Als een zweeftol

Gert de Jager (1957) debuteerde in 2009 met de bundel Sterk zeil, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, waarna in 2015 Een ernstig gezicht verscheen. Sterk zeil werd uitgegeven door De Contrabas, Een ernstig gezicht door Stanza. Tot mijn schande moet ik bekennen dat Dieren op schaal mijn eerste kennismaking is met De Jagers poëzie. Deze derde bundel wordt uitgegeven door Gaia Chapbooks, en niet alleen is het boekje heel betaalbaar, het is ook gratis te downloaden. Een bescheiden uitgave, zonder commerciële toeters en bellen.

Negentien gedichten, verdeeld over twee afdelingen, ‘Dieren op schaal’ en ‘Het reëel existerende -isme’. Het openings- en titelgedicht wekt meteen mijn nieuwsgierigheid: ‘In de diepzee ligt de diepe zee/ met daarin dieren op schaal./ Wat is het nut?’ Aan de ene kant de mens, aan de andere het volslagen onbekende, and never the twain shall meet. De ‘ik’ ziet hoe de zee ‘opspringt’ en ‘traag land en water’ bedekt, terwijl de wind deze mens bijkans omverblaast – de ‘ik’ helt over ‘richting einder’. Na acht, op het oog doodgewone zinnen, besluit een strofe van vier regels het gedicht:

Zo, van een afstandje. Dit moet het wel zijn. Geen grond zo tricky als geboortegrond.

Waarom vind ik deze regels zo sterk? Misschien vanwege de ontspannen spreektaal, het onpoëtische, met dat ‘afstandje’ en ‘tricky’. Dat zulke onopgesmukte regels lyrisch en meerduidig kunnen zijn. De Jager weet een fijne spanning op te roepen, zonder het er te dik bovenop te leggen. Wat is de verteller hier aan het meten, de afstand tussen lichaam en verleden? Loopt hij langs de diepe zee om te ontkomen aan persoonlijke besognes? Om adem te kunnen halen? Ik kan er van alles in lezen, maar op de eerste plaats vind ik het kloppen – het klinkt goed.

In Dieren op schaal wordt veel ‘gekeken’ en ‘gezien’. De eigen waarneming levert genoeg materiaal op, de werkelijkheid slaat vaak met stomheid. Niet dat de gedichten voortdurend over van alles en nog wat verwonderd lopen te doen, maar uit de teksten spreekt een mate van ontzag voor het bestaan. Deze poëzie is, zonder grote woorden te gebruiken, levenslustig en zelfs extatisch, zoals in de kleine cyclus ‘Een foute haven’. Aan de onthutsende impact van de mens valt niet te ontkomen (‘Steden, wegen, populatie’), maar wat blijft is ‘het idee dat, als je valt, er dan een bodem is’. Je hoeft maar even uit te zoomen en je ziet hoe ‘de zeeën’ de plek omringen waar je staat:

Er sloop iets naar de rand van de wereld, maar ik sta te zingen in de branding. De grond kon niet vaster zijn onder mijn voeten. Geen steilte kon meer steilte zijn. Geen adem meer adem.

In Neem…, het laatste gedicht van de eerste afdeling, wordt een landschap voor de geest gehaald ‘waarin niets de aandacht trekt/ dan het landschap zelf’, met een ‘eigentijdse hoeve’ erin, verkeer, ‘gewone weilanden en velden vol eigentijds landbouwplastic’. Ergens, midden in dat landschap van nu is een mens verstopt die langzaam ronddraait ‘als een echte zweeftol/ (een woord dat Van Dale niet kent)’. Al dat bestaande, het is haast te veel voor deze ene waarnemer, ‘de eerste de beste lieve hystericus,/ zenhystericus.’

Op speeltoestellen

Zoals toen ik vertrok naar de stad die buiten de stad ligt.
In bossen of weilanden richtten huizen zich op,
staan kerken of kantorenflats.
Over de straat loopt winkelend publiek,
de kinderen spelen op speeltoestellen.
Te midden van het grazend rundvee,
het langzaam krakend houtwerk.
Ik ga over paden die tweeledig zijn,
loop meer en meer rond in een stad die geen stad is,
over paden die geen paden zijn.
Mijn voeten dienen mij.

Hier ligt een stad die er nog niet was
of niet meer is.
Zo gaan mijn voeten hier, mijn lichaam,
zo totdat het niet meer stokt.

De mens in Dieren op schaal is grotendeels alleen, maar niet eenzaam. Integendeel, de stilte wordt bewust opgezocht om ‘de wereld recht in het gezicht’ te kijken, zoals in De patronen. Er moet ergens aan ontkomen en ontsnapt worden, de lethargie moet worden afgeschud om ‘deel te hebben aan het landschap/ erin op te gaan en het te zijn’. Dat lukt het best zonder medemens. Toch wordt de natuur nergens gepersonifieerd, terwijl ze voor het lyrisch ik toch van groot belang is. Het blijft ‘dom water/ zwijgend water’ en ‘stom land’.

De bespiegelende toon van de eerste afdeling keert terug in de poëticale, tweede afdeling, ‘Het reëel existerende -isme’. Poëzie kan misschien iets teweegbrengen, denk ik te lezen in Jetlag, als ze tenminste de beperkingen van de taal en het beeldend vermogen erkent en benoemt. In Het gelaat stijgt ‘de zon uit de zee’, beginnen eb en vloed, wordt de krant in de bus gestopt, klinken er kinderstemmen en volgt het hele verdere mensenleven, vanaf ‘de dag dat ik me verzoende/ met het anekdotische’. Dat is ver verwijderd van het grootse en meeslepende. Binnen die levenshouding spelen medemens en geliefde wél een cruciale rol:

Hoor mij. Ik praat tegen je. Het grijpt in elkaar: het gelaat dat het jouwe is, dat blijft of verdwijnt, de dagen zelf.

Nee, geen ‘als de dagen zelf’; laat alles maar lekker zelfstandig en los van elkaar bestaan.

Het gedicht Een regel begint aldus: ‘Er komt een dag waarop je vindt/ dat alles wat poëzie is, of wat daarop lijkt,/ onzin is.’ Het antwoord op deze bevinding is gelukkig geen gemopper op alles wat poëzie is of wat daar op lijkt, maar de publicatie van een voortreffelijke verzameling gedichten die ervoor zorgt dat ik na lezing aan zee wil staan, blik op de bergen, om te luisteren naar het lawaai van de golven, te zien hoe mist de baai binnensluipt, met deze programmatische regels in het hoofd: ‘Je bent er om er te zijn, weet je/ Je probeert je een niet-zijn voor te stellen, maar dat lukt je niet’.