Als een patatje oorlog

Er is de laatste jaren al veel over geschreven. Over die typisch Nederlandse jazz-scene van de Mengelbergs en de Benninks. Toch is de Amerikaan Kevin Whitehead erin geslaagd er een verrassend fris boek over te schrijven. En wat is volgens hem het geheim van de nederjazz? ‘Het is echt een conflictmodel.’ ..LE New Dutch Swing: Jazz + Classical Music + Absurdism. Billboard Books, Import. Nilsson & Lamm, 338 pag., Ÿ 55,95 ..LE OPEENS WAS HIJ ER. Mager, bleek, kalend en met een rusteloze blik in de ogen. Een beetje hyper. Hij denkt en praat twee keer zo snel als een ander. Zijn niet van cynisme gespeende grappen laten zijn gesprekspartners in lichte verwarring achter. Bij elk concert duikt hij weer op met zijn scherpe, kritische blik.

Twee‰nhalf jaar geleden verscheen de New Yorkse journalist Kevin Whitehead (45) in de Amsterdamse jazz-scene. Nu ligt er een lijvig boekwerk dat de geschiedenis en huidige situatie in de Nederlandse geãmproviseerde muziek in detail beschrijft: New Dutch Swing: Jazz + Classical Music + Absurdism. Geschreven in een gekruid Amerikaans, gepubliceerd door de commerci‰le New Yorkse uitgever Billboard Books. Waarmee Whitehead onbedoeld tot ambassadeur van de Nederlandse geãmproviseerde muziek is gepromoveerd.
‘Ik heb sinds 1980 over jazz geschreven’, blikt hij terug. 'En ik heb vanaf het begin ook naar niet-Amerikaanse jazz geluisterd. De Europese muziek was altijd onderdeel van het landschap. Toen ik in 1991 een October Meeting in het Bimhuis bezocht, realiseerde ik me onmiddellijk dat dit een heel vruchtbaar gebied voor onderzoek is. Er lopen hier een paar ongelooflijke figuren rond. Neem alleen al slagwerker Han Bennink! En het is een kleine scene waar je als het ware een cirkel omheen kunt trekken. Aan de hand van vijftien musici die in verschillende formaties met elkaar spelen, kun je al heel veel beschrijven.’
Maar er waren nog meer redenen om de Nederlandse jazzwereld als case-study uit te kiezen. Whitehead: 'De Nederlandse muziek heeft theatrale aspecten en een paar duidelijk traceerbare invloeden die de muziek heel geschikt maken om over te schrijven. Er is namelijk veel goede muziek waar ik niet zo veel over te zeggen heb. Ook was ik bewust op zoek naar een scene buiten de Verenigde Staten omdat daar doorgaans geen enkele aandacht aan wordt besteed. Enerzijds wordt jazz als een van de belangrijkste Amerikaanse exportproducten beschouwd, anderzijds kijkt niemand wat er eigenlijk mee gebeurt als hij eenmaal ergens anders met lokale stijlen wordt gemengd. Nederland was in dat opzicht aantrekkelijk omdat hier ook een soort regionaal dialect is, hoewel ik niet helemaal kon identificeren wat dat was.’
ONDERTUSSEN weet Whitehead als geen ander wat typisch Nederlands is. In de inleiding van New Dutch Swing zet hij de lezer op de fiets richting Haarlem en laat hem af en toe even afstappen om goed om zich heen te kijken: de kaarsrechte kanalen, de op het water veroverde stukken land, de diverse typen dijken, nieuwbouwwijken als Osdorp, en vooral het besef dat dit alles zich onder zeeniveau afspeelt. Uit de beweging van het fietsen, de cadans van het trappen verklaart hij de soepele ritmiek van de Nederlandse musici, die overigens tegengesteld is aan de opzettelijk stroeve klompentiming, al evenzeer karakteristiek voor de Nederlandse muziek.
Whitehead betoont zich met zijn metaforen een scherp en origineel observator, hoewel hij misschien een beetje doordraaft als hij ons ritmegevoel afleidt van de Nederlandse manier van kloklezen en het uur indelen. Maar hij verzuimt niet om de Amerikaanse lezer (het boek is oorspronkelijk voor de buitenlandse markt bedoeld, maar voorziet zeker in een lacune ten onzent) wat over de naoorlogse gevoeligheden uit te leggen. Als hij schrijft over de vader van Han Bennink, die vaak chauffeerde bij optredens, voegt hij er tussen haakjes aan toe: 'Oorlogsherinneringen waren aan het verbleken: Rein reed ze rond in een VW-bus.’
VANAF DE EERSTE bladzijde is duidelijk dat Kevin Whitehead uitputtend research heeft gedaan. De vooroorlogse situatie - wie kent die? - vat hij bondig samen, en met grote kennis van zaken beschrijft hij de ontwikkelingen na de oorlog. Het boek steunt op een interessante mengeling van bronnen: archiefmateriaal, platen, optredens en gesprekken. Een deel van dat verleden is voor ons gesneden koek, vooral omdat de afgelopen jaren verschillende ensembles en instellingen jubileerden (Gaudeamus, Donemus, De Volharding, het Sch”nberg Ensemble, het Bimhuis, de Instant Composers Pool). Dat was aanleiding voor beschouwingen over de Notenkrakersacties, de oprichting van de Bim en Sjin, de instelling van overheidssubsidies, de politiek ge”rienteerde muziekpraktijk en de vele collectieven. En dat geldt ook voor de reeks conflicten die maakten dat sommige musici, zoals Willem Breuker en Hans Dulfer, definitief een eigen weg kozen. Toch komt Whitehead met verassend hilarische citaten op de proppen. Neem Hans Dulfer die uitlegt wat het verband is tussen een saxofoonsolo spelen en een auto verkopen: 'Eerst breng je ze aan het dansen, dan laat je ze weer wat afkoelen, dan zweep je ze weer op. En zodra zo'n gozer verkocht is - “Ik denk dat ik de auto neem” - zeg ik: “Zou je er nog niet even over nadenken?”(’
Ook zelf excelleert Whitehead soms in prachtige metaforen. Zo vergelijkt hij een conflicterende combinatie van muzikale stijlen met een 'patatje oorlog’. Over Misha Mengelberg schrijft hij dat hij houdt van stukken 'vol losse schoenveters’. Zoals hij ook Mengelbergs liefde voor het schaken oppikt en het schaakspel ('een gestileerde oorlogsvoering’) als beeld voor het samenspel van Mengelberg en Bennink gebruikt.
'Dat was nieuw voor mij’, legt Whitehead uit in zijn woning bij de Amsterdamse Nieuwmarkt op loopafstand van jazzcafÇ De Engelbewaarder en het Bimhuis. 'Dat een verstandhouding gebaseerd kan zijn op tegenstellingen. Dat je samen iets maakt zonder dat die ander noodzakelijk je beste vriend is. Echt een conflictmodel. Zoals schaakgrootmeesters elkaar uit hun concentratie proberen te halen door met een kopje te rammelen, zo proberen Mengelberg en Bennink elkaar ook op het verkeerde been te zetten. Verwachtingspatronen doorbreken.’
UIT HET BOEK komen een paar karakteristieken van de Nederlandse muziek naar voren. Het gebruik van theatrale middelen (denk aan de voorstellingen van het Willem Breuker Kollektief, de shows met Wim T. Schippers, de producties van Baal), de vele buitenlandse invloeden vari‰rend van Engeland en Duitsland tot Zuid-Afrika en Suriname, de nadruk op compositorische vormen in plaats van kleur, timbre en sfeer (de term instant composing in plaats van improviseren duidt daarop) en de sterke integratie van geãmproviseerde en gecomponeerde muziek.
'Dat laatste is een interessant fenomeen’, zegt Whitehead. 'In Amerika woedde de laatste jaren een groot debat over de definitie van jazz. Een bepaalde soort muziek - die deels gecomponeerd was - mocht geen jazz heten. Bijvoorbeeld de muziek van Anthony Braxton. Dat was het eind van de discussie in plaats van het begin. Uit een misplaatst soort respect is men bang jazz met andere muzieksoorten te mengen. Terwijl jazz niet eens zou bestaan als mensen in het verleden niet verschillende stijlen gecombineerd hadden. Ik vond het aantrekkelijk dat niemand zich hier iets van die grenzen aantrekt.’ Via improviserende componisten als Theo Loevendie, Maarten Altena, Guus Janssen, Misha Mengelberg en Paul Termos belandde Whitehead midden in de gecomponeerde muziek.
Op de vraag of dat vreedzame samengaan van beide genres iets te maken heeft met ons subsidiestelsel, antwoordt Whitehead ontkennend: 'Overal ter wereld zijn improvisatoren jaloers op componisten. Musici zijn zich zeer bewust van de dubbele standaard die wordt gehanteerd ten aanzien van klassieke en jazzmuziek. Dat is hier niet anders. Ik weet geen cijfers, maar als je vergelijkt wat De IJsbreker aan subsidie krijgt en het Bimhuis, begrijp je onmiddellijk hoe scheef die verhouding is. Ik denk wel dat de subsidies bepaalde ontwikkelingen die anders niet hadden plaatsgevonden, hebben gestimuleerd. Dat muziektheater uit de jaren zeventig, maar ook de peperdure, gratis toegankelijke Inklusieve Konserten uit die tijd.’
De integratie van gecomponeerde en geãmproviseerde muziek berust op toeval, meent Kevin Whitehead: 'Misha Mengelberg en Louis Andriessen waren allebei in beide genres geãnteresseerd en hebben connecties tot stand gebracht. Het was cruciaal dat Misha in Monk Çn Cage geãnteresseerd was. Louis besloot een band op te richten - De Volharding en Hoketus - waar hij zowel in jazz als klassiek geschoolde mensen voor vroeg. Hetzelfde geldt voor Willem Breuker en zijn Kollektief.’
AL EVEN TOEVALLIG is de grote invloed die de muziek van Thelonious Monk en Herbie Nichols hier heeft gespeeld. Whitehead: 'Hier worden andere accenten gelegd. Monk werd twintig jaar geleden in Amerika niet door zo veel mensen serieus genomen als hier. Miles Davis kon daarentegen geen kwaad doen, ook al kreeg hij soms geen solo uit zijn trompet. Toevallig hoorde Misha al vroeg de platen van Monk en Nichols en kon hij haarfijn uitleggen waarom dat zulke bijzondere muziek was. Zelf zegt hij dat dat met zijn klassieke achtergrond te maken had. De rare akkoorden van Monk kon hij onmiddellijk plaatsen: Stravinsky. In Amerika zijn jazz en klassiek gescheiden, dus een jazzmusicus heeft niet dat Stravinsky-perspectief op Monk.
Ik was weer verbaasd dat Miles Davis hier niet als die universeel fantastische jongen werd beschouwd. Mensen letten hier minder op de mystiek die rond hem hing dan op de muziek die hij maakte. Hij werd hier een beetje onderschat. Daarom vond ik het leuk het afgelopen half jaar twee lange artikelen over hem te schrijven voor de Volkskrant. Herbie Nichols is hier invloedrijker dan hij ooit in de States is geweest. Daar beginnen ze hem net een beetje te ontdekken. Vanuit New York bellen ze nu het Bimhuis voor informatie over Nichols.’
NEW DUTCH SWING bestaat uit drie delen: een historische context, een reeks portretten van de belangrijkste improvisatoren en de verschillende formaties waarin ze spelen, en ten slotte de componisten voor wie improvisatie een wezenlijk bestanddeel van hun muziek is. Whitehead schetst een levendig beeld van de meest toonaangevende musici tot aan de jongste generatie toe, hij laat diverse buitenlanders aan het woord over de Nederlandse scene, en op een vanzelfsprekende manier betrekt hij ook Steim, de Studio voor elektro-instrumentale muziek, in zijn verhaal. Whitehead geeft de meest uitgebreide beschrijving van de Kraakdozen van Michel Waisvisz die ik ooit ben tegengekomen. Dit alles is gevat in een kleurrijke en geestige stijl en een speelse opbouw (het boek is volgens improvisatieprincipes gecomponeerd). Zijn neiging om geciteerde personen pas in een laat stadium te introduceren, is een van de weinige dingen die irritatie oproepen. En onvermijdelijk voor elke jazzkroniek zijn de dorre opsommingen wie wanneer waar wat met wie gespeeld heeft.
Hoewel zijn onderwerp behoorlijk uitwaaiert, is er ÇÇn constante: Misha Mengelberg. Alleen danwel met Han Bennink of de ICP. 'Misha is absoluut de held van het boek’, geeft Whitehead volmondig toe. 'Bij wijze van grapje riep ik wel eens dat ik het boek De wereld van Misha Mengelberg ging noemen. Ik heb de afgelopen drie jaar meer optredens van de ICP gehoord dan wie ook ter wereld. De eerste keer dat ik de groep hoorde, begreep ik er niets van. Waar zijn ze mee bezig? Hun referentiekader was zo anders dan wat ik kende: de ruige free jazz of de juist heel vriendelijke co”peratieve jazz uit Engeland, waarbij iedereen netjes naar elkaar luistert. In de ICP verkeren sommige musici op voet van oorlog met anderen, maar niemand schijnt daar moeite mee te hebben. Of er gebeuren twee totaal verschillende dingen tegelijkertijd. Een kamermuziekweefsel vloeit uit in iets swingends dat drie maten standhoudt en dan weer in iets anders overgaat. Niet verschillende stijlen achter elkaar gemonteerd zoals John Zorn dat doet, maar muziek die als een droom steeds metamorfosen ondergaat. En dan die Monk-pianosolo die aan de basis steeds doorgaat. Of de hele band die midden in een prachtige melodie precies tegelijk stopt. Ik was totaal gefascineerd. Daarom werd de ICP mijn eerste focus. De eerste ronde interviews in februari 1996 was voornamelijk met ICP-musici, die zelf ook weer allerlei formaties hebben.
De eerste gesprekken met Misha waren nogal algemeen. Hij leek niet zo geãnteresseerd. Naarmate mijn vragen specifieker werden, groeide zijn betrokkenheid. Ik ging hem steeds aardiger vinden. Ook al staat hij te boek als een lastig figuur, ik heb daar nooit zo veel van gemerkt. Behalve ÇÇn onuitstaanbare eigenschap: hij vertelde me nooit wanneer hij ergens zou spelen. Ook al vroeg ik hem vijftig keer me op de hoogte te houden.’
NA DE PRESENTATIE deze week van New Dutch Swing in het Bimhuis, opgeluisterd met allerlei optredens, vertrekt Kevin Whitehead voorlopig weer naar de Verenigde Staten ('Ik heb zin om weer een tijdje tussen mijn eigen mensen te zijn’). Hoewel hij verwachtte dat hij na dit boek wel uitgeschreven zou zijn over muziek, denkt hij daar nu anders over: 'Ik luister opeens met heel andere oren naar muziek die ik al lang ken. Ik weet nu veel meer over de geschiedenis en de muzikale verbanden. Dus dit wordt een tweede ronde.’
De Amerikaanse cultuur - high en low - is zijn eigenlijke interessegebied. Na een studie Amerikaanse literatuur schreef hij over film, eten en reizen - altijd vanuit dat perspectief. Ook zijn Amsterdamse onderzoek was een manier om naar de eigen cultuur te kijken. Een spiegel? Eerder een lachspiegel, zegt hij, refererend aan de Nederlandse perceptie van Monk en Nichols.
Je kunt als Amerikaan niet te lang in het buitenland verblijven, legt Whitehead uit. 'Het probleem is dat de Amerikaanse cultuur niet zo diep gaat maar wel heel snel verandert. Mensen kunnen zes maanden lang in de ban zijn van iets en ineens is het weg. V¢¢r mijn vertrek naar Holland had iedereen het over O.J. Simpson. Dat is nu over. Daarna zijn er weer vier of vijf andere issues geweest die ongel¢¢flijk belangrijk waren. Die heb ik gemist. Voor de rest van mijn leven zullen mensen grapjes maken die ik niet begrijp.’
Het schrijven van een boek is hem goed bevallen. Twee jaar aan ÇÇn onderwerp werken was pure luxe. Hij loopt met twee nieuwe idee‰n rond. Een boek over Bob Dylan ('Een belachelijk idee, want er zijn een zillion boeken over hem - die ga ik eerst allemaal lezen zodra ik weer in Amerika ben’) en een boek over de Amerikaanse films van Hitchcock. 'Net als bij New Dutch Swing is dat een manier om de Amerikaanse cultuur door de ogen van een buitenlander te zien.’