Als iedereen wat naïever was…

Daniëlle van den Bos
Dansen in een dode stad: Ervaringen met Israël
Ad. Donker, 224 blz., € 17,50

Wie denkt er bij Israël nog aan een land van melk en honing? Eerder verschijnen beelden voor het geestesoog van zand en stof, van opgeblazen zelfmoordterroristen in stampvolle bussen en checkpoints met soldaten. Een boek over Israël kan op z’n best interessant zijn, maar toch zeker niet leuk. Alleen de gedachte aan de onoverzichtelijkheid van dit onoplosbare conflict doet de lezer de moed al in de schoenen zakken.

Daniëlle van den Bos (1977), schrijfster van Dansen in een dode stad: Ervaringen met Israël, lijkt van dit soort pessimisme geen last te hebben. Als studente Hebreeuws aan de Universiteit van Amsterdam gaat ze in een bijzonder roerige periode in Israël een jaar studeren in Jeruzalem. Toch vormt dat bij haar vertrek geen enkel bezwaar. Opvallend detail: Van den Bos is geen joodse, maar komt van christelijke huize. Israël is haar geboorteland. Haar ouders woonden destijds in een kibboets. In haar jeugd is zij overvoerd met romantische verhalen over het leven daar. Na haar middelbare school, in de jaren negentig, is ze zelf een jaar opgegaan in het kibboetsleven, en had het erg naar haar zin. De beelden die zij kent van het nieuws, de verhalen die zij leest in de krant, zijn niet te rijmen met haar ervaring van Israël: een paradijselijk land met eindeloos mooi weer.

Naïef, kun je zeggen. En dat wordt haar in dit boek ook ontelbare malen verweten door zowel Israëliërs als Palestijnen en Arabieren. Deze zeldzaam positieve en ook open houding maakt wel dat ze met iedereen in contact komt en alles durft te vragen. Ze wil zo graag dat iedereen elkaar begrijpt, maar helaas: dat zit er niet in. Op deze deceptie loopt ze zelf al vooruit. Ze weet dat zij de oplossing niet kan brengen, maar ze weigert te vervallen in de gelaten apathie die ze ziet in de mensen om haar heen. Ze baalt van zichzelf als ze over de telefoon ruzie maakt met een vriend, die ze eigenlijk belt om te horen of hij nog leeft na een aanslag, en met wie ze onmiddellijk in een politieke discussie belandt. Ze weet dat ze politieke tegenstellingen niet zo op scherp moet zetten, maar ze ontkomt er niet aan.

Van den Bos heeft het profiel van een linkse idealist, die met haar bevlogenheid tegen een muur aan loopt. Dit had een bitter verslag van een reality check kunnen worden, maar niets is minder waar. Hoewel het op een gegeven moment ronduit slecht met haar gaat – ze is angstig en trekt zich steeds meer terug uit het openbare leven – blijft haar toon luchtig. Hoewel de ‘situatie’ van het land overal doorheen sijpelt, gaat het leven voor een meisje van 24 toch ook over uitgaan, vriendjes, haar baantje en natuurlijk af en toe wat serieus studeren. Ook in Jeruzalem en ook als er ’s middags een bom ontploft in de pizzatent waar je ’s morgens nog stond.

Haar stijl doet denken aan die van _NRC Next-_columniste Aaf Brandt Corstius. Maar terwijl die het klaarspeelt leuk te schrijven over niets, heeft de lichtheid van Van den Bos een verrassend sterk effect. Onnozele verliefdheden in Jeruzalem blijken ineens grote ideologische consequenties te hebben. Kun je het bed delen met iemand die tot de politieke tegenpartij behoort? Niet als je jezelf serieus neemt, is Van den Bos’ conclusie.

De eerlijkheid en de oprechte bedoelingen van de schrijfster zijn ontwapenend. Ze heeft er geen moeite mee zichzelf soms als een bakvis af te beelden. Zonder schaamte vertelt ze over haar mislukkingen. Ze is charmant genoeg om vergissingen weer recht te zetten en niemand echt tegen zich in het harnas te jagen. Al bekoelt de relatie met haar goede vriend Tal nadat ze in een opwelling Arafat de hand heeft geschud.

Halverwege het voorjaarssemester, in 2002, gaat ze terug naar Nederland. Op dat moment vindt de ene aanslag na de andere plaats. De ellende in het land raakt haar persoonlijk, anders dan haar Israëlische vrienden, die gewend zijn aan de toestand. Bij thuiskomst krijgt ze twijfels: was het wel zo erg? Is ze geen aansteller? Het jaar daarop keert ze terug in februari en maakt zo haar schooljaar af. De situatie is iets rustiger, maar nog steeds verre van ideaal. Nu volgt een periode van reflectie. Haar eerste ontmoeting met Israël was overdreven positief, de tweede sloeg door naar de andere kant. Haar beeld wordt nu evenwichtiger. Het lukt beter om een scheiding te maken tussen de politiek en de inwoners van het land.

De gesprekken met allerlei soorten mensen, de scherpe observaties van bizarre joodse en Arabische gewoontes, én haar talenknobbel – ze verdiept zich ook in het Arabisch, waarmee ze de lezer trakteert op een kijkje in de linguïstische identiteit van alle passanten – maken dit boek de moeite waard. Geen cynisch gechagrijn, maar lieve naïviteit. Want, zoals ze zelf al opmerkt: als iedereen naïef was, zag de wereld er een stuk mooier uit.