Als een kurkentrekker

Y.M. Dangre, Maartse kamers. De Bezige Bij, 343 blz., € 19,90. E-book, € 15,95

Albert ligt al weken met een hersenbloeding op intensive care, Fernand, zijn vriend, bezoekt hem af en toe. Beide heren zijn een jaar of tachtig, ze wonen bijna zestig jaar samen, ze houden veel van elkaar en tegelijkertijd haten ze elkaar grenzeloos, vooral omdat Fernand jaren geleden vreemdging met een vrouw. Ziehier, het verpletterend eenvoudige schema waarmee Y.M. Dangre aan de slag ging en een meesterlijke, oergeestige en stevig beklijvende roman in elkaar zette waaruit ik de afgelopen dagen in gezelschap vaak stukken voorlas. Van engagement met wat dan ook is god zij dank geen sprake, ik kreeg het idee dat dit bij deze jeugdige schrijver geen toeval is, maar een statement. Natuurbeschrijvingen kun je rustig op je buik schrijven, we horen hoogstens af en toe of het al of niet regent, en de interieur- en stadsbeschrijvingen zijn minimaal. We zitten de hele roman opgesloten in de rancuneuze denkwereld van vooral Fernand, met af en toe uitstapjes naar die van Albert, bij wie het licht langzaam dooft maar die zich toch nog allerlei boosaardigheden uit het verleden weet te herinneren. Oef, wat heeft hij Fernand vaak bedrogen! Maar die deed het gedurende veertien dagen met een vrouw (het ergste wat er is, vinden ze allebei) en dus is schuldgevoel over zijn eigen ontrouw niet nodig.

Dangre is een schrijfschurk, hij bakt ze zo bruin mogelijk. Hij laat je verschrikkelijk lachen over sterven, liefde en wanhoop. Menselijke relaties bestaan bij hem uit huichelachtige pogingen onder het mom van goede bedoelingen elkaar in de wielen te rijden. Mensen zijn bij hem kletsmeiers die zich alleen laten leiden door hun seksuele driften en voor het overige via kronkelige rationalisaties hun wangedrag in een gunstig daglicht proberen te stellen. Zelfbeklag is ieders mantra, egoïsme de dekmantel. Homoseksuele en heteroseksuele seks is bij Dangre een platvloers en onmachtig gedoe waarbij slijm, scheten, zweet en andere excrementen je om de oren vliegen. Je moet echt je best doen om bij lezing van de uitvoerige en expliciete neukbeschrijvingen opgewonden te raken. ‘Ik nam me voor dat ik het niet meer wilde, of toch niet wanneer hij zo thuiskwam, midden in de nacht, straalbezopen, niet méér wensend dan zich van mijn lichaam te bedienen als van een kurkentrekker die snel en efficiënt het orgasme uit zijn lendenen moest trekken.’ Of neem Fernand wanneer hij zich als tachtigjarige herinnert hoe hij ooit met Céleste op de achterbank van de auto lag te vozen. ‘Een auto dient dan ook om de liefde in te bedrijven, de achterbank met zaad- en vochtplekken te heiligen, je gezamenlijke geur in ademstoten, kuchjes, boeren, scheten in de bekleding te laten dringen. Dat dacht ik toen. Nu rook de binnenkant van de wagen naar niets meer, hoogstens naar oud leer.’

Deze roman vertoont alle kenmerken van een superieure klucht. Iedereen probeert zich met smoesjes uit de problemen te redden, alle verhoudingen staan op scherp, alles is overtrokken, prettige gedachtes over de mens, de liefde en de samenleving krijgen geen enkele kans zich te manifesteren. Komt er in deze romanwereld een normaal mens voor? Vergeet het maar. Ooit verwekte Fernand een kind bij Céleste, ze heet Madeleine, niemand kent dit verschrikkelijke geheim, en zeker niet Albert, als die het te weten komt zijn de rapen gaar, daarvan is Fernand overtuigd. En zo krijg je via allerlei terugblikken een ware stortvloed over je heen aan pogingen de waarheid te ontkennen, aan neukpartijen, aan hele en halve bekentenissen, aan huilbuien, aan goedmakertjes en daarna weer aan bedrog. Met op de achtergrond uiteraard Céleste die Fernands zonde aan Albert dreigt te verklappen. Dangre is erin geslaagd geen lach-of-ik-schiet-proza te brouwen, dat had alles direct doodgeslagen. Hij laat zijn beklemde ‘helden’ steeds volkomen in hun rol opgaan, zoals dat hoort in dit genre. Af en toe zou je ze nog geloven ook: ze zijn steeds oprecht boos, laf, geil en doortrapt. Aan zelfreflectie doen ze alleen via scheefpraat. Dangre laat ze ongegeneerd spartelen in dwaze bespiegelingen en tegenstrijdige handelingen waar ik voortdurend over schaterde. Bijvoorbeeld over een dialoog als deze: ‘“Je bent dus niet biseksueel?” vroeg ik, dat idiote woord veel te luid uitsprekend. “Alsjeblieft, nee. Voor geen geld ter wereld.”’ Ondanks deze plechtige verzekering slaagt Fernand er maar nauwelijks in zijn geilheid voor Céleste te bedwingen. Wanneer Céleste en Fernand uiteindelijk hun dochter Madeleine inlichten over het vaderschap van Fernand (hij is ondertussen zestig jaar!) valt deze flauw. Langzaam komt hij bij, Céleste buigt zich over hem heen: ‘In gedachten maakte ik de verticale rij toegangspoortjes van Céleste’s vroegere doorknoopjurk open, het rozige, zachte vlees dat stukje per stukje tevoorschijn kwam. Sproeten. Welvingen. Geilheid. Geluk. Na een glas water te hebben gedronken, kon ik weer rechtop zitten.’

Het barst van dit soort bespiegelingen. Wat de personages doen staat vrijwel altijd in flagrante tegenspraak met wat ze denken. En andersom. Ze praten aan de lopende band wat krom is recht. En dan weet Dangre er ook nog allerlei verwijzingen en ironische opmerkingen rond het oeuvre van Proust tussendoor te mengen (zie de namen Albert(ine), Madeleine en Céleste). Zo meldt Fernand ergens tegen het einde: ‘Tot mijn zestiende kwam mijn moeder me een nachtzoen geven. Lange tijd ben ik van geluk naar bed gegaan.’ Ik merk dat ik enorm veel zin heb uit dit uiterst geestige en indringende boek te blijven citeren. Altijd een goed teken. ‘Céleste kwam op me af, ik was een dier in het nauw, een stervensklare olifant die zich netjes verwijderd had van de kudde, maar die nu werd teruggehaald. Te laat, jongen.’