Ter plekke in Uruzgan

Als een nacht met duizend sterren

Naarmate in Afghanistan meer wordt gevochten, wordt de kloof tussen de militairen en Den Haag groter. Van een opbouwmissie is steeds minder sprake.

TARIN KOWT – ‘Wij vechten niet voor Den Haag, wij vechten voor elkaar’, zegt sergeant Sander. Hij is een dag voor ons gesprek teruggekomen uit de Chora Vallei, waar hij twee weken vocht tegen Taliban-strijders. ‘Het maakte niet uit bij welke eenheid je zat. In Chora vocht iedereen zij aan zij. In ons peloton vocht de genie net zo hard als wij, de infanteristen.’ Naast hem zit soldaat Jeroen. Hij bedient een 25mm-kanon op een ypr-rupsvoertuig en nam verschillende Taliban-stellingen onder vuur. ‘Het is wel even schrikken als de raketgranaten 25 meter voor je inslaan. Ik zag waarvandaan de schutter schoot en vuurde maximaal terug. Maar hij ging maar door. Hij vuurde er zes af, daarna stopte het. Ik kon door de begroeiing niet zien of ik hem geraakt had.’

Op Kamp Holland gonst het van de verhalen. Zo’n vijfhonderd militairen van de Battlegroup – de infanteristen die de opbouwers beschermen – werden afgelopen week in de strijd geworpen. Vijftienhonderd Taliban-strijders hadden zich rond de Chora Vallei samengetrokken. Zaterdagnacht om vier uur zetten ze een massale aanval in, waarbij politieposten onder de voet werden gelopen en Nederlandse eenheden ingesloten raakten. De Nederlanders antwoordden op dinsdag met een zware tegenaanval waarbij in acht uur tijd de vallei werd schoongeveegd. Het was de grootste Nederlandse aanval in de naoorlogse geschiedenis.

Een deel van hen vocht al veel langer in de Chora Vallei. Sergeant Sander en soldaat Jeroen bijvoorbeeld. Zij behoren tot de Bravo-compagnie van de Limburgse Jagers en vertrokken op 8 juni voor wat een korte patrouille had moeten zijn. Pas twee weken later keerden ze terug naar Kamp Holland. Hun huid is getaand en ze zien er vermoeid uit. Hun peloton werd naar het zuiden van Chora gedirigeerd toen de Taliban-aanvallen toenamen. ‘Eerst werden we om de dag beschoten’, vertelt Jeroen. ‘Daarna verscheidene keren per dag. Het zwaarste vuurgevecht duurde vijf uur.’

Dat al sinds eind april gevochten werd in de Chora Vallei drong niet door tot Nederland. In de nieuwsberichten van Defensie werden sporadisch gevechten gemeld. Dat de situatie in Chora steeds penibeler werd, bleek daar niet uit.

Na de persconferentie van vrijdag door commandant der strijdkrachten generaal Dick Berlijn, waarin hij melding maakte van het heroveren van de vallei, volgde kritiek. Waarom verzweeg Defensie de intensiteit van de eerdere gevechten in het gebied? Op Kamp Holland klinkt her en der smalend dat pas nu er burgerdoden zijn gevallen, wel bekendgemaakt moet worden hoe zwaar er is gevochten in Chora. Dat dit niet eerder gebeurde, zou te maken hebben met Haagse angst. De Isaf-missie, die opbouw hoog in het vaandel heeft, mocht eens gezien worden als een vechtmissie.

Er zit een kloof tussen de militairen in Uruzgan en de politici in Den Haag, waar de minister van Defensie en de commandant der strijdkrachten de dienst uitmaken. De kloof lijkt groter te worden, ondanks de bewuste beslissing van de voorlichters hier om het geweld niet te verbloemen. Zij maakten geen bezwaar tegen de rauwe beelden van de zelfmoordaanslag in Tarin Kowt, gefilmd door RTL Nieuws. Eerder kon ook het NOS Journaal beelden uitzenden van een aanval bij patrouillebasis Poentjak en een (licht)gewonde militair. ‘We moeten voorkomen dat er twee werelden ontstaan’, zegt Public Information Officer majoor Eric Jonkers. Hij doelt op enerzijds de wereld van de Isaf-militair die in hinderlagen loopt en soms in de aanval moet om de Taliban te verdrijven, en anderzijds de wereld van Nederland waar gevechtsacties worden gezien als iets wat niet bij een opbouwmissie hoort.

Ook luitenant-kolonel Rob Querido, commandant van de Battlegroup van Taskforce Uruzgan, maakt zich zorgen over de discrepantie tussen de rauwe werkelijkheid in Uruzgan en het gepolijste beeld van een opbouwmissie. Hij gaf, nog vóór de persconferentie van Dick Berlijn, een gedetailleerde opsomming van de gevechten rond Chora vanaf eind april. ‘Ik wil ons verhaal vertellen, omdat de Nederlanders thuis niet gewend zijn dat onze militairen de aanval inzetten. Het gaat mij om erkenning en nazorg. Als de mannen en vrouwen die hebben gevochten thuis over hun ervaringen gaan vertellen, wil ik niet dat mensen zeggen: dat kan niet waar zijn; we hebben hier niets over gehoord.’

Kapitein Larry (38) kwam eind april met zijn eenheid de Chora Vallei binnen. De politiepost bij Kalakala was toen al ingenomen door de Taliban. ‘Wij hebben hem heroverd, samen met Afghaanse strijders. Dat was lastig, we moesten ons een weg omhoog vechten. Daarna is het onrustig gebleven. We werden vrijwel dagelijks beschoten.’

Kapitein Larry leidt een compagnie parachutisten van het regiment stoottroepen uit Assen. De eenheid maakt deel uit van de Luchtmobiele Brigade. ‘Hakken en zagen’ noemt hij de gevechtsacties. ‘Met opbouwwerk had het weinig te maken.’ Toen afgelopen zaterdagnacht de grote Taliban-aanval werd ingezet, had hij maar één devies: ‘Wij hebben de stotersvlag op het districtskantoor gehesen, en die blijft daar wapperen.’ Om zijn mannen te motiveren diende de leus: Rave the Eenclave! De Luchtmobiele Brigade was Srebrenica nog niet vergeten. Kapitein Larry zelf diende in Dutchbat 3, de eenheid die in de Bosnische enclave was toen de Serven er binnentrokken. ‘Ook Chora is een enclave’, zegt Larry, ‘het ligt ingeklemd tussen de bergen, net als Srebrenica. Ook hier zagen we vluchtelingenstromen, ook hier vocht een militie.’ De para’s werden teruggedrongen op twee vierkante kilometer en bleven vechten. ‘Mijn mannen waren tot het uiterste gemotiveerd. Nu hadden we wél de middelen om keihard terug te slaan en die lui van de mat te vegen. Ik was verbaasd dat ze bleven komen. Maar we hielden stand.’

Zijn eenheid rust nu uit op Kamp Holland en gaat binnenkort terug naar Chora. Er heerst geen jubelstemming. De dood van sergeant-majoor Jos Leunissen tijdens het afvuren van een mortier heeft veel indruk gemaakt. ‘De ochtend dat het gebeurde lag iedereen achter de wapens’, vertelt Larry. We waren teruggedrongen en omsingeld. Iedereen was dubbel ingezet. Er stond een menigte Afghanen voor de poort van de white compound. Ik had ze nog nooit gezien, maar ze wilden meevechten. Ik kon ze goed gebruiken. Ik heb een rol rood-wit afzetlint gepakt en elke strijder een stuk ervan om zijn arm laten doen, zodat we ze konden onderscheiden van Taliban-strijders. Uiteindelijk heb ik de districtschef zo ver gekregen om zijn wapenvoorraad aan te spreken. Ik heb hem even geholpen door mijn rechtervoet tegen de deur van de opslagplaats te zetten. Die lag helemaal vol. Toen ik binnen was, hoorde ik een harde klap. Ik rende naar buiten en daar lag Jos, aan mijn voeten. Verderop lagen drie gewonden. Dat was zwaar, dat was verschrikkelijk. Ik had Jos zelf gevraagd zich tijdelijk bij mijn eenheid te voegen als oudste onderofficier. Had ik dat maar nooit gedaan, denk ik nu.’

De deur van zijn gepantserde container gaat open. Een van Larry’s officieren komt binnen: een luitenant met een frons tussen de ogen. Hij heeft zojuist doorgekregen wat de commandant der strijdkrachten in Den Haag tijdens de persconferentie heeft verklaard. ‘Hij zegt dat er dertig Taliban zijn gedood.’ Larry kijkt ongelovig. ‘Waar zijn die lui mee bezig? Ik ben bang dat alleen al de mannen om mij heen er dertig hebben uitgehaald.’ De kapitein gaf leiding aan drie pelotons die elk hun eigen gebied bestreken dat door middel van zware gevechten vrijgehouden moest worden van Taliban-strijders.

Hoe het eruitzag? Kapitein Larry valt stil. ‘Als een nacht met duizend sterren’, zegt hij dan. ‘We zaten ingesloten. Ik had mijn pelotons zo ver moeten terugtrekken dat ze zich al aan de rand van het stadje bevonden. Ik lag met mijn groep in het districtskantoor en leidde daarvandaan het gevecht. Ik kreeg continu meldingen van wat mijn mensen waarnamen. De aanvallen hoorde je zo wel, daar was geen melding voor nodig. Schotenwisselingen, de hele tijd door. Zeker ’s avonds en ’s nachts was het een en al strijd. Steeds weer zag je lichtflitsen van vliegtuigbommen en mortieren.’

Kapitein Larry wil best meewerken aan de opbouw van Uruzgan, maar hij had te maken met politieagenten die al vier of vijf maanden niet betaald waren. ‘Die waren het wel zat. Waarom zouden ze de posten nog bemannen om de Taliban tegen te houden? Wie laat zich nou voor niks voor zijn kop schieten? Beste Afghaanse autoriteiten, denk ik dan, ik sta hier met mijn mannen te hakken en te zagen voor jullie bevolking. Waarom komen er geen centjes? Waarom is Chora jullie niets waard?’

‘Opbouwen als het kan, vechten als het moet’ is het motto van de missie. Dick Berlijn herhaalde het maar weer eens tijdens de persconferentie. Inmiddels is duidelijk dat veel gevochten moet worden om een beetje te kunnen opbouwen. En wat gevreesd werd is gebeurd: er zijn burgerslachtoffers gevallen. Uit Chora komen berichten van moordpartijen door de Taliban. Waarschijnlijk zijn ook in artillerie- en luchtbombardementen burgers gedood. Generaal Berlijn sloot dat niet uit.

De Afghaanse president Karzai zei zaterdag dat de Navo in Uruzgan 52 burgers heeft gedood. Dat aantal wordt op Kamp Holland niet bevestigd; er vindt onderzoek plaats. Als er burgers zijn gedood door Isaf is dat waarschijnlijk gebeurd tijdens de bombardementen van zaterdagnacht, toen de Taliban massaal aanvielen. Volgens sergeant Sander en soldaat Jeroen werd goed opgelet of er geen burgers getroffen konden worden. Sergeant Sander: ‘Als we beschoten werden vanuit een qala (een ommuurd huis – jb) schoten we terug met alles wat we hadden. We lieten er alleen een bom op gooien als het niet anders kon. Maar de meeste burgers waren al gevlucht, dat weet ik zeker. We hoorden hoe ze met luidsprekers werden opgeroepen naar de bazaar te gaan, die nog in handen was van de para’s.’ Soldaat Jeroen: ‘We mochten vrij vuren in onze sector, maar dat betekent niet dat we schoten op alles wat bewoog. Als ik het niet goed kon zien, vroeg ik een collega in een andere wagen mee te kijken. Is dat wel een strijder? Is het geen boer met een schop over zijn schouder die gaat kijken of zijn huis er nog staat?’

‘We hebben de bommenwerpers alleen doelen doorgegeven waarvandaan we werden bestookt en die een bedreiging vormden’, zegt kapitein Larry. ‘Ik sluit niet uit dat er burgerslachtoffers zijn gevallen door ons handelen. Maar de vlag wappert nog. De winkels zijn weer open en de kinderen gaan weer naar school.’

Dit artikel is door het ministerie van Defensie gecontroleerd op operationele informatie. De gegevens konden niet worden geverifieerd bij onafhankelijke Afghaanse bronnen