Van oude en nieuwe vaders

Als een verlaten koning zonder koninkrijk

De meeste mannen investeren nog steeds weinig in de zorg voor hun eigen kinderen. De samenleving respecteert het zorgend vaderschap maar nauwelijks en de vrouwen geven de opvoeding niet makkelijk uit handen. Terwijl mannen er toch vaak de betere in zijn.

Medium vader 04

Er staat een passage in John Williams’ Stoner die ik maar nauwelijks verdraag. Die beschrijft het moment waarop Stoner beseft dat zijn jonge dochter Grace en hij met succes uit elkaar gedreven zijn. Om net als hij ‘de enormiteit’ van deze gebeurtenis te begrijpen moeten we terug naar het begin van de relatie met zijn dochter. Stoner, enige zoon uit een arme boerenfamilie, heeft zich door studie opgewerkt tot docent Engels en literatuur aan de universiteit van Columbia en is omhoog getrouwd. Zijn huwelijk – dat een moeizame start kent en in erotisch opzicht faalt (al voelt Stoner zich erg aangetrokken tot zijn vrouw) – mondt na enige jaren uit in de geboorte van een dochter, maar Stoners vrouw Edith blijft minstens een jaar bedlegerig en in die tijd is hij ‘vader en moeder’ voor het meisje en vormt hij in het Amerika van de jaren twintig, met nog steeds een strikte taak- en rolverdeling tussen mannen en vrouwen, moeders en vaders, een volstrekte anomalie.

Nadat hij zich ’s middags en ’s avonds van de universiteit naar huis heeft gespoed, maakt William Stoner de kamers schoon, doet hij de afwas en kookt hij het avondmaal. Daarna (vaak na middernacht) kruipt hij onder een deken en valt in slaap op de bank. Grace is ‘zelfs bij haar geboorte al een prachtig kind’ en William, overspoeld door een liefde die hij niet bij zijn vrouw kwijt kan, vindt het ‘onverwacht fijn’ voor haar te zorgen. Zodat Grace Stoner in het eerste jaar van haar leven alleen de aanraking van haar vader, zijn stem, zijn liefde en zijn blik kent.

Huwelijk en carrière van Stoner kennen meer pijn- dan hoogtepunten. Gelukkig is er te midden van dit alles steeds het contact met zijn zachtaardige kind, dat in zijn studeerkamer aanwezig is als hij werkt. Zo komt Stoner er in die stille, tedere uren geleidelijk achter dat zijn dochter een centrale plek in zijn leven inneemt. Die plek blijkt een doorn in het oog van zijn vrouw Edith, die haar opvattingen heeft over welke opvoeding nodig is voor Grace. Murw van teleurstelling en gevangen in haar keurslijf keert ze na het overlijden van haar vader en een lang verblijf in haar ouderlijk huis in St. Louis terug, dobberend op de eerste golven van het Amerikaanse feminisme – haren korter, jurk korter – en grijpt ruw in door Stoners werkkamer (dat schaduwrijke universum waar Stoner en Grace ieder met hun eigen dingen bezig zijn) binnen te dringen en het kind voorgoed uit het rijk van de vader en de vader uit de lichte wereld van zijn kind te verdrijven.

‘Grace, heb je me gehoord? Kom daar onmiddellijk vandaan.’ (…) ‘Het is goed, Grace’, zei hij zo vriendelijk mogelijk. ‘Het is goed. Ga maar met je moeder mee.’

Waarna het alomvattende en veelzeggende: ‘De enormiteit drong langzaam tot hem door.’

De uitdrijving is zo succesvol dat het tot ver in Grace’s volwassenheid zal duren voor er weer toenadering plaatsvindt. Een fragiel contact waaruit blijkt hoe goed de twee elkaar altijd begrepen hebben, maar ook hoe groot de afstand inmiddels is geworden. Op het sterfbed van Stoner, als hij in het vermoeide, afgematte gezicht van zijn dochter de sporen van haar leven ziet, schiet het nog een keer door hem heen. ‘Je was een prachtig kind’, zegt hij, ‘natuurlijk was je er, altijd’ en vindt de auteur John Williams ook de woorden voor die heel speciale pijn van ouders die getuige zijn van het mislukte leven van hun kind. Een kwelling die door Arnon Grunberg wrang en hard beschreven wordt in Tirza, en in Alice Munro’s Runaway milder, maar even prangend aan bod komt. Bijvoorbeeld in Silence, het verhaal van een moeder die geen contact meer kan krijgen met haar dochter.

Zo lang ik me kan herinneren hebben geschiedenis, literatuur, film en beeldende kunst me langs talloze – nogal onrustig stemmende, narratieven rond vaderschap geleid. Daar was bijvoorbeeld mijn vader op de rand van het bed. Beeldend deed hij verslag van het moment waarop Abraham zijn zoon Isaak op het offerblok legde om hem, naar Gods wil, de keel door te snijden. Hoe vaak heb ik niet gedacht aan de wandeling die Abraham en zijn zoon maakten, terug naar huis (hoe zullen ze zich tegenover elkaar voelen, dacht ik, de daad niet begaan, de zoon niet geslacht, maar toch…).

Al luisterend en lezend trok ik in de daaropvolgende jaren langs stromen wrede, autoritaire, krachtige vaders, en hun nakomelingen. De geschiedenissen van aartsvaderen, stam­vaderen en hun al dan niet erkende erfgenamen of opvolgers. Bloed vloeide. Zoons veranderden in vadermoordenaars, of werden zelf afgeslacht en opgevreten. Dochters in torens opgesloten of aan kwijlende oude mannen meegegeven. In een recente serie als Game of Thrones loopt deze (klassieke) draad door alle afleveringen, al worden er daarnaast ook volop andere, meer emancipatoire getrokken.

Sidderend volgde ik de kringloop van afwijzingen en bruuske ingrepen. Alles diep verbonden met economische belangen, bezit, wet, recht, erfenis, naam, macht, ‘huizen’. Daarna kwamen de noodlotsromans uit de negentiende en twintigste eeuw met plotselinge, onverwachte aandacht voor de (tragische) moeders, gevangen in beklemmende huwelijken, seksloos moederschap, en het lot van hun onfortuinlijke baby’s. Waarna het weer wemelde van de vaders en de zoons (minder dan van de vaders en de dochters). Nu vooral vanuit het perspectief van de opstandige zoons, die in de karakterstructuur van hun vaders het autoritaire, ‘verstopte’ karakter van de maatschappij weerspiegeld zagen, en die in de vitale, gretige romans van Jan Wolkers en Jan Cremer op zoek gingen naar de verlossing in de flipstand, in kutten met wratten van binnen (naar aan je vingers, maar lekker voor je lul) terwijl vrouwen langzaamaan, maar warmgedraaid en woedend aan hun ritsloze nummers begonnen.

Tegelijk was er jarenlang de verwarrende, want vanzelfsprekende warme realiteit van mijn vaders zorgzame vaderschap, dat in veel opzichten op dat van Stoner leek. Daar zat mijn moeder als trotse koningin te midden van de buurvrouwen die in een mengeling van bewondering, achterdocht en verbijstering naar mijn vader keken die naar boven ging om het wasgoed af te halen. Had ze hem behekst? Was hij gek of zo? Wat deed ze ’s nachts met hem?

Slechts een enkele keer zag ik hem ineens ook in de literatuur: de zachtmoediger, betrokken (of in ieder geval tot zo’n betrokkenheid of verandering bereide) vader. In King Lear en Edward Bonds Lear, in Nabokov’s Pnin, in Een zeeman door de zee verstoten, in Knielen op een bed violen, in Lionel Shrivers We Need to Talk about Kevin, in de sprookjes van Andersen, in Stoner. Geen wonder misschien. Hem wacht, zoals de eeuwig zieke, zwakke, goede (of al dode) moeder in sprookjes meestal een tragisch lot. Waarna het ‘echte’ verhaal, dat van de zich (op hem) wrekende zoons kon beginnen.

Een van de redenen waarom de slotzin van Reve’s De avonden nog steeds zo doorzindert is het uiteindelijke eerherstel dat die regel biedt aan zo’n verliezende vader. >

‘Vaders zijn de vliegen van de wereld. Ze zoemen om onze hoofden, hun kans afwachtend, en als ze iets rots in ons ontdekken, schieten ze daar op af en gaan er in wroeten.’ Dit zijn de harde woorden van ‘de leider’ aan Noboru in Yukio Mishima’s spookachtig beklemmende en mesmeriserende verhaal over de internalisering van een hard en brutaal vaderschap in Een zeeman door de zee verstoten. De verwachtingen van vaderschap en de rol van de vader in het masculiene naoorlogse Japan. ‘Papa, heeft het leven enig doel? Je snapt wel waar ik naar toe wou, wat ik eigenlijk bedoelde? Vader, kun je me ook maar één reden geven, waarom jij doorgaat met te leven. Zou het niet beter zijn om maar zo vlug mogelijk te verdwijnen? Maar zo’n oerduidelijke insinuatie bereikt zo’n man niet eens.’

Ze zijn gericht aan Noboru, een jongen die nog maar net het ‘stiefkind’ van een zeeman, een ‘nieuwe’ vader is geworden. Noboru is de dertienjarige zoon van een jonge, mooie weduwe, die met haar op de top van de Yado-heuvel in Yokohama woont, in een door zijn (overleden) vader gebouwd huis. Noboru’s moeder drijft een luxe winkel in textiel. Haar man is al vijf jaar dood. Overtuigd van zijn eigen genialiteit is Noboru er zeker van dat het leven bestaat uit een paar eenvoudige tekenen en beslissingen. Zijn hart stelt hij zich het liefst voor als ‘een groot ijzeren anker, bestand tegen de verwering van de zee, en vol minachting voor de mossels en oesters die de scheepsrompen belaagden, glad en onverschillig wegzinkend in de modder van de haven’. Als er tussen zijn moeder en tweede stuurman Tsukazaki een liefde ontstaat, kan die in eerste instantie de goedkeuring van Noboru wegdragen.

Hij vertelt de leider van de bende, een groep jongens bij wie hij rondhangt en waarmee hij gruwzame rituelen uitvoert (zoals het doden en villen van een jong katje), over de zeeman. ‘Die zeeman is geweldig! Net een fantastisch beest dat zo uit de zee gekomen is, doornat en wel. Vannacht heb ik hem met mijn moeder naar bed zien gaan.’ Hij heeft hen gadegeslagen door het gaatje in de wand die zijn kamer van die van zijn moeder scheidt.

Maar zodra de (stief)vader zich in de ogen van de jongen te veel in de richting van het vrouwelijke beweegt, door afstand te willen doen van de zee en ‘aan land te komen’ – hij wil zich met de opvoeding bemoeien en in de winkel werken (tussen de zachte stofjes) – breekt het moment aan dat Noboru een afkeer krijgt van de zeeman (‘Hij wil dat ik hem aardig vind’) en stelt hij een lijst op van ‘aanklachten tegen Tsukazaki’.

Geruggesteund door zijn peer group, een verkleinde versie van de Japanse samenleving op zijn masculienst, accepteert Noboru de geboorte van zijn nieuwe (en nog maar halfslachtig voor hem zorgende) vader niet. Hij verlangt de vader in zijn oude vaderrol, die van onaantastbare, onkwetsbare verschijning. Als tot hem doordringt dat de zeeman nooit meer die afstandelijke held zal worden en de leider hem in een lange monoloog schetst wat voor vader hij dan wél in hem zal hebben, een aanwezige, geknechte vader (waardoor ook zijn eigen dood in het zicht komt) groeit zijn wens hem voorgoed van zich af te stoten. De geschiedenis eindigt met de aankondiging van de vadermoord.

Pijnlijk legt Mishima de verwachtingen van een masculiene maatschappij ten aanzien van het vaderschap bloot. De leider spreekt daarbij het vernietigende oordeel over aanwezige, maar nauwelijks echt op de wereld van hun kinderen betrokken vaders uit: ‘Wat vinden jullie van zo’n stomme, afgezaagde moraal? Hij had maar even op een knop te drukken, en wat een vader hoort te zeggen, kwam er kant en klaar uit. En heb je weleens op de ogen van een vader gelet, op zo’n moment? Ze staan wantrouwend tegenover alles wat creatief is en ze zijn er alleen maar op uit, de wereld tot iets nietigs terug te brengen, zodat ze het aankunnen.’

Een gruwelijke opvatting. Een vader is een machine om de werkelijkheid te camoufleren, een machine om leugens aan kinderen voor te schotelen en dat is nog niet eens het ergste: diep in zichzelf gelooft hij dat hij de werkelijkheid is!

Zo ver als mijn herinnering teruggaat was mijn vader degene die ons, mijn jongste broer en zus en mij, naar bed bracht, verhaaltjes voorlas en verhalen vertelde die hij ter plekke verzon, die voor ons kookte, ons in bad deed, een kruik vulde, de haren waste, die prikkelende taalspelletjes verzon, en tal van dingen deed die de conventie van origine eenzijdig heeft verbonden aan moederschap. Ik weet wel, dat is nu allemaal zo uitzonderlijk niet meer (al wordt het in de meeste gevallen keurig in een papadag gepropt), maar in die tijd was hij maar een raar relict. Hoewel dit alles – zoals in Stoner –, haast ik me te zeggen, in het begin veel minder een keuze moet zijn geweest dan het gevolg van een plotselinge, brute ingreep in hun huwelijk en leven. Mijn moeder liep in de veertig, mijn vader ging richting vijftig – allebei hadden ze al ruim ­geoefend op onze voorgangers, toen een ongeluk ze beroofde van hun jongste kind.

Toen ik ter wereld kwam was de rouw nog vers. Zodat ons ‘bestaan’ aanving met verwond ouderschap, begonnen op de breuklijn van eerdere huwelijken en op de lavastroom van onstuimige erotiek en de dikke aslaag van armoe na mijn vaders sociaal-maatschappelijke terugval (waarvan hij pas na lang en hard werken herstelde). Ook daarin volgde hij enigszins de geschiedenis van Stoner. Eén ding is zeker, hij was ooit aan zijn vaderschap begonnen met een pakket aan overtuigingen en had bevrediging geput uit zijn positie als pater familias, kostwinner, ‘gezagsdrager’. Tot vlak voor zijn dood konden we hem op familiebijeenkomsten, terwijl hij de kinderschare overzag, met de trots van een oud-testamentische stamvader horen zeggen: ‘Ja; het zaaaaaad is niet op de rotsen gevallen.’ Maar daar klonk al spot in door.

In ieder geval moet hij – de tijdgeest werkte ook mee, het waren de jaren zestig, zeventig – ergens in de tijd gemerkt hebben dat hij (net als mijn moeder) gevangen zat in een rol die hij niet langer ambieerde, zijn carrièrepiek was bereikt, een meerdere promoveerde op zijn proefschrift, en daar zat mijn vader, thuis, ‘overspannen’, de oude rol hing als een los huidje om hem heen.

Ik herinner me zijn kreet toen mijn moeder hem na ons geklier weer eens vroeg op te treden.

‘Ja, nu moet ik zeker weer de boeman zijn!’ riep hij met schrille stem. ‘Boeh, boeh, daar is de Boeman!’ In zijn stem alle pijn van de herinnering aan de dag van het ongeluk, dat had plaatsgevonden enkele uren nadat hij ons klierig broertje naar buiten had gestuurd.

En dat alles herlees ik in Stoner. Niet letterlijk natuurlijk. Maar toch. Hoe uniek zijn verhaal in mijn ogen ook was, het staat in werkelijkheid voor het verloop van heel wat vader- en mannenlevens. Ja, mijn vader, hij werd ertoe ‘gedwongen’, net als Stoner, maar het bleek dat hij er de betere in was.

Vaders houden er niet van om te zorgen voor kinderen, lees ik op Twitter in een column van Dylan van Rijsbergen. Het merendeel van de mannen investeert nog steeds maar bar weinig in de zorg voor zijn eigen kinderen. Ze vinden die zorg saai en vies. Het levert ze nauwelijks erkenning op en het impliceert keuzes en offers die ze niet willen maken.

Ik denk aan mijn vader en zijn rolverandering. Er is een oude foto van hem. Zo’n kartelige zwart-witte. Hij zit in zijn kantoor als een verlaten koning zonder koninkrijk. Aan de muur hangt een kalender. Nadat mijn jongste broer die had uitvergroot werd de datum weer zichtbaar: 13 april, zijn verjaardag, vijf dagen na het ongeluk; hij werd terug verwacht op zijn werk.

Ik denk aan mijn moeder. En aan Stoner. Aan hoe anders wij het allemaal zouden doen.

Ouderschap bestaat niet los van de sociale omgeving. Aan de ene kant is er de samenleving, die het zorgend vaderschap maar nauwelijks respecteert (niet voor niets voelt de man van Birgitte Nyborg in de tv-serie Borgen zich half gecastreerd met zijn succesvolle vrouw, hij wil de kinderen wel, maar niet die meewarige blik van de buitenwereld). Of zijn er de vaders die maar nauwelijks de waarde van het vaderschap inzien. Aan de andere kant zijn er de vrouwen, die de zorg en de ruimte voor een eigen invulling van dit opvoeden niet (of slechts tijdelijk) uit handen willen geven.

Inmiddels heeft de helft van mijn sociale kring zich opnieuw gerangschikt. Gescheiden, herverdeeld. Hele velden van bloeiende (of bloedende) alleenstaande of zich in nieuwe gezinsconstructies voegende vader en moeders. Van babyboomvaders tot jongensvaders, van golden-retrievervaders die ravottend over het strand rollen tot aarzelend over de streep getrokken, maar dan opvallend toegewijde vaders. Van in tijden van crisis niet aan het werk gerakende en zich dus op de kinderen stortende vaders tot ‘te oud voor de maatschappij-­vaders’, die via een achterdeur tegen gereduceerd tarief hun oude failliete bedrijf weer worden binnen­gesluisd en met bezorgde blik hun jongvolwassen ­kinderen volgen, tot de snoeiharde zelfzuchtige Houellebecq-vaders. Een weidse range, een gevarieerd palet. Al dan niet gesteund door of verbonden met carrière­vrouwen, zorgvrouwen, Gooische vrouwen, vrouwen aan de maatschappelijke onderrand in laagbetaalde kutbaantjes met nul-urencontracten, overbelaste werkende vrouwen met zorg­taken naar boven en beneden. Voorhoedelopers en nieuw uitgestotenen.

In Borgen deel 3 volg ik met extra belangstelling de ontwikkelingen rond journaliste Katrine Fonsmark en spindoctor Kasper Juul. Waren ze in serie 2 een paar, aan het begin van deze laatste reeks zijn ze al weer uit elkaar, delen ze een zoontje, ‘Gustav’, en co-ouderen ze er conflictloos op los. Ze hebben elkaars huissleutels en lopen elkaars leven lustig in en uit. Dat verandert als Katrine in de flat van Juul een rode beha vindt. Daar gaat ze. Woedend haalt ze zelf haar kindje op van de crèche terwijl het Juuls dag is. Nee, het zijn niet alleen de wisselende ­contacten, maar ook het feit dat hij hun zoontje relatief makkelijk ‘onderbrengt’ bij een oppas. En ­terwijl ik ernaar kijk begrijp ik het, herken ik het.

Tussen de twee dreigt een bitter gevecht. Streng spreekt de onlangs gescheiden Birgitte Nyborg haar toe: ‘Huilt je kind, is hij ­ongelukkig, krijgt hij te eten, te drinken, is hij goed gekleed, krijgt hij zijn slaap? Verbijt je pijn!’

Een raad die in de Deense successerie lijkt te worden opgevolgd. Tegelijk toont dit beeld van de moderne Deense samenleving hoeveel invloed er van binnen en van buiten wordt uitgeoefend op de ouderrol. Hoe die voor de een wordt ingeperkt en voor de ander eindeloos wordt uitgerekt en opgerekt. Hoe snel mannen bij een breuk nieuwe partners op de opvoeding van hun kinderen zetten, terwijl jonge werkende vrouwen de klus in hun eentje moeten klaren (of de hulp van hun moeders inschakelen, die het dan vanuit hun eigen geschiedenis weer niet kunnen laten het leven van hun dochters te bekritiseren). In Borgen 3: ‘Je kunt er niet zo maar op los leven [lees: neuken], je bent moeder.’ Waarna Katrine Fonsmark haar moeder terugfluit, en die haar dochter uiteindelijk bevestigt. Je doet het prima. Niemand weet echt hoe het moet.

Moeders moeten ophouden ‘de kindertroef’ uit te spelen, of die troef vanzelfsprekend te vinden, lees ik in HP/De Tijd. In Stoner resoneert het verhaal van een man die een van zijn grootste talenten in het verborgene ontwikkelt en het dan uit handen geslagen ziet worden.

Al plaats ik daar graag het korte, schrijnende verhaal Finances van Lydia Davis uit haar bundel Varianten van ongemak tegenover:

‘Als ze met optellen en aftrekken proberen te kijken of de verhouding gelijkwaardig is, zal dat niet lukken. Hij, van zijn kant brengt $ 50,000 in, zegt zij. Nee, $ 70.000, zegt hij. Het maakt niet uit, zegt zij. Mij maakt het wel uit, zegt hij. Wat zij inbrengt is een half volgroeid kind. Is dat een credit- of een debetpost? Wordt zij nu soms geacht hem dankbaar te zijn? Zij wil best dankbaar zijn, maar niet schuldplichtig, niet dat hij iets van haar tegoed heeft. Er moet een gevoel van gelijkwaardigheid zijn. Ik vind het gewoon heerlijk bij jou te zijn, zegt zij, en jij vindt het heerlijk bij mij te zijn. Ik ben dankbaar dat je ons onderhoudt, en ik weet dat je mijn kind soms lastig vindt, al zeg je dat het een lief kind is. Maar ik weet niet hoe ik het in cijfers moet uitdrukken. Als ik alles inbreng wat ik heb en jij brengt alles in wat jij hebt, is dat dan niet een soort gelijkwaardigheid? Nee, zegt hij.’

Maar het gaat me nu om het vaderschap. De pijn zit niet in de rol, maar in de afgedwongen beperkingen. Wat volgt is vaak diep tragisch. In een enkel geval, zoals onlangs bleek, leidt het tot wat we met een bitter en hardnekkig eufemisme ‘gezinsdrama’ blijven noemen.

Daarom stemt het korte gesprekje tussen Kasper Juul en Katrine Fonsmark me hoop­voller, misschien een door de fictie ingegeven hoop. Beiden spreken hun pijn uit. Het is hetzelfde liedje maar dan anders, na het kindje wilde zij even geen seks, hij kon haar niet als bedpartner zien, een kind verandert alles, en nu is het geklapt, maar ze willen allebei ouder zijn. Ze prijzen elkaar en elkaars tedere slordige levens.

Ik wilde dat mijn ouders dat hadden kunnen doen. Dat de omgeving mijn vader had geprezen om zijn vaderschap. Dat er iets eerder wat van het gewicht van de schouders van mijn moeder was genomen.


Manon Uphoff is schrijfster. Dit jaar won zij de Opzij Literatuurprijs voor De ochtend valt.

De tekeningen bij dit artikel komen uit Vader en dochter van Michael Dudok de Wit, dat in september wordt heruitgegeven bij Leopold