De watersnoodramp in Zeeland

Als een paal boven water, water, water, water

Romancier Max Dendermonde deed voor De Groene op ingetogen maar ingrijpende wijze verslag van de Watersnoodramp die in de nacht van 31 januari op 1 februari grote delen van Zeeland, Zuid-Holland en West-Brabant trof. ‘Even later al danste het bootje opnieuw de nacht in. Er waren daar nog meer mensen op de zolders. Dat zijn maar twee zinnen. Het waren die nacht twee geweldige werelden.’

Medium watersnoodramp 1953

Wanneer na verloop van tijd de gaten weer zullen zijn gedicht, het water weer weggemalen, wanneer uit het land weer de gewassen zullen opschieten, wanneer zon en regen de nieuwe kruisen zullen gaan verweren en wanneer nieuwe kerkhoven stil en vertrouwd in het landschap zullen zijn opgenomen, wat zal er dan zijn gebleven van de Februari-vloed van 1953?

Wat zal er zijn gebleven behalve de herinnering aan de doden, de herinneringen aan de angst, de kou, de dorst, de koorts, de herinnering aan de verloren hoeven, de geknakte welstand, wat zal er zijn gebleven behalve het verlies dat valt uit te drukken in cijfers en guldentekens, niet alleen in de boeken van de boerenleenbanken, niet alleen in de statistieken van de waterstaat en niet alleen in de begrotingen van het rijk, wat zal er dan, behalve dat alles en nog veel meer, zijn gebleven in het hart en het lichaam van wat wij een volk noemen? Welk spoor zal het water van Beveland laten in Twente, het water van Goeree in Limburg, het water van Halsteren in Friesland, het water van Texel in Gelderland, het water van ’s Gravendeel in Groningen, het water van Zonnemaire in Amsterdam, het water van Vere in Den Haag?

De woorden van welke definitie ook zullen niet anders dan vals kunnen zijn. Maar er is een definitie, reeds nu. Wanneer we de moed willen opbrengen in deze grauwe winterdagen van historische rampspoed de vraag te stellen, reeds nu dus, of er iets positiefs is gebleken bij zo grondeloos veel negatiefs, dan is dat niet omdat wij het journalistiek cynisme willen vermijden, waarin de stelregel is verhard dat het slechte nieuws eigenlijk het beste nieuws is, en dan geschiedt dat poneren van een positief feit niet, omdat wij de risico’s van het slechte nieuws aan het dagblad willen overlaten.

Het geschiedt alleen omdat dit positieve zich zó sterk en klaar opdringt, dat het – naast de verscheurende onoverzichtelijkheid van de ramp – reeds nu een duidelijke, afgeronde zaak is, een paal boven water. Het is een paal van dezelfde soort als er voor de Engelsen stond in Duinkerken. En deze vergelijking is niet pathetisch, hij is rustig en overdacht geschreven.

Het nieuws was de radio, en verder was het nieuws nergens ter plaatse. Zelfs de dodelijkste rampen zijn op-de-plaats-zelf heel anders dan in de drukletters of op de foto’s in de krant; ze zijn daar ter plaatse in elk geval nooit nieuws. Terwijl Zondagochtend de roeiboten met militairen reeds voeren door de straten van Dordrecht wisten verslaggevers van die plaats niet wat ze erover zouden moeten schrijven, de feiten waren feiten zonder franje. Zo was het overal in de bereikbare noodgebieden. De feiten waren feiten.

We waren 24 uur in het land, vaak langs en soms door het water, en nergens hebben wij ook maar het geringste teken van paniek gezien. Er was verslagenheid, maar niet in de letterlijke betekenis. Er was iets, wat men misschien aanvaarding mag noemen, maar het was niet een uitzichtloze aanvaarding. Het was, ondanks de storm en het gekletter van de regen, zeer stil in Nederland. Maar het was niet de stilte van een verdoving, het was de stilte van de onopgesmukte, zwijgzame handeling. Nederland was die Zondagochtend dadelijk klaar wakker, en bijna overal werd onmiddellijk begrepen dat de toestand veel ernstiger was dan bleek uit de brokstukken van het radionieuws. De ramp was overal, in Groningen evengoed als in Vlissingen, in Maastricht evengoed als in ’s Gravezande. De nationale zwaarte van het onheil legde het land in stilte, maar achter die stilte kwam terstond de gehele bevolking in mobilisatie. Iedereen had het onverplichte gevoel dat dit het uur van de handeling was. En wie door het land reed, voelde dat zijn bittere ontroering over de ramp zich allengs meer mengde met de verblijdende ontroering over de geweldige nationale saamhorigheid, die volstagen zonder pathetiek was. Het hele land was anders geworden, nergens, ook op de hoogste en droogste plek niet, had Nederland het gezicht van andere storm-Zondagen. Het land was in oorlog, de vijand was binnengevallen.

We reden langs Loosdrecht, langs het grote marinekamp. Het was nog vroeg in de dag, maar toch hadden al hele groepen geüniformeerde mannen gehoor gegeven aan de radio-oproep, en zwijgend kwam men van het station Hollandse Rading afzetten, niet met de gewone mokgezichten van jongens die te vroeg naar hun standplaatsen worden teruggeroepen. Deze gezichten hadden een doodgewoon soort vastberadenheid van hen die straks in de aanval gaan. En op de gezichten van de begeleidende vrouwen stond geen verzet tegen de verloren verloftijd; er stond enkel op te lezen dat het moest. En dit beeld, het eerste beeld voor ons van de mobilisatie, was kenmerkend voor wat wij gedurende 24 uur zouden zien. Hoe dichter we Rotterdam naderden, des te heviger en bonter werd het verkeer. Steeds meer militaire auto’s kwamen er op de weg, on-Zondagse veewagens, vrachtauto’s, kraanwagens, luxe auto’s uit verre provincies, en dat was nog maar het begin. In de buurt van Ouderkerk a.d. IJssel was de verkeersweg omgelegd om het werk aan een zandafgraving te bevorderen. Twintig, dertig mannen waren daar stug bezig met het vullen van zakken en vrachtauto’s reden af en aan. De verkeerspolitie geleidde rustig het verkeer over de omleg, en de improvisatie hier had dadelijk een stabiel karakter gekregen. En ook dat was kenmerkend: een etmaal lang zouden we niet anders zien.

Rotterdam was een stille stad, een andere stad. Er gingen veel mensen door die stilte, maar nergens zagen we het bekende ‘wat erg hè’-gezicht, het begrip sensatie deed niet mee. Hele straten stonden blank, maar nergens hoorden we geschreeuw of gevloek; de situatie werd beteugeld door een rustige hand.

In Dordrecht was de toestand veel minder overzichtelijk en veel ernstiger, maar ook daar vielen stilte en rust het meest op. Men had ons gezegd dat Dordrecht niet meer te bereiken was; deze mededeling was niet gedaan op de hoge, gealarmeerde melodie van het gerucht, maar met de restrictie in de toon van ‘misschien is het wel niet waar’. En ook dat was al weer kenmerkend. Het gerucht had geen eigen leven die Zondag, het groeide en veranderde niet, het bestond eigenlijk niet eens. Men gaf alles door in de grootste betrekkelijkheid, het kon waar zijn, het kon niet waar zijn. Men moest alleen maar rekening houden met de mogelijkheid dat…

Dordrecht was dus wel te bereiken, het hart van een noodgebied. En plotseling was al dat water voor ons ook een feit, water, dat als rivieren door straten stroomde. We bleven steken met onze auto midden in zo’n stroom, en niemand verbaasde zich erover: de situatie was aanvaard zoals ze was. Iemand op de hoek van een straat begon ons te filmen, blijkbaar in afwachting dat wij wadend op hem af zouden komen. Overal stonden auto’s in het water. Maar onze starter deed het eensklaps weer en we naderden nu het centrum. Op ondiepe plaatsen droeg men elkaar door het water. Een vader had twee kinderen op zijn schouders, verderop ging men met witte benen door de stroom. Het waren de plaatjes van het journaal en de krant, en toch waren het weer niet die plaatjes, het was niet ver weg, het was hier, gewoon en ongewoon, maar het meest: hier. Soldaten gingen met roeiboten langs de huizen, drie oude mensen werden naar een café gevaren, verkommerde natte mensen. En ondertussen bleef het maar waaien en regenen, en de kou was bijtend en verlangend naar het merg. Maar niemand klaagde. Het water wás daar en het had geen zin er tegen te vloeken of er op te schieten met revolvers. Alles was zoals het was, een nieuwe orde: de verzakte auto in de berm, de ontruimde winkels, de mensen, die onbewogen naar de stroom in hun straat stonden te kijken, de ondergelopen tunnel, de mand, die een kelder aan het leeghozen was, alles wás.

We verlieten Dordt met droge voeten, ofschoon de wagen nog één maal bleef steken. We verlieten Dordt, maar we namen het mee, en we namen al de plaatsen mee, die we in de radio hoorden noemen. We wisten nu hoe het was, de doodse stilte boven stromend water.

Maar men weet het nooit, er zijn duizend situaties en elke situatie heeft duizend gezichten, en het werkelijke gezicht kent alleen maar de mens in nood, en alle andere gezichten tellen voor hém niet meer.

Buiten hem om tellen ze wel. Het geeft niet hoe anderen zich de ramp voorstellen, het feit dat men het doet. Het telt dat men hier, zomaar aan de kant van de weg, zand in zakken staat te scheppen, dat er ginds een garagedeur opengaat en dat er weer een auto koers zet naar het noodgebied, het telt dat daar iemand staat te telefoneren, dat een vrouw alvast kleren op een stapel legt, dat men zijn schop op gaat zoeken in de schuur. Het telt dat men nu militaire colonne na colonne tegenkomt, luxe auto’s met dekens, auto’s met verpleegsters, auto’s op weg naar familie in het water, vrachtauto’s met boten, bussen met grondwerkers, bussen met ehbo-mensen, bussen met zomaar helpers. Dat alles was zondagmiddag al op weg.

We reden later over Utrecht, Den Bosch, Breda, naar Zeeland. Het land was in oorlog, de mobilisatie van het leger was nu overal, overal te zien. Colonnes, colonnes, colonnes. Colonnes alléén met soldaten in de trucks, colonnes vracht-auto’s, Rode Kruis-wagens, zoeklichtinstallaties. Het donker kwam en de stroom hield aan. De bussen uit Overijssel en Limburg bleven doorgaan, de kraanwagens uit Gelderland, de vrachtauto’s uit Drente. Het gehele land was in opmars. In het donkere, stille land leefden alleen de wegen. Steden en dorpen lagen bedrukt terzijde van de betonbanen. Bergen op Zoom leek dood, alsof het water niet dichtbij was. Somber en ontzaglijk donker strekte Zuid–Beveland zich voor ons uit, of wat er nog van over was. Wij passeerden het bord ‘Zeeland’. Links van ons lag de spoordijk verlaten, de weg zelf was zonder leven. We reden en reden. Nog altijd zagen we land schemeren, hier en daar brandde licht in een boerderij. Plotseling, als uit het niets, stonden er voor onze koplampen twee soldaten. We mochten niet verder. We konden niet verder: tien meter verder stroomde de zee over de weg, zomaar. De zee van Bath Rilland. En daar hebben wij de watersnood pas echt gezien.

Rechts, zeer ver weg in de nacht, brandde een elektrisch licht. We sloegen de smalle dijkweg in, tot we op een kruispunt kwamen. Achter het dijkje aan onze rechterhand stond een rijtje huizen, droog in een nog droog poldertje. De polder aan de overkant was ook droog, maar aan onze linkerkant schemerde een zeer grijs licht; dat was water, water, water met daarover wat de maan door de wolken liet. We zagen donkerder vlekken in dat water, toppen van bomen herkenden we, en daarna daken van een boerderij en een schuur.

Het licht dat we hadden gezien kwam nader; het waren de koplampen van een militaire auto, die roekeloos kwam aanrijden over de voortzetting van onze weg, die alleen maar een heel smalle, drassige dijk was en verder niets. Een dijk met links de nieuwe zee, en rechts de nog droge polder. De truck stopte en de soldaten gaven snel inlichtingen: uit de boerderij die we zagen waren de mensen al gehaald, ze hadden nu hun roeibootje ver het dijkje op gebracht en zouden proberen daar andere boerderijen te bereiken. En of we maar mee wilden gaan, want we hadden een beweegbare schijnwerper, dat hadden ze al gezien.

Maar toen kwam Jan Dieleman, de zoon van de bakker in het rijtje droge huizen daar beneden: we moesten nou eerst allemaal koffie, en dan zouden we weer doorgaan. Het was stampvol bij Dieleman, niemand wist wie wie was, maar dat deed niet ter zake, er was koffie, er was soep, en de soldaten gingen in en uit, en pa Dieleman stak nieuwe kaarsen aan, en ergens in het achterhuis ratelde de koffiemolen al weer, en Moe deed nieuwe kolen op de gloeiende kachel, en iemand was bezig het been van een ander te masseren, er zat een jongen, die op weg naar zijn moeder in Vlissingen was blijven steken, er zaten geredde drenkelingen, die met een bus door de zee waren overvallen; uren hadden ze op het dak gezeten, de burgemeester en nog iemand anders waren verdronken, maar de geredden hadden nu cognac gehad en mochten hier blijven slapen in hun geleende kleren. En na vijf minuten in die verwarring kwam er tekening in die huiskamer van Dieleman, zag men de organisatie, wie wat deed. En toch stond dat huisje van de Dielemans in een bedreigd gebied: zou met de nieuwe vloed ook de dijk van hun polder doorbreken, dan zou hun woning zeker onderlopen. Maar zolang dat niet zo was, gingen ze daar bij Dieleman rustig en ongealarmeerd door met het helpen van anderen.

De truck trok ons door de modderpoel van het dijkje het donker in. Op zo’n dijkje, met links water en rechts het donker van aarde, is een kilometer trekken een heel karwei. Maar eindelijk waren we er. Het bootje was al in de nacht verdwenen, langs de kale kruinen van wat eens een boomgaard was. We richtten de schijnwerper en zagen een boerderij, drie-, vierhonderd meter verderop in het water. Het bootje dobberde boven het erf. We konden niet zien hoe er gered werd.

En terwijl we het bootje niet meer zagen en we daar stonden te wachten en te wachten, kwamen er meer en meer mensen waar we stonden: een vrijwillige Rode Kruis-groep uit Eindhoven. Waar de weg begon, stonden luxe auto’s gereed om de geredden te evacueren. Na een half uur kwam het bootje terug. Het zat vol mensen, het helde zwaar naar één kant, en het schoot maar heel langzaam op. Het begon nu weer harder te waaien, nu en dan viel er een venijnige, ijzige regen, dan weer grove, wilde sneeuw; de kou deed pijn in het bot. Maar de twee vrijwillige roeiers, schippers, wisten hoe ze met het water moesten omgaan, en een soldaat boomde mee en eindelijk kwam het volle bootje tegen de dijk, waar nu zeker wel dertig paar handen werden uitgestoken. Er werd niet gejuicht, er werd niets gezegd, het was doodstil. De geredden zeiden ook niets, ze hadden stille klare gezichten waarover slechts een rustige verwondering lag. Hun geest was elders. Zelfs de babykinderen hadden die geweldige stilte, die verwondering, zoals zij daar in dekens lagen gewikkeld. De mannen droegen de volgepropte tassen of ze in gedachten van de markt kwamen. De Rode Kruis-groep bracht de geredden naar de weg. En de schippers en soldaten gingen weer de nacht in, alsof de kou hun niets deed.

Na een uur was het bootje nog niet terug.

Ver achter de boomgaard lag het doel: een andere boerderij en wat arbeidershuisjes. Alleen het dak van de boerderij was voor enkelen te zien in de nacht. Anderen van ons zagen helemaal niets, zelfs niet met de schijnwerper; het was te ver. Nu en dan vielen er enorme rukwinden over de dijk, en we begonnen allemaal bang te worden dat we het bootje niet terug zouden zien.

Waar bleven de pontonniers, waar bleven de motorboten, waar de grote platboomde vaartuigen, waar waren de colonnes gebleven, waar de zoek-lichten? Plotseling werd het lichter aan de hemel. We keken. Ergens ver in de verlorenheid van de donkere chaos straalde een geweldig zoeklicht, de kant uit van Woensdrecht misschien. Even later streek ook elders een licht langs de hemel. Men was bezig. Alleen: hier niet. Hier moest met één bootje een aantal huizen en boerderijen worden leeggehaald vóór de nieuwe vloed zou komen.

Niemand weet hoeveel van die kleine bootjes er die nacht bezig zijn geweest, wat er in stormdonker is gedaan door soldaten en zomaar andere mensen. En niemand weet hoeveel van die kleine bootjes er niet bezig zijn geweest: of omdat ze er nog niet waren, of omdat de tocht te ver en te gevaarlijk was. Niemand weet hoeveel redders er zijn verdronken. Niemand weet hoeveel ploegen er werkeloos op de kant moesten blijven staan. De nacht is groot en het land is groot en ondergelopen land in de nacht is nóg veel groter en wie weet waar de boerderijen staan en hoeveel er staan. Hoeveel? Duizenden misschien, en misschien is dat nog maar een klein getal. Hoe lang duurt de tocht naar één boerderij? Een uur soms in een motorboot, vijf minuten soms in een roeiboot. Maar er moet gevaren worden, al heeft men ook nimmer een roeispaan in de hand gehad. En wie hebben er niet al gevaren: soldaten van de Veluwe, uit Limburg, jongens die niets van water wisten en toch voeren. Voeren zo gauw het maar enigszins kon. Overal.

Na anderhalf uur scheen er eindelijk een klein licht over het water. Dat was het sein met de petroleumlamp dat men onderweg was. En een kwartier later stonden er weer nieuwe geredden op de dijk, mensen met dekens en kleren, een man die een geldkistje tegen zijn maag hield geklemd, een klein kind. En weer was daar die stilte.

Even later al danste het bootje opnieuw de nacht in. Er waren daar nog meer mensen op de zolders. Dat zijn maar twee zinnen. Het waren die nacht twee geweldige werelden.

En toch: wie één zo’n redding heeft gezien, en wie er tien zag, zag ook niets. Want zo’n twintig, dertig mensen betekenen maar weinig als ze statistisch zijn verwerkt. Het gaat immers om duizenden, duizenden, duizenden. Om een getal dat niemand kent. Maar dat getal is samengesteld uit zoveel maal twintig, zoveel maal dertig, zoveel maal vijf, zoveel maal twee en zoveel maal één. Daar, in Bath, waren het soldaten van overal, schippers uit Bergen op Zoom en burgers uit Eindhoven. Elders stonden burgers uit de Achterhoek, schippers uit Groningen, verpleegsters uit Amsterdam, grondwerkers uit Friesland, stonden Nederlanders uit alle delen van Nederland, die door de stilte waren gekomen om andere Nederlanders te redden.

Dezelfde nacht nog reden we naar Halsteren, naar het water van Halsteren. De militairen daar hielden een enorm zoeklicht op de watervlakte gericht. Nu en dan ving het een motorbootje in zijn bundel en dan werden er seinen gewisseld. Daar was ook weer de vreemde stilte, ondanks de storm, ondanks het dreunen van de grote zoeklicht-dynamo. En daar was ook weer die grote onbekendheid in het donker. Men wist alleen maar één ding: dat daar mensen moesten zitten, ergens.

In de stationswachtkamer van Roosendaal zat een groep chauffeurs te wachten op nieuwe orders, in het hotel aan de overkant sliep een groep studenten in crapeauds. Militairen gingen in en uit. Tien minuten later vertrokken de chauffeurs met een spoedopdracht. Even later waren ook de studenten verdwenen.

Breda begon in de ochtendschemering te leven als een gewone provinciestad. Er was niets bijzonders aan de hand, alleen die grijze stilte. Maar buiten, op de grote weg, raasde het verkeer al weer, gingen de militaire voertuigen af en aan, reden auto’s met balken, waren daar weer die bussen uit alle provincies, de kraanwagens, opleggers met boten, wagens van de voedselvoorziening, auto’s van textielfabrieken, geweldige colonnes. Het land bleef in opmars naar het front. Het Westen werd bedreigd.

En deze zin mag u dan voor mijn part op twee manieren uitleggen. We hebben de laatste jaren al zoveel gehoord over de bedreiging van het Westen dat men zo’n zin wel op twee manieren moet uitleggen. We hebben al zoveel gehoord over een cultuur, die verloren dreigt te gaan, al zoveel over lauwheid en onverschilligheid, dat men waarlijk zou geloven dat alleen van bovenaf de geest wakker zou zijn te houden. We weten nu anders. In één nacht kreeg Nederland een ander gezicht, een andere vloedlijn. En na die ene nacht stond het behouden deel van ons land op in een gesloten frontformatie, bij moeder Dieleman vlak achter die bedreigde dijk, en bij de boer in de Achterhoek, die zelfs de zee nog nooit heeft gezien.

Er is grote droefheid in dit land. Maar wanneer eenmaal de gewassen weer zullen opschieten waar nu water is, en wanneer de honderden nieuwe kruisen en zerken verweren in wind en regen, dan zal dit zijn gebleven van de Februari-vloed van 1953: de ondergrondse, wonderlijke en ontroerende kracht van tien miljoen mensen op een veel te klein stuk grond.