Over thuis zijn – en juist niet thuis zijn

Als een zomerjas

We horen steeds meer Turkse muziek op festivals. Dat is aan te moedigen. Aan de andere kant kunnen we vrezen dat zulke ‘exotische’ muziek nu is gereduceerd tot een handig symbool om het lidmaatschap van de elite aan te tonen. Dit is de winnaar van de Anil Ramdas Essaywedstrijd.

Sazspeler in Ürgüp, Cappadocië, circa 1955 © George Pickow / Three Lions / Getty Images

Het is stampvol in de Bolderzaal op Into The Great Wide Open, een jaarlijks muziek- en kunstfestival op Vlieland. Behalve bij bakfietsfamilies en BN’ers is het festival ook immens populair bij creatieve millennials, en het is vooral deze laatste groep die deze avond in de Bolder een biertje drinkt. Zodra het zaallicht dimt om de komst van de volgende act aan te kondigen, beginnen enkelen uit het publiek al met hun heupen te wiegen. Het belooft een vrolijk, gemoedelijk feestje te worden. Samen met een vriend die als fotograaf werkt sta ik pal vooraan bij het podium. Zoals soldaten samenvloeien met het gebladerte in de jungle zijn wij, met onze vintage spijkerjasjes en retro camera’s, volledig één met de esthetiek van onze omgeving. Ik hoor hier thuis. Maar wanneer de band klaar is met spelen ben ik daar niet meer zo zeker van.

***

Cappadocië (Turkije), rond 1920. Vanuit de stad Ürgüp vertrekken een tiental mannen te paard richting Başköy voor een bruiloft. Ze rijden, in het zwakke maanlicht, stapvoets langs tufgesteente dat door de grillen van wind en regen zijn huidige vorm heeft gekregen: pastelkleurige schoorstenen met een hoedje op. Halverwege de tocht moeten de mannen een korte stop maken in een klein dorpje om een buikdanseres op te halen die straks de bruiloftsgasten zal moeten vermaken. Als ze eenmaal daar zijn aangekomen blijkt de danseres nog aan het werk te zijn op een ander feest, en de mannen die zij nog aan het entertainen is zijn in een onstuimige bui en niet bereid haar mee te laten gaan naar Başköy. ‘Dans maar door, zij hebben tijd zat’, roept de gastheer, een man met een snor waar een bezem nog afgunstig naar zou kijken. Het geld dat hij de buikdanseres vervolgens toestopt verbergt zij gehoorzaam in haar goudgeborduurde, turkooizen rokje.

Deze provocatie is de vlam in het kruit. Twee kampen vormen zich rondom de danseres; beide groepen mannen vinden dat deze vrouw aan hen toebehoort en zijn bereid dat te staven met hun vuisten. Hoewel de buikdanseres zichzelf nooit Helena had gewaand is toch ook zij nu tegen wil en dank de spil waaromheen de mannelijke pikorde zich moet herkalibreren.

In deze commotie komt een man naar voren om zijn zegje te doen. Hij is negentien jaar, eigenlijk een jongen nog. Zijn naam is Cemal. Hij is de oudste zoon van een welgestelde familie uit Karlık, een dorp iets verderop, en de balans van mannelijke eer en trots die hier wordt opgemaakt kan het gewicht van deze jonge buitenstaander niet aan – hij sterft ter plekke aan een schotwond; achteraf zegt niemand te weten wie het schot heeft gelost.

De moord op Cemal trekt als een schok door Cappadocië, van het ene dorp naar het andere. Zijn weduwe, Şerife, een meisje van krap achttien jaar met ogen als een ree, is ontroostbaar. Ze blijft alleen achter met een zoontje dat een paar jaar later zal worden verheven tot man des huizes, maar nu nog veel te klein is om die rol van zijn vader over te nemen. Şerife hertrouwt vrijwel direct – in het geraffineerde ecosysteem waarin ze moet zien te overleven en dat bepaald wordt door traditionele mores is nou eenmaal geen plaats ingeruimd voor alleenstaande, huwbare jonge vrouwen.

Haar tweede echtgenoot kent toevallig de gelauwerde volksmuzikant Refik Başaran, die zijn achternaam – ‘de presteerder’ – van Atatürk in hoogst eigen persoon heeft gekregen, en vraagt zijn muzikale vriend een lied te componeren over de vermoorde Cemal. Refik Başaran geeft daarmee het verdriet van Şerife een stem. Een stem die verder reikt dan de valleien van Cappadocië, want Cemalım (Şen Olasın Ürgüp) wordt op plaat uitgebracht – wat zeldzaam is voor die tijd – en wordt opgenomen in het standaardrepertoire van steeds meer volksmuzikanten, die het nummer aan elkaar doorgeven als het stokje in een estafettespel.

Al snel zingt elke volkszanger over ‘mijn Cemal’, voor dood achtergelaten in een plas bloed, het slachtoffer van zinloos geweld. In de hoogtijdagen van de Turkse psychedelica vertolkt zelfs de onbetwiste aanvoerder van deze stroming, Erkin Koray, het nummer.

***

‘Şen olasın Ürgüp/ dumanın tütmez.’ Bijna een eeuw na de fatale gebeurtenissen in Ürgüp komt Şerife’s verdriet aan wal op Vlieland. De Amsterdamse band Altın Gün speelt daar, in de Bolder, psychedelische covers van liedjes die tot de canon van de Turkse (volks)muziek horen, vooral werk van Neşet Ertaş, en ja: ook Erkin Koray’s Cemalım staat op de setlist. Ik herken het lied direct, uit duizenden – behalve dat ik het nummer op werkelijk elk Turks feest waar ik bij ben geweest heb gehoord, is Cemal ook de grote oudoom van mijn vader en behoort zijn dood tot een van de boeiender verhalen uit onze familiegeschiedenis.

Cemals muzikale alomaanwezigheid heeft het intergenerationele fluisterspel over zijn dood zeker niet beteugeld, met als gevolg dat hij inmiddels een bijna mythische status geniet in onze stamboom.

Ik kan niet geloven dat ik hier in de Bolder uitgerekend dít nummer hoor. Het heeft een melodie die me doet denken aan nachtelijke ritjes met mijn vader op de onverlichte weg van Ürgüp naar Karlık. Een melodie die ik associeer met de bergen van Anatolië en met de geur van dorre aarde na een zeldzame zomerse regenbui – niet met een frisse zeebries en de Vlielandse duinen. Het liefst zou ik nu een ander bij de arm grijpen en mijn vervreemding delen met iemand die ook de weerklank hoort te midden van deze vrolijk dansende mensenmassa, maar er zijn geen andere Turken in het publiek. Ik sta hier alleen.

Na het concert loop ik over het festivalterrein met een gevoel dat ik niet geheel kan plaatsen. Enerzijds ben ik dolblij dat de muziek uit mijn thuiscultuur nu de waardering krijgt die haar toebehoort. Anderzijds kan ik het gevoel dat iets waardevols van mij is afgepakt niet onderdrukken. Is dit hoe anderen zich voelen als haarstijlen en kledingstukken uit hun thuiscultuur worden overgenomen door witte Nederlanders? De hele situatie voelt, bovenal, oneerlijk.

Voor mij? Ik ben er zelf verbaasd over. Ik las Harry Mulisch in het jaar dat Orhan Pamuk de Nobelprijs won, keek Penoza in plaats van Kurtlar Vadisi en kocht afgelopen week nog een stapel boeken over Willem van Oranje – ik zie mezelf niet als het type dat nu vanwege een gezellig Amsterdams bandje zijn culturele identiteit territoriaal moet beschermen. Waar maak ik me dan zo druk om?

***

De Amerikaanse sociologe Elizabeth Currid-Halkett beschrijft in haar boek The Sum of Small Things (2017) hoe er in de westerse wereld een nieuwe elite is opgestaan, die zij de streefklasse noemt. Deze nieuwe elite onderscheidt zich niet door middel van haar inkomen of de waarde van haar spullen maar etaleert haar maatschappelijke positie door te kiezen voor zaken die een verfijnde kennis en cultuur benadrukken. Leden van de streefklasse delen een voorliefde voor havermelk in hun fairtrade koffie, doen onderweg naar pilatesles boodschappen bij de lokale biowinkel en dragen deze vervolgens naar huis in hun recyclebare tas. Ze lezen toonaangevende dagbladen bij het ontbijt en bespreken samen podcasts bij het diner. Voeg nu ook ‘Turkse muziek’ aan het rijtje toe en het is een behoorlijk treffende beschrijving van de gemiddelde bezoeker van Into The Great Wide Open.

Hierin schuilt een deel van mijn ongemak. Zeker, ik vind het aan te moedigen dat inclusiviteit en diversiteit steeds meer op de agenda komen te staan, ook bij muziekfestivals. Aan de andere kant bekruipt me de angst dat Turkse muziek nu is gereduceerd tot een handig symbool om je lidmaatschap van de elite aan te tonen en jezelf te profileren als maatschappelijk betrokken en progressief – ‘woke’ – persoon. Het publiek in de Bolder stond ook maar gewoon te dansen op muziek die lekker klonk, daar gestript van enige culturele en historische betekenis, maar het gaat door de ‘exotische’ nevel van Altın Gün wel weg met het gevoel wereldwijzer te zijn dan de fans van Kensington.

Gelukkig kan Currid-Halkett me hierover enigszins geruststellen. Volgens de sociologe vloeien de culturele keuzes van de streefklasse voort uit een goed hart. De groep is hoogopgeleid en geïnformeerd, gericht op de toekomst en wil, vanuit oprechte betrokkenheid, bijdragen aan een betere wereld. Ik hoef wat haar betreft hier dus niet te vrezen dat mensen met sycofante bedoelingen zichzelf een bepaalde cultuur toe-eigenen. Maar Currid-Halkett wijst ook op een keerzijde van deze morele houding: leden van de streefklasse zijn zich er, over het algemeen, onvoldoende van bewust dat hun statussymbolen en verantwoorde keuzes niet voor iedereen zijn weggelegd. Zelf zijn ze hoogstwaarschijnlijk opgegroeid met de normen, waarden, taal, culinaire voorkeuren en culturele smaak van de elite, en zullen ze deze ook weer doorgeven aan hun kinderen. Maar een plekje veroveren bij de elite, op de top van de sociale piramide, is lastig als je niet van huis uit al beschikt over het culturele kapitaal dat deze groep definieert.

Met haar punt over het culturele kapitaal van de strevende klasse en de reproductie van privilege echoot Currid-Halkett de bekende woorden ‘Le goût classe, et classe celui qui classe’ van de Franse socioloog Pierre Bourdieu, die als eerste betoogde dat verschillen in leefstijl, smaakvoorkeuren en cultureel kapitaal een doorslaggevende rol spelen bij het in stand houden van sociale ongelijkheid. Smaak schept, volgens Bourdieu, het onderscheid én de afstand tussen klassen. Er is hierbij een heuse legitimiteitsstrijd gaande, waarbij de ‘goede’ smaak van de dominante klassen naar voren komt als de enige legitieme vorm van leven. Deze ‘goede smaak’ gaat gepaard met een afwijzing van het vulgaire en het lage, oftewel de ‘wansmaak’. Wie bij de hogere klasse wil horen, moet haar levensstijl en smaak overnemen, aldus Bourdieu. Die aanpassing, zo legt Currid-Halkett uit, heeft nogal wat voeten in de aarde: alleen maar naar een elitair concert gaan is bijvoorbeeld geen toegangsgarantie. Om je het culturele kapitaal van de streefklasse geheel eigen te maken is het niet genoeg om alleen een concert in de Bolder bij te wonen; net zo belangrijk is dat je weet – oftewel, hebt geleerd – wat de recensenten van NRC en Pitchfork vonden van de band, hoe leuk hun eerdere concert was op dat schattige poppodium in Amsterdam-Oost, en bij welke andere festivals je absoluut moet zijn (en bij welke niet).

***

Als wij vroeger op vakantie gingen, dan gingen we altijd naar Turkije. We mochten dan wel 330 dagen in het jaar in Den Haag wonen, voor mijn vader was Karlık nog altijd meer ‘thuis’. In mijn eindexamenjaar van het gymnasium ging ik voor het laatst verplicht mee naar dat kleine dorpje midden in de bergen, waar ik naast geen klote, geen donder, geen reet te doen ook geen lira’s, geen fiets en geen internetverbinding had en me volkomen opgesloten voelde. Türkü on Tuesday, noemde ik dat gevoel deelderiaans en ietwat melodramatisch in mijn dagboek. Die laatste weken in Turkije bracht ik veel avonden door met mijn nichtjes bij ons op het dak. We dronken thee uit zandlopervormige theeglaasjes en speelden okey, een spannende versie van rummikub, terwijl we de avonturen met onze beste vriendinnen voor elkaar uit de doeken deden en de jongens uit onze klas bespraken.

‘Waarom heb jij alleen maar Nederlandse vrienden?’ vroeg een nichtje mij verbaasd.

Ik associeer de melodie met de bergen van Anatolië, niet met een frisse zeebries en de Vlielandse duinen

‘Er zitten niet echt Turken bij mij op school’, zei ik, hoewel het maar half de waarheid was, want er zaten twee Turkse meisjes in vmbo-4. Maar ik vermoedde dat mijn nichtje, net als de docent die me aan de twee meisjes had voorgesteld, vond dat buitenstaanders vanzelfsprekend vrienden willen, nee, behoren te worden met soortgelijke buitenstaanders.

‘Maar waarom ga je dan niet naar een school waar meer Turken zijn?’

Ik wist niet zo goed wat ik hierop terug moest zeggen. Het fenomeen ‘zwarte scholen’ uitleggen en hoe die aangeschreven staan? Iets vertellen over hoe Turkse scholieren percentueel verspreid zijn over de verschillende niveaus van het voortgezet onderwijs? ‘Bij mijn volgende school zal ik daar misschien wel aan denken’, antwoordde ik vaagjes, terwijl ik donders goed wist dat ik in Groningen – niet bepaald de belichaming van een melting pot – wilde studeren.

Bang om als nestbevuiler te worden weggezet durfde ik niet aan mijn Turkse nichtje toe te geven dat ik qua levensstijl en culturele interesses al lang meer gemeen had met mijn witte vrienden en hun hoogopgeleide ouders dan met haar en de meisjes uit vmbo-4. Zelf voelde ik me hier destijds noch trots, noch verloren over – het was gewoon wat het was.

Volgens Bourdieu en Currid-Halkett is het moeilijk een plaats bij de elite te verwerven, maar niet onmogelijk. Ik kan het weten, want het is mij, een kind uit een Turks arbeidersgezin met twee laagopgeleide ouders, immers gelukt. In mijn huidige sociale cirkel is toegeven dat je Zomergasten maar saai vindt of geen zin hebt om de nieuwe Murakami te lezen een doodzonde en hartjes van melk kunnen tekenen in single-origin koffie een deugd. Maar deze plek heb ik niet verworven dankzij mijn Turkse cultuur, maar ondanks mijn Turkse cultuur. Mijn thuiscultuur heb ik van me af moeten schuiven, op een lager pitje moeten zetten om hier te kunnen komen. Het is een offer geweest, zo zie ik nu. En het is er een dat een groot deel van de nieuwe elite niet heeft hoeven maken.

***

Nu is de muziek van mijn thuiscultuur ineens relevant. Turkse muziek getuigt van goede smaak. Betekent dit dat het culturele kapitaal waar ik, en andere Turkse Nederlanders, al die jaren op hebben gezeten nu eindelijk kan worden ingewisseld voor een ticket richting de top? Ik betwijfel het. Mijn familieleden, Turkse jongeren uit Amsterdam of Den Haag, die Cemalım en andere volksnummers spelen op Turkse feesten voor een Turks publiek moeten er nog altijd voor waken dat hun integratie in de Nederlandse samenleving daardoor niet in twijfel wordt getrokken – wie te veel bij zijn eigen cultuur blijft hangen loopt het risico beticht te worden van ‘onvoldoende deelname aan de Nederlandse samenleving’.

Ondertussen wordt een overwegend Nederlandse band, die dezelfde Turkse nummers speelt op een Nederlands feest voor een overwegend Nederlands publiek, geroemd in de mainstream media als kosmopolitische cultuur en denken we op Into The Great Wide Open dat we al dansend een bijdrage leveren aan de multiculturele samenleving.

Altın Gün, hoe Turks ze ook klinken, wordt uiteindelijk gezien als een Nederlandse band die – hoe fascinerend! – Turkse muziek maakt. Met andere woorden: niet Turkse muziek, maar specifiek deze moderne interpretatie van Turkse muziek, eerst goedgekeurd en vervolgens aan de man gebracht door Nederlandse leden van de streefklasse, wordt gewaardeerd en heeft een plaatsje verworven in het elitaire cultuurportfolio. De indruk die dat bij mij achterlaat is dat we het belangrijk vinden om te leren over andere werelden, maar alleen als de ontdekkingstocht wordt georganiseerd door een respectabel Nederlands reisbureau en niet door de lokale bevolking. En dat is jammer, want juist meer blootstelling aan de ‘lokale’ ervaring zou het zelfbewustzijn van de nieuwe elite over haar geprivilegieerde status kunnen vergroten.

In het lied Common People bekritiseert zanger Jarvis Cocker de pogingen van zijn rijke vriendinnetje, studente aan een prestigieuze kunstacademie, om zichzelf de ‘exotische’ levensstijl van de arbeidersklasse aan te meten: ‘Rent a flat above a shop/ Cut your hair and get a job/ Smoke some fags and play some pool/ Pretend you never went to school/ But still you’ll never get it right/ cause when you’re laid in bed at night/ Watching roaches climb the wall/ If you called your Dad he could stop it all’.

Cockers vriendin kan, met andere woorden, proberen wat ze wil om de smaak, de taal en de levensstijl van het gewone volk over te nemen, volgens Cocker is zij niets meer dan slechte namaak. Door haar verfijnde opvoeding en haar financiële vangnet mist ze namelijk een essentiële ervaring om bij deze groep te behoren: het gebrek aan de optie om niet zo te leven. De rijke kunststudente is zich er niet van bewust dat de klasse van de common people niet alleen gedefinieerd wordt door hun kleine appartementjes, voorliefde voor poolbiljart en fish and chips, maar ook door het gegeven dat zij de narigheden van hun leefstijl niet zomaar van zich af kunnen schudden als ze er genoeg van hebben.

Ook deze observatie helpt me te verscherpen waar mijn ongemakkelijke gevoel vandaan komt: de streefklasse kan Turkse muziek overnemen zonder daarbij hetzelfde stempel te krijgen als Turkse Nederlanders die hun cultuur beleven, namelijk van ‘minder verfijnd’, ‘minder relevant’, of zelfs ‘minder Nederlands’. Bovendien lijkt het alsof de nieuwe elite zich in de positie bevindt om Turkse muziek te gebruiken als een zomerjas: iets waar we meestal niet naar om hoeven te kijken, maar wat we als de zon schijnt wel tijdelijk uit de kast willen pakken.

Dit wekt ergens de indruk dat dit andersom ook wel zo zal gelden: dat Turkse Nederlanders uit andere klassen ook het leven van de elite een seizoen kunnen uitproberen om te kijken of het bevalt. Maar zo werkt het niet in mijn ervaring. Integendeel: het is heel wat werk om cultureel kapitaal te mijnen en vervolgens vakkundig in te zetten. Bovendien vereist deze stap voor niet-Nederlanders die bij de elite willen horen een bepaalde mate van vervreemding van hun thuiscultuur.

Ik kwam op de sociale ladder al jong voor een soort Sophie’s Choice te staan: welke cultuur kies ik, als de ene me duidelijk helpt en de andere me duidelijk tegenwerkt in de ogen van anderen, maar ik op allebei evenveel lijk en van allebei evenveel hou? En nu wil men, te laat, dat ik niet had hoeven kiezen.

De Anil Ramdas Essayprijs

De jury van deze tweede editie van de Anil Ramdas Essayprijs – Karin Amatmoekrim, Nurnaz Deniz, Sjoerd de Jong, Xandra Schutte onder leiding van voorzitter Sheila Sitalsing – had het genoegen een kleine negentig essays te beoordelen. De gemiddelde kwaliteit ervan was hoog. Het thema ‘Over thuis zijn’ werd op veel verschillende en ook onvermoede manieren ingevuld: poëtisch, scherp analytisch, autobiografisch en politiek-beschouwend.

Naast het winnende essay van Münise Yavuz nomineerde de jury de volgende drie essays (in alfabetische volgorde):

‘Thuisblijven’ van Daniël Korving

‘Het bergdorp met de platte daken’ van Beri Shalmashi

‘Paralipomena’ van Esther De Soomer

De essays van de genomineerden zullen de komende week op groene.nl verschijnen. De Anil Ramdas Essayprijs is een initiatief van de Stichting Anil Ramdas, De Balie (waar Ramdas directeur van was) en De Groene Amsterdammer (waar hij redacteur was).

Op donderdag 2 mei 2019 zal in Het uur van de wolf (22.55 uur, NPO2) de documentaire Anil Ramdas: Nooit meer thuis worden uitgezonden. Regisseur Paul Cohen reconstrueert daarin het bewogen leven van de scherpzinnige immigrant uit Suriname, die uitgroeide tot een icoon van de Nederlandse intelligentsia en eindigde in een tragisch isolement.