Cultuur: Mondkapjes

Als een schurk door het leven

Het mondkapje wordt als een ‘onwesters’ fenomeen gezien. Maar binnen een paar weken is het dragen van een masker toch verworden tot de nieuwe normaliteit, zoals te zien is in Duitsland.

1 mei-protest in Berlijn, in groepjes van maximaal twintig personen © Sean Gallup / Getty Images

Als ik mezelf in het spiegelende raam van de Berlijnse metro zie, schrik ik toch een beetje. Vriendelijk zie ik er niet uit, met mijn zwarte gezichtsmasker. De kleur doet denken aan de vermomde, stenen gooiende links-autonomen op 1 mei. Door de twee ventielen en de metalen neusklem heeft het ook wel iets demonisch.

‘Je ziet eruit als de schurk uit een Batman-film’, zegt mijn vriendin. Zelf draagt ze een vrolijk rood lapje met bolletjes, gekocht bij het naaistertje op de hoek. De kinderen hebben dezelfde in klein formaat, maar dan met sterretjes – mijn vierjarige zoon gebruikt hem voor zijn ridderspel.

Mijn zwarte masker kreeg ik in een kartonnen doosje thuis gestuurd. Twee weken voor de Duitse Maskenpflicht in winkels en het openbaar vervoer had ik voor het eerst het fenomeen neus-mond-bescherming gegoogeld. Ik begon onrustig te worden. Zuid-Korea, las ik, daar doet men het zo goed in de coronapandemie, en dat zou best wel eens met het mondkapje te maken kunnen hebben.

In Berlijn was de wereld op dat moment nagenoeg mondkapjesvrij. In Duitsland gold er weliswaar een ‘aanbeveling’, maar tegelijkertijd schreef het Robert Koch Instituut, het Duitse rivm, dat de bescherming ervan twijfelachtig was. Uit Nederland hoorde ik hetzelfde. Het mondkapje zorgt voor ‘schijnzekerheid’, klonk het sceptisch vanuit het rivm. Ondertussen stond slechts één ding echt vast: zelfs het simpelste stofkapje uit de bouwmarkt was nergens meer te krijgen – blijkbaar waren er meer mensen onrustig geworden.

Sinds mijn avondlijke googlesessie doken op mijn beeldscherm ineens advertenties op van onduidelijke mondkapjesaanbieders. Ik klikte op de advertentie die er het indrukwekkendst uitzag en twee weken later kwam het doosje binnen – net op tijd voor de plotselinge omslag van de Duitse bondsregering naar een Maskenpflicht op 1 mei; een maand na Oostenrijk, een maand vóór Nederland.

Als ik midden mei de metro instap, dragen bijna alle andere reizigers een gezichtsmasker. Een probleem om ze te krijgen is er niet meer: op het metrostation verkoopt zelfs de kiosk naast zonnebrillen en baseballpetten nu ook zelfgenaaide lapjes. In diverse apotheken zijn voor dezelfde prijs echter ook al ffp2-maskers te koop, tot voor kort alleen voor artsen gereserveerd, wier reputatie als virusbeschermer tot haast mythische proporties is gegroeid.

De enige reiziger die in deze wagon geen masker draagt, valt meer op dan de mensen met. Misschien is hij hem gewoon thuis vergeten, maar misschien is het wel een statement. ‘Het gezichtsmasker is een muilkorf!’ zo klinkt het sinds kort op demonstraties in Duitse steden: volgens de demonstranten van links- en rechts-radicaal maken de coronaregels de burger monddood, en het bedekte gezicht zien sommigen van hen als een teken aan de wand.

In de Verenigde Staten is het face mask op het hoogste politieke niveau zelfs onderdeel van de polarisatie tussen progressief en conservatief geworden. Donald Trump vindt het dragen van een mondkapje voor hemzelf onzin, terwijl Nancy Pelosi, de Democratische voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, hem demonstratief oproept er een te dragen – als ‘goed voorbeeld’ voor de bevolking.

Om nuchtere feiten gaat het in deze debatten rond het masker overigens maar weinig. Het gaat om veel meer dan dat. ‘Ik ben mij er volledig van bewust dat maskers voor onze cultuur iets vreemds zijn’, zei de Oostenrijkse kanselier Sebastian Kurz toen hij eind maart als eerste West-Europese regeringsleider het mondkapje in winkels verplichtte.

Het gezichtsmasker blijkt zich uitstekend te lenen voor heftige emoties, omdat de verhulling van het gezicht als een ‘cultuurvreemd’ fenomeen wordt gezien, zoals dat germanistisch heet. Iets ‘onwesters’, dat tot voor kort het liefst buiten de deur werd gehouden.

Historisch gezien is deze vervreemding overigens nogal overdreven. De westerse scepsis tegenover het gezichtsmasker is pas relatief recent ontstaan, schrijft de Kasselse globalhistory-docente Julia Hauser. In de eeuwen voor 1900 waren maskers in West-Europa niets vreemds, variërend van ridderhelmen tot adellijke zonnesluiers, en van de snavelmaskers van veertiende-eeuwse pestdokters tot aan het carnaval.

Het masker heeft in deze periode steeds een dubbele functie gehad: het diende de drager te beschermen, maar net zo vaak moest het diens identiteit verbergen. Precies om die laatste functie raakte het masker na 1900 in het openbaar steeds meer uit de gratie, schrijft Hauser. Het is het moment dat de moderne psychologie haar maatschappelijke rol inneemt. Met een onverhuld gezicht legt men de nadruk op zijn individualiteit, men wil dat het gezicht een ‘open boek’ is, een teken van ‘authenticiteit en eerlijkheid’.

Sinds 1900 is een onverhuld gezicht een kenmerk van het vrije westerse individu

Een onverhuld gezicht wordt vanaf dat moment een kenmerk van het vrije westerse individu – en met toenemende verbazing of zelfs dedain wordt naar de volkeren gekeken die anders met verhulling omgaan. De afgelopen jaren ging de meeste afkeer naar de islamitische sluier – het was Oostenrijk, het eerste West-Europese land met Maskenpflicht, dat kortgeleden nog een boerkaverbod verordende –, maar ook het medische mondkapje riep tot voor kort nog vooral de lachlust op.

Het was iets voor hypochondrische Aziaten – geen effectief middel tegen de verspreiding van een virus. Om nog maar te zwijgen van de culturele kloof die deze vrijwillige verhulling van het gezicht liet zien. ‘De westerling houdt ervan te laten zien wat hij denkt en voelt’, zei de directeur van het Frankfurter Wereldcultuurmuseum ter gelegenheid van de invoering van de Maskenpflicht op de Duitse radio, ‘terwijl men in Aziatische landen de ander niet wil overspoelen met zijn emoties.’

En nu: brokkelt die culturele kloof binnen een paar weken zomaar af? Als een van de eersten uitte medisch antropoloog Christos Lynteris zijn bewondering over de mondkapjestraditie in Aziatische landen. Met name sinds sars in 2002 wordt het mondkapje er gedragen, maar dat kan alleen omdat het er als ‘teken van medische moderniteit’ cultureel verankerd is, schreef hij in februari in The New York Times: het masker speelde eind negentiende eeuw in China een cruciale rol in de bestrijding van de pest, en is daarna, door de uitbraak van de Spaanse griep, ook in Japan blijven hangen – terwijl het verplichte mondkapje in diverse westerse regio’s na die pandemie direct weer van het toneel verdween.

Volgens Lynteris is de les van Aziatische landen: dankzij het mondkapje, dat ‘symbool van een existentieel risico’, kan ‘een samenleving ook tijdens een pandemie blijven functioneren’. De belangrijkste gedachte erachter: de effectiviteit van het masker wordt niet gemeten aan de bescherming van jezelf, maar aan de bescherming van de ander; want als iedereen zijn virale uitwasemingen beperkt, lopen ook de besmettingen terug.

Het mondkapje is een ‘teken van hoffelijkheid en engagement’, zegt ook Christian Drosten, hoofd van de afdeling virologie van het Berlijnse Charité Ziekenhuis en in Duitsland de invloedrijkste wetenschapper in de coronacrisis. Het is precies dit argument dat doorslaggevend is geworden voor diverse Europese overheden om een mondkapjesplicht in te voeren – een simpele mondbedekking als een sjaal kon daarom ineens ook.

Per 1 mei geldt in Duitsland in winkels en openbaar vervoer een Maskenpflicht © Jorg Carstensen / dpa Picture Alliance / HH

Hoe mooi het ook klinkt, in de praktijk gaat het er minder altruïstisch aan toe. Op het plein voor mijn metrostation Kottbusser Tor, een van de drukste locaties van Berlijn, doet een man zijn masker af, net als ik langs hem naar de metro loop. Hij niest luid en zet zijn masker weer op; zijn lapje is niet vies geworden. Was dat anderhalve meter, was dat ‘een teken van hoffelijkheid’?

Na twee weken met masker is duidelijk: het mondkapje draagt men niet voor de ander, maar voor zichzelf – omdat men hoopt dat het bescherming tegen een potentieel dodelijk virus biedt. En precies door dit verlangen naar veiligheid kon dit ‘cultuurvreemde’ ding in zeer korte tijd ineens een nieuwe normaliteit worden – inclusief nieuwe rituelen.

In de metro bestudeer ik beter dan vroeger mijn medereizigers. Het cliché klopt: mannen zien er met masker crimineler uit, vrouwen mysterieuzer – maar hoe weet je of je gelijk hebt? Onze non-verbale communicatie zal gaan veranderen, vertelt een ‘mimiekdeskundige’ in Die Welt: de lippen, het belangrijkste lichaamsdeel om emoties mee uit te drukken, zijn nu bedekt; je moet op de wenkbrauwen letten – die nemen de functie van de mond over om je woorden kracht bij te zetten. Echt veel zorgen maakt de deskundige zich overigens niet over onze status als ‘sociaal wezen’. Het masker heeft namelijk ook een onderschat voordeel, vertelt hij. Maskerdragers hoeven hun gezicht niet meer permanent in de plooi te houden, en dat kan ook best ontspannen zijn. De luid bezongen ‘openheid’ van het westerse gezicht is altijd al relatief geweest: het onverhulde gezicht is tenslotte ook een sociaal masker, dat signalen voor de communicatie uitzendt.

Juist die functie van ‘sociaal masker’ blijkt volgens de mimiekdeskundige ook overgenomen te kunnen worden door het lapje stof. Het masker kan worden ingezet als statement, als de uitdrukking van individualiteit. In Berlijn heeft zich binnen een paar dagen inderdaad al een uitermate bonte en individuele mix van maskers ontwikkeld. Het grootste deel ervan is van eigen makelij, een kleiner deel is een prijzig modieus statement – en slechts het kleinste deel betreft de medische witte maskers. Zelfs de basisschool van mijn dochter vraagt de kinderen foto’s van zichzelf op te sturen, hoe ze er ‘met hun masker uitzien’.

Sebastian Kurz hoeft zich geen zorgen te maken: de westerse cultuur verandert niet door de komst van het masker, maar de westerse cultuur lijft het gezichtsmasker in. In de westerse openbare ruimte wordt het masker niet een kenmerk van uniformiteit, maar je nieuwe avatar, je nieuwe masker voor de sociale context.

Zelf voel ik me met mijn nieuwe persona van ‘schurk’, dat me door mijn zwarte masker wordt opgelegd, overigens nog wel wat ongemakkelijk. Maar gelukkig is er, net als bij een echt gezicht, variatie in oordeel mogelijk. In de metro komt een oudere vrouw tegenover me zitten; ze heeft een zwarte doek over haar gezicht gebonden – een zwerver, een van de velen in de stad. Ze kijkt me onderzoekend aan. Dan zegt ze: ‘Cool masker, die ventielen lijken me heel goed.’

Voor haar ben ik geen schurk, maar iemand die extra goed is gewapend tegen de ‘existentiële risico’s’ van het dagelijkse leven. Of het klopt weet natuurlijk niemand – in het kartonnen doosje was verder geen informatie over de feiten te vinden.