Movies that matter: ‘No Gold for Kalsaka’

Als een wolk sprinkhanen

Een Britse investeerder die in Burkina Faso een goudmijn mag openen en al na vijf jaar vertrekt, het gebied dor en vervuild achterlatend. Michel K. Zongo’s film hierover brengt haarscherp de ‘vloek van de grondstoffen’ in beeld.

© Foto’s Michel K. Zongo

Het is een van de beelden uit No Gold for Kalsaka die je het meest bijblijven: de blik van die ene boer met dat bleekbruine hemd en het gehaakte mutsje als hij vertelt hoe hij zijn lapje grond verloor. De ‘president’ had een Britse investeerder toestemming gegeven een goudmijn te beginnen bij de rode heuvel in het district Kalsaka, waarvoor alle landbouwgrond mocht worden onteigend. Kleine boeren en veehouders, maar ook de vrouwen die zelf in de rivier daar goud zochten, verloren hun bron van inkomsten.

‘Wat ons het meeste pijn deed, was dat we vertrouwden op de wet’, zegt de boer. ‘Maar de wet maakte het voor hen mogelijk ons land in te nemen.’ Compensatie was er, maar gebaseerd op de opbrengst van de gierstoogst van vijf seizoenen op die plek. ‘Waarom vijf jaar? Ik word misschien wel zestig! Waar moeten we van leven na die vijf jaar?’ zegt hij met een gezichtsuitdrukking die laat zien dat hij zich verraden voelt, dat het sociaal contract tussen burger en bestuurder wat hem betreft verbroken is.

Ook de boer had alle beloftes geloofd over banen en welvaart. ‘We zouden gratis gezondheidszorg krijgen en een betere infrastructuur dan onze hoofdstad, we zouden leven als in Parijs.’ Maar waar bij de opening van de mijn in 2009 nog sprake is van ‘250 banen’ en een verblijf van ‘maximaal tien jaar’, begon de mijn na vier jaar alweer mensen te ontslaan, om na vijf jaar de productie te staken. ‘De blanke heeft van ons een bedelaar gemaakt’, zegt de boer. ‘De regering is medeplichtig.’

No Gold for Kalsaka laat in fraaie opnames zien wat de komst van de mijn betekende voor de pakweg tweeduizend mensen eromheen. Eerst groeiden er bomen op de heuvel, liepen er wilde dieren, lieten dorpelingen er hun vee grazen. Ook bevond zich daar in een grot de ‘fetisj van de koninklijke stoel’, waar ze elke drie jaar een zwarte os offerden aan de voorouders, om voorspoed en regen af te dwingen.

Maar inmiddels oogt de plek alsof er een wolk reuzensprinkhanen voorbijtrok: de hellingen van de heuvels zijn afgegraven, inclusief, en tegen – mondelinge – afspraken in, de heilige grot. In en om de heuvel liggen vijf, zes enorme kraters, afgravingen in de vorm van omgekeerde reuzentrapeziums, met wegen waarlangs de vrachtwagens reden om de aarde met goudstof erin af te voeren. Met op de bodem steevast een donkerbruin meertje. De landbouwgrond rond de mijn is kaal en droog.

Twee nabije waterputten, waar de filmer Michel K. Zongo monsters liet nemen om te testen op vervuiling door de gebruikte chemicaliën, blijken ijzer, nitraat en cyanide te bevatten in een concentratie ver boven de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (who). En dat voor een mijn die niet na tien jaar was uitgeput, maar al na vijf.

‘Nou, er zit nog steeds goud in de grond’, zegt Zongo (46) telefonisch vanuit Ouagadougou. ‘Door technische problemen werd het te ingewikkeld om meer goud te winnen. De meertjes onder in de afgravingen bleven zich vullen met grondwater, hoeveel ze ook bleven pompen.’

Een mijnbedrijf uit India heeft al laten weten desondanks de concessie te willen overnemen, vertelt hij. ‘Maar dankzij mijn film en het schandaal over de vervuilde waterputten in het dorp – twee zijn er op last van de burgemeester gesloten, andere putten bleken gelukkig niet vervuild – is die verkoop uitgesteld. Dat is een eerste overwinning.’

Het verklaart ook dat het terrein nog steeds wordt bewaakt, ook toen Zongo de afgravingen met de doodse meertjes kwam filmen. ‘De omheining was op een plek omgevallen, daar ging ik doorheen. De bewakers zagen me later en brachten me naar de politie. Ik heb de agenten gezegd dat ik niet had gefilmd’, vertelt hij grinnikend.

‘Compensatie? Je hebt goede, dure advocaten nodig met kennis van internationale wetten’

Zongo ging filmen bijna drie jaar nadat president Blaise Compaoré aftrad na massale protesten tegen zijn pogingen de grondwet te veranderen om zijn herverkiezing mogelijk te maken. Je ziet aan de film dat de democratische verhoudingen na 27 jaar Compaoré zijn hersteld: openlijk geven de dorpelingen hun mening, vertellend dat ze in het begin geen verzet pleegden, uit vrees voor arrestatie. Zongo: ‘Mensen zien verandering. Ze weten nu dat als er dingen verkeerd lopen, ze daartegen kunnen protesteren, ook in Kalsaka. Ze voelen zich vrijer.’

Toch kostte het Zongo een jaar voordat hij het vertrouwen van de bewoners had gewonnen en hij zijn camera uit de hoes kon halen. ‘Ze wilden weten of de regering me had gestuurd, of misschien de mijn. Maar uiteindelijk werkten ze mee.’

Dorps­bewoners van Kalsaka in No Gold for Kalsaka © Foto’s Michel K. Zongo

Naast een portret van een dorp in Burkina Faso is No Gold for Kalsaka een fraaie illustratie van de ‘vloek van de grondstoffen’: het gegeven dat ontwikkelingslanden met veel natuurlijke hulpbronnen daar vaker onder lijden dan dat ze er profijt van hebben. Zo groeit de economie van ontwikkelingslanden met weinig natuurlijke hulpbronnen twee tot drie keer zo hard als die van landen met veel natuurlijke hulpbronnen, aldus cijfers van de Wereldbank over de periode 1960-2000. En onder de 45 landen die in die veertig jaar geen economische groei realiseerden, waren er maar zes die niet zwaar leunden op de olie- en gaswinning of mijnbouw, aldus dezelfde cijfers.

Het patroon: de mijnbouw brengt grote hoeveelheden geld een land in, waarover de politieke en economische elite eigenlijk geen verantwoording hoeft af te leggen, anders dan bij inkomsten via door burgers opgebrachte belastingen. Dat leidt tot onverantwoorde uitgaven, belastingontduiking en corruptie. ‘In ontwikkelingslanden gaat dat ook nog vaak gepaard met milieuvervuiling en schending van mensenrechten van bewoners rondom mijnen’, zegt Vincent Kiezebrink, onderzoeker bij Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo), die meeschreef aan een 19 februari verschenen rapport over wat er misging bij het gunnen van een goudmijn in Mongolië aan de Brits-Australische mijngigant Rio Tinto.

Ook andere economische sectoren lijden onder wat volgens Kiezebrink nog altijd bekendstaat als de Dutch disease: Nederland stak zijn plotselinge gasinkomsten na 1959, toen gas werd aangeboord op het land van bietenboer Kornelis Boon, in grote bouwprojecten en sociale fondsen, met loonstijgingen en een harde gulden als gevolg. Door dat laatste kregen exportsectoren als de landbouw en de industrie het zwaar en verzwakte de economie als geheel.

‘Het enige land dat altijd wordt genoemd als uiterst succesvol dankzij grondstoffenwinning is Noorwegen’, zegt Kiezebrink. ‘Dat gaf zijn olie- en gasinkomsten niet uit in eigen land, maar potte het op, voor later. Mede daardoor is het een van de welvarendste landen ter wereld en een van de grootste investeerders.’

Maar hoe voorkom je de uitwassen van de mijnbouw? Belangrijk is vooral dat landen over capabele mensen beschikken die hard kunnen onderhandelen met mijnbedrijven over de vestigingsvoorwaarden, zegt Kiezebrink. ‘Global Witness publiceerde onlangs nog een rapport over de deal die Exxon sloot met Guyana over oliewinning dat goed liet zien hoe de Guyaanse onderhandelaar volledig werd ingepakt.’

Iets vergelijkbaars was aan de hand met de contracten die Mongolië afsloot met Rio Tinto voor de exploratie van de goud- en kopermijn Oyu Tolgoi, een van de grootste ter wereld. ‘Uit gelekte e-mails van de Amerikaanse ambassade bleek dat de Amerikanen de Mongoolse onderhandelaar “totaal incapabel” noemden.’

De Amerikanen grepen niet in, omdat Amerikaanse bedrijven ook belang hadden bij de komst van de mijn, aldus Kiezebrink. ‘De Amerikanen presenteerden zich als independent interlocutors, onafhankelijke gesprekspartners. Maar de mijn zou Amerikaanse toeleveringsbedrijven orders voor tweehonderd miljoen dollar opleveren, was de verwachting. Die belangen gingen voor.’ Het gevolg: Mongolië verloor de ‘democratische controle over zijn natuurlijke hulpbronnen en bleef achter met schulden en grote milieuschade’, zoals Somo het samenvat op haar website.

Wat de langere termijn betreft hoopt Kiezebrink dat er een internationaal verdrag komt dat bedrijven verplicht tot due diligence, tot verantwoord gedrag. ‘Daar wordt in VN-verband over onderhandeld.’ En hij hoopt op veranderd gedrag door de klimaatcrisis. ‘Onlangs gaf het Duitse consultancybureau OpenOil aan Senegal het advies de net gevonden olievoorraden in de grond te laten. De vervuiling en andere nadelen wogen in tijden van klimaatverandering, waardoor de olieprijs uiteindelijk zou dalen, niet op tegen de voordelen, lieten ze duidelijk zien.’ Na een korte stilte: ‘Maar Senegal luisterde niet, hoor.’

In Burkina Faso zitten de bewoners van Kalsaka nog met de gevolgen van de goudmijn. ‘Juridische procedures om compensatie terug te claimen zijn mogelijk, denk ik, maar het wordt supergecompliceerd’, zegt filmer Zongo. ‘Je hebt goede, dure advocaten nodig met kennis van internationale wetten. De dorpelingen beschikken daar niet over, anders dan de mijnbedrijven. Bovendien hebben de dorpelingen geen documenten die als bewijs kunnen dienen: alle toezeggingen zijn mondeling gedaan. Er waren mensen die nadat ze mijn film zagen zeiden juridische stappen te willen nemen, maar op dit vlak is er nog niets gebeurd.’

De film heeft in elk geval alle details over de goudmijn in de openbaarheid gebracht. ‘Het vertonen ervan in Kalsaka was magisch. Mensen waren trots eraan te hebben bijgedragen dat nu iedereen in het land weet wat heel lang alleen hún geheim was. Het was heel emotioneel. Tegelijkertijd was er verdriet. De film herinnerde hen eraan wat ze allemaal hadden verloren en dat ze zijn bedrogen.’

Van de regering, die via het ministerie van Cultuur bijdroeg aan de financiering van de film, kreeg Zongo nog geen officiële reactie. ‘In mijn projectplan stond alleen dat ik een film wilde maken over de goudwinning bij Kalsaka’, zegt hij met een lachje. ‘Ik denk dat het resultaat, met alle kritiek op de toenmalige regering, een onaangename verrassing voor ze was.’