Als gestorven stenen spreken

Zijn de twee recent verschenen boeken over de Tweede Wereldoorlog als verhaal kenmerkend of uitzonderlijk voor die periode? In hoeverre hebben zij historiografische zeggingskracht? Nut en nadeel van de microgeschiedenis.

Op 24 september 2013 verscheen in De Telegraaf een stukje onder de kop ‘Onderzoek naar Joodse families. Professor reist wereld over voor verhalen en foto’s’. Hierin wordt geschreven over een project van twee Leidse historici over de Scheveningse Harstenhoekweg, een paar honderd meter van het Kurhaus, aan de rand van het Oostduinpark. Dat project was begonnen met een toevallige vondst in 2003, op nummer 111 van die straat, van papieren, schriften en foto’s. Het spul werd naar het Gemeentearchief gebracht, schoongemaakt, opgeslagen, en zou vermoedelijk een lang en stil leven beschoren zijn geweest als het niet in handen was gevallen van Wim Willems en Hanneke Verbeek. Toch konden zij uit de paperassen aanvankelijk niet veel opmaken. Begrijpelijk, zoveel staat er niet in. Maar ze namen daar geen genoegen mee, vroegen subsidie aan en startten een project. Doel ervan was het joodse leven in Scheveningen, in het bijzonder aan de plaatselijke Harstenhoekweg, tot leven te brengen. Maar hoe? Dus het artikel in De Telegraaf, eigenlijk een oproep. Wie weet meer? Wie heeft materiaal?

Medium vader 20en 20moerder

Een van de reacties kwam van Miep Wurms, geboren in 1925 uit een joodse vader en een christelijke moeder. Hoewel haar ouders destijds in Rotterdam ingeschreven stonden, hadden zij de stad een half jaar na het bombardement verlaten en een etage aan de Harstenhoekweg betrokken, op nummer 58. Vandaar was vader Wurms in augustus 1942 weggehaald. Ruim een maand later werd hij in Auschwitz vermoord. Vóór zijn transport had hij nog kans gezien zijn vrouw en dochter vanuit Westerbork een enveloppe te doen toekomen. Daarin zaten niet alleen bonkaarten en, vreemd genoeg, Mieps zwemdiploma, maar ook een sleutelbos. Van nummer 58.

De reactie van Miep Wurms was voor Willems en Verbeek een lot uit de loterij. Doordat haar familie in Rotterdam ingeschreven stond, zouden ze haar nooit gevonden hebben. Nu dus wel. En Miep wist veel. Zo vertelde ze hoe enkele maanden na haar vader het andere gezin van nummer 58 was weggehaald: Abraham en Judith de Jong met hun twee dochters en jongste zoon Harry. Laatstgenoemde had bij zijn vertrek nog naar Miep gezwaaid en geroepen: ‘Zien jullie wel dat ik op vakantie ga!’

Aldus een paar details uit een doorwrochte poging tot reconstructie van het joodse leven in één Nederlandse stad. ‘De shoah mag mensenlevens hebben vernietigd’, schrijven de auteurs aan het begin van hun boek, ‘daarmee zijn ze nog niet uitgewist op het grote krijtbord van de geschiedenis. Joden woonden en werkten voor de oorlog in tientallen stadswijken en dorpen in Nederland, op dezelfde wijze als op de Harstenhoekweg.’

Dit laatste is genoegzaam bekend, niet in de laatste plaats dankzij het belangrijke naslagwerk dat Yad Vashem in 1985 in het Hebreeuws publiceerde en dat later ook in het Nederlands uitgegeven werd, Pinkas. Maar inderdaad, hierin staan vooral feiten, cijfers, kale gegevens. Tot leven komt de joodse gemeenschap in Pinkas niet. Dat gebeurde wel in talloze andere boeken, artikelen, op websites en tentoonstellingen. Je hoeft alleen maar te zoeken op “joods leven in” en je krijgt een lange lijst met titels, over Elburg, het Westland, Maassluis, Amsterdam vanzelfsprekend, Friesland, Oud-Beijerland, enzovoort. In zoverre is dit boek over een Scheveningse straat minder origineel dan het lijkt. Microgeschiedenissen over joods leven in vooroorlogs Nederland zijn er te over.

Te over, maar zijn het er genoeg? Het antwoord op deze vraag hangt sterk af van de visie die je op geschiedschrijving hebt, op wat zij is en/of moet zijn. Grosso modo zijn in dit verband twee varianten mogelijk: een macro- en een microhistorische. Eerstgenoemde gaat ervan uit dat geschiedschrijving tot taak heeft lijn te brengen in de ontelbare gebeurtenissen en details van het leven van alledag. Deze taak is in onze vloeibare wereld des te belangrijker, aldus de redenering, omdat het verleden ons enige houvast is. Raakt dit ook verloren, dan dwalen we als blinden door een chaotische tijd. Een macrohistorische visie op geschiedenis is in die zin bevredigend dat ze relatief eindig is. Vanzelfsprekend kan het ene beeld vervangen worden door het andere maar is een beeld eenmaal gevonden, dan is het werk tussen aanhalingstekens want voorlopig ‘klaar’.

Het verleden is ons enige houvast. Raakt dit verloren, dan dwalen we als blinden door een chaotische tijd

Dat geldt per definitie niet voor de microhistorische variant van geschiedschrijving. Deze is op het eerste gezicht dan ook bescheidener en minder abstract. Mede daarom is zij verhalender, speelser, leuker en meer in trek bij het grote publiek. Evenals de macrohistorische heeft ook zij altijd bestaan maar het begrip dateert pas uit 1959 en de massale belangstelling ervoor is van nog latere datum, namelijk van de laatste decennia van de twintigste eeuw toen boeken als Montaillou van Emmanuel Le Roy Ladurie (oorspr. 1975), The Return of Martin Guerre van Natalie Zemon Davis (1983) en Il formaggio e i vermi van Carlo Ginzburg (1976) internationaal grote oplagen bereikten. Naar aanleiding van deze successen publiceerde laatstgenoemde in 1993 ook een vaak geciteerd artikel over het genre (Microhistory: Two or Three Things that I Know about It). In dit artikel verwijst Ginzburg, het was onvermijdelijk, naar het werk van de man die als de grootste historicus van zijn tijd werd beschouwd, de toen reeds overleden Fernand Braudel. Hij had zich in zijn werk sterk verzet tegen wat hij histoire événementielle noemde, geschiedschrijving als een aaneenschakeling van feiten en gebeurtenissen. Volgens Braudel ging het erom dieper te graven en een geschiedenis van structuren en langzame ritmes te schrijven. Macrohistorie bij uitstek dus.

Ginzburg wees er in zijn artikel op dat Braudels kritiek op de evenementengeschiedenis vooral de politiek gold – het verleden als een verhaal van en toen en toen en toen, die rijtjes die we vroeger op school leerden. Ze gold volgens hem niet de microhistorie die hij voorstond – geschiedschrijving als het verhaal van het leven van alledag. Tegen zo’n verhaal had Braudel geen bezwaar. Te meer niet, aldus Ginzburg, omdat veel macrohistorie ideologisch gekleurd is, geen geschiedschrijving maar politiek die historische feiten gebruikt. Een goed voorbeeld is het vele dat in de loop van eeuwen geschreven is vanuit een vooruitgangsperspectief – de tijd als een onvermijdelijke beweging in een gewenste richting oftewel de geschiedschrijving van oude en nieuwe christenen. Hier staat tegenover, erkende ook Ginzburg, dat veel microhistorie niet meer biedt dan losstaande verhalen. Dat kan van geschiedschrijving evenmin de bedoeling zijn. Anders gezegd, micro en macro horen bij elkaar en in de microhistorie gaat het er uiteindelijk om te tonen hoe lange lijnen en grote verbanden uitwerken in details. Om het met een variant op Leopolds beroemde dichtregel te zeggen: de taak van microgeschiedschrijving is tonen hoe het bestaan zich weerspiegelt in een waterdruppel.

Hoe problematisch een dergelijke visie op geschiedschrijving kan zijn, blijkt uit een tweede recente microhistorische publicatie. Deze gaat op het eerste gezicht eveneens over een straat maar vertelt in feite over slechts één huis en één gezin in die straat, de familie Kooijmans op de Valeriusstraat 102 in Amsterdam. In dit gezin liepen vóór en vooral tijdens de oorlog alle politieke lijnen door elkaar. Vader (grootvader voor de auteur) Kooijmans (1887) was – wat heet – fout. Evenals een aantal van zijn kinderen, onder wie de oudste dochter Tine (1915). Zij trouwde nog tijdens de oorlog met de nationaal-socialistische journalist Jan Boreel en was actief bij de Arbeidsdienst. Een van de andere van de negen kinderen van (groot)vader Kooijmans maakte een tegenovergestelde keuze. Dat was Wim (1923). Nadat hij een tijdje bij Fokker had gewerkt, kwam hij thuis te zitten, verveelde zich en kwam via een oudere broer in contact met een man die betrokken was bij de verzetsgroep Inlichtingendienst.

‘Hij wilde zijn leven inhoud geven’, schrijft neef en auteur Luuc Kooijmans ter verklaring. ‘Bovendien voelde hij zich eenzaam, hij vond zichzelf een nerd, hij wilde in het leven staan. En hij wilde Adje [die oudere broer] natuurlijk niet tegenvallen.’ Wim kon goed tekenen, had contacten bij Fokker, de rest van het verhaal laat zich raden. Hij belandde in het verzet, bracht de luchtafweer bij de Fokker-fabriek in kaart en… werd gepakt. Dit laatste gebeurde kort nadat hij met het verzetswerk begonnen was, eind april 1942. Vervolgens zat hij meer dan een jaar in gevangenschap, tot in mei 1943 het proces tegen hem en zijn medestanders begon. De uitkomst ervan stond van tevoren vast. Doodstraf wegens ‘Feindbegünstigung und Sabotage’. Wim had vervolgens nog twee maanden om zich op de executie voor te bereiden. In die periode werd nog van alles geprobeerd; vrienden en bekenden werden ingeschakeld, er werden bezoekjes gebracht, brieven geschreven. Niets hielp. Op 20 juli 1943 werden de jonge Kooijmans en negentien anderen op de Leusderheide geëxecuteerd.

Einde verhaal? Nee. In het ‘nsb-gezin’ Kooijmans was het verhaal van zoon Wim te ingewikkeld zoals het verhaal van de (groot)vader ook niet eenvoudig was, laat staan de combinatie. Gevolg was dat er over de oorlog vooral gezwegen werd. Zo deed ook de jongste telg, Kees, vader van auteur Luuc. Dit duurde tot het moment dat Luuc met dit zwijgen geen genoegen meer nam en een onderzoek begon, waaruit dit boek voortkwam. Het werd enthousiast ontvangen. ‘Pro- en anti-nsb in één gezin’ kopte de Volkskrant. ‘Familieverhalen waarin het hele perspectief op de oorlog, van goed via grijs naar fout, te vinden is binnen één gezin, zijn er niet of nauwelijks’, schreef Jos Palm in NRC Handelsblad. In bijna alle recensies stond iets vergelijkbaars.

De cruciale vraag in dit verband is vanzelfsprekend wat dit zegt, of wat een boek als Het geheim van de Valeriusstraat ons leert, over het verleden, in het bijzonder over de oorlog en zijn nasleep? Ik zou het bijvoorbeeld goed kunnen gebruiken om de uitspraken te adstrueren die ik in mijn Grijs verleden deed over diversiteit, complexiteit en toeval in de Tweede Wereldoorlog. Maar dat is me toch te eenvoudig. Want in het kader van een debat over nut en nadeel van macro- en microgeschiedschrijving staat één vraag voorop: is een verhaal kenmerkend of uitzonderlijk? Over het eerste antwoord op deze vraag is in dit geval twijfel uitgesloten: het verhaal van de familie Kooijmans is uitzonderlijk. Er zijn wel meer gevallen bekend van diametraal tegengestelde politieke keuzes tijdens de oorlog in één gezin maar die zijn op een paar handen te tellen. Microgeschiedenis weerspiegelt in dit geval dus vooral zichzelf. Zij ligt dichter bij de kunst dan bij de geschiedschrijving. De schoonheid van het verhaal is van meer betekenis dan de historiografische zeggingskracht.

Dat ligt anders met het zwijgen, het tweede grote thema van Het geheim van de Valeriusstraat en tegelijkertijd uitgangspunt van een tweede antwoord op de vraag naar de representativiteit van het verhaal van de familie Kooijmans. Want in talloze gezinnen – foute, goede, joodse en grijze – werd na de Tweede Wereldoorlog diep en hardnekkig gezwegen. De ervaringen werden te pijnlijk, te moeilijk, te onoverdraagbaar bevonden. Bovendien was er veel, heel veel dat men niet wist, niet wilde weten, niet durfde te weten. De geschiedenis van dit zwijgen, een zeer belangrijk maar zo goed als niet onderzocht thema in de naoorlogse geschiedschrijving, moet nog geschreven worden. Daarbij kan Het geheim van de Valeriusstraat helpen, zoals ook het boek van Willems en Verbeek dat kan doen. Zij immers deden gestorven stenen spreken.


Beeld: Hijman Wurms en Johanna Maria (Annie) Wurms- Groos, de ouders van Miep Wurms in de Wagenstraat in Den Haag, 1941; (FAMILIE BEZIT MIEP WURMS)