Als een slakkenhuis

De intrigerende iglo van Mario Merz is een vorm die geen zin had om een kubus te worden.

De kleine iglo, Dal miele alle ceneri, van Mario Merz is in zijn samenstelling zo verfijnd als een juweel. Het ding staat op de vloer en is ongeveer 140 centimeter hoog, hoger dan een tafel, waarvan de hoogte doorgaans tegen de tachtig centimeter is. Een volwassen persoon staat er dus naast en dan kijkt hij er van dichtbij bovenop. De iglo is een losse assemblage van met name dunne, hoekige plakken bijenwas (verstevigd met keteldoek) en enkele scherp gesneden stukken plaatstaal, gemonteerd op een frame van ijzeren buizen. Verder zien we twee dennenappels en ook een geprepareerde kop van een antilope. Met hun ronde morfologie horen die voorwerpen (en vooral ook de slanke, gedraaide hoorns van het dier) in het soepele samengaan van spitse en gebogen vormen die voor de iglo zo karakteristiek zijn. Of hier nog sprake is van diepzinnige gedachten, weet ik eigenlijk niet. Hoe in de natuur dingen groeien, volgens bepaalde progressies, hield Merz erg bezig. Eén typologie van groei die overal in zijn werk opduikt, is bijvoorbeeld de uitdijende spiraal, waarvan hij de beweging adembenemend vond in haar trage eindeloosheid. Hij maakte tafels met die vorm. In de verte herinnert de gebogen iglo natuurlijk ook aan de gestage kromming van de spiraal. Ze zijn niet hetzelfde maar horen tot dezelfde familie van geleidelijk gebogen vormen. Die worden in deze iglo in scène gezet.
Inmiddels roept de titel een soort levensboog op: van honing naar as - zogezegd van het zeer voedzame naar de laatste, dode resten. Maar de tegenstelling beschrijft ook de kleuren van de iglo: de bijenwas, goudgeel natuurlijk als honing, en de dode asgrauwe kleur van het plaatstaal. Aan de verfijning in de kleurgeving van het ding, het zachte geel naast het matte en strakke grijs, is ook te zien dat Mario Merz in temperament een schilder was. Dal miele alle ceneri is ook een compact schilderij, eerder dan een sculptuur, waaraan echter ook het handgemaakte boetseren overal te bespeuren is.
Aan de basis is de iglo iets meer dan tweehonderd centimeter in doorsnee. Als je voorover buigt zou je hem aan de bovenkant bijna kunnen omarmen. Het is dus een tastbaar, bijna lieftallig object - heel anders dan bepaalde veel grotere iglo’s van de kunstenaar waar je tegenover staat als tegenover een bouwwerk. Natuurlijk zijn ze altijd ook architectonisch van aard. Hun prachtige vorm, die van een halve bol, is zeer overzichtelijk en wat maat betreft eigenlijk onbegrensd. Een iglo die groter wordt, dijt in alle richtingen gelijkelijk uit en blijft als vorm hetzelfde. Net zo natuurlijk als een spiraal groeit hij zoals een vrucht groeit aan een boom. In de kromming van de vorm is ook iets diep geheimzinnigs. Van de Engelse dichter Thomas Beddoes (1803-1849) las ik dit korte vers: ‘A lake/ is a river curled and asleep like a snake.’ Dat bedoel ik: alsof een iglo, net als een slakkenhuis, een vorm is die geen zin had om een kubus te worden.
Mario Merz was de Europese tijdgenoot van de Amerikaanse minimalisten, maar met zijn lyrische karakter kon hij niet overweg met de harde kubus omdat die vorm te ver verwijderd was van rijpende vruchten. Omdat hij (na de eerste moderne kunst van Picasso, Boccioni en Mondriaan) geleerd had dat de kunstenaar een methodische vorm moest hebben, adopteerde hij de vorm van de iglo, zoals de minimalisten de kubus. Vergelijk de iglo eens met een werk van Sol Lewitt: een van de staten uit de serie Variations of Incomplete Open Cubes. Een complete open kubus bestaat uit twaalf ribben, maar hoeveel daarvan, en in welke combinatie, kun je weglaten terwijl toch de driedimensionale vorm van een kubus zichtbaar blijft? Dat was wat Lewitt zich voorstelde te maken, met zijn typische manier van werken met seriële permutaties. Hier afgebeeld is een staat met tien ribben en twee die missen. De serie begon met drie staten van drie ribben terwijl er negen missen en eindigt met een van elf ribben waarvan er één mist. In totaal bestaat de serie uit 122 variaties. Het is niet ongebruikelijk het werk van Sol Lewitt streng te noemen. Maar er zit ook veel geduld in het geknutsel en in de ambitie alle variaties te maken. Zelf heb ik dit soort werk altijd geestig gevonden - op de manier dan waarop het strakke, bleke gelaat van Buster Keaton om te lachen is. Die kubussen zijn zelfs niet droog want, hoekig als ze zijn, tegelijkertijd is de beweging van de ribben ook wel soepel en lenig. Maar Mario Merz heeft met de iglo een vaste basisvorm geadopteerd waar alles aan is op te hangen en waar je materialen en vormfragmenten en kleuren naar believen kunt optasten. Zitten zijn werken losser en impulsiever in elkaar? Zelfs dat is zeer de vraag en eerder een kwestie van smaak en voorkeur. Ik weet alleen dat Sol en Mario (die ook goede vrienden waren) samen een prachtige bijdrage hebben geleverd aan de onuitputtelijke rijkdom van de levende kunst.

PS De iglo van Mario Merz is nog maar t/m 9 oktober in het Stedelijk Museum, Amsterdam, te zien. In het Van Abbemuseum in Eindhoven bevinden zich, als lang bruikleen, vier stukken van de Incomplete Open Cubes van Sol Lewitt - soms daar ook tentoongesteld. Het blijft behelpen met de nieuwe klassieken