert Wilders en Thierry Baudet hebben het over heel veel dingen bij het verkeerde eind, maar als ze zeggen dat andere partijen altijd samenzweren om te voorkomen dat ze aan de macht komen, en dat grote beslissingen vaak worden genomen door dezelfde groep machtige mensen die stiekem allemaal vrienden van elkaar zijn, hebben ze wel een beetje een punt. Wat je ook van Rutte vindt, vijftien jaar lang dezelfde leider hebben in een land is geen teken van een gezonde democratie.

Over het geheel genomen is het publieke debat hier veel rustiger dan in sommige andere landen, maar de trends zijn zorgwekkend. In iets meer dan een decennium hier heb ik met lede ogen moeten aanzien hoe het debat steeds grover werd. QAnon-complottheorieën verspreiden zich online, politici worden met geweld bedreigd, ʻNOS FAKE NEWS’-stickers sieren auto’s, en Willem Engel is vaker op televisie dan André van Duin. Op Twitter stroomt mijn inbox vol met berichten waarin wordt gevraagd waarom ik het enorme 5G-coronavirus-complot rond Femke Halsema nog niet heb blootgelegd.

Helaas lijkt het erop dat de huidige crisis de zaken er alleen maar erger op maakt. Vroeger wisselden we allemaal ideeën uit tijdens de koffiepraat op het werk, maar de meesten van ons kunnen dat nu niet meer, en onze blootstelling aan een diversiteit van ideeën is kleiner. De Nederlandse politiek lijkt steeds meer op de Britse of Amerikaanse: bozer, minder eerlijk, ongeduldiger, minder bereid tot compromissen. De manier waarop sommige mainstream-partijen schaamteloos hebben toegegeven aan extreem-rechts is verontrustend: Rutte, het politieke liefdeskind van Angela Merkel en Nigel Farage, heeft soms niet zozeer met extremisten geflirt als wel hen met een megafoon toegesproken.

De mate van steun voor extreem-rechts blijft deprimerend. Te midden van alle feestvreugde over Kaag mogen we niet vergeten dat FvD, JA21 en de pvv bij deze verkiezingen meer stemmen hebben behaald dan GroenLinks, pvda, SP en Volt samen. Nederland kan in het parlement geen plaats vinden voor veel vrouwen, maar blijkbaar wel voor een man die vindt dat de Neurenberg-tribunalen onwettig waren.

Als dit allemaal chagrijnig klinkt, dan is dat niet de bedoeling. Voor mij was het stemmen bij mijn eerste Nederlandse verkiezingen een sensatie en een voorrecht. In een tijd van crisis is stabiliteit belangrijk, en er is veel bewonderenswaardigs aan een politiek systeem dat ruimte biedt aan verschillende stemmen. De opkomst van Kaag is welkom. Toch vrees ik dat ik, als iemand die voor het eerst heeft gestemd, zowel de verkiezingscampagnes als de uitslag weinig inspirerend vond. Op een moment van crisis en verandering had dit een geweldige kans kunnen zijn om onze leiders kritisch te beoordelen, extremisten ter verantwoording te roepen, nieuw bloed in het democratische proces te brengen en serieus te praten over de veranderingen die het land nodig heeft.

Maar helaas is dat niet gebeurd. Het debat was oppervlakkig. De retoriek was inspiratieloos. De pandemie werd grotendeels genegeerd, en intolerante extremisten zijn grotendeels buiten schot gebleven. Partijen die hielpen de toeslagenaffaire bloot te leggen, werden gestraft. En de uitslag van een zeer competitieve verkiezing was opnieuw een fletse mix van uiteenlopende smaken. Meer partijen betekent, zo blijkt, niet altijd betere keuzes. Het kan zijn dat we niet beter kunnen dan dit en dankbaar moeten zijn voor wat we hebben. Maar het kan ook zijn dat de weg die we zijn ingeslagen – die van polarisatie, personalisering en steeds meer partijen – is als de schoenen van Hugo de Jonge: vermakelijk om naar te kijken, maar doorgaans een slecht idee.


De Brit Ben Coates (1982) is freelance journalist en auteur van het boek Why the Dutch are Different.
Vertaling Menno Grootveld