Robert Went over kapitalisme, overheidsingrijpen en de frustratie over het Europese eenwordingsproject

‘Als ik ergens somber van word, is het van Europa’

Hoeveel ongelijkheid kan een samenleving verdragen? Robert Went, stafmedewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, denkt dat we op een kantelpunt zitten. ‘De spanningen lopen op.’

Medium went 01

Het Internationaal Monetair Fonds (imf), een van de steunpilaren van het kapitalisme, heeft bij monde van Christine Lagarde verklaard dat te veel ongelijkheid slecht is voor de economie. Econoom Robert Went telt zijn zegeningen: ‘Hier word ik vrolijk van. Het imf! Om dezelfde redenen waarschuwen imf-onderzoekers ook voor zwakke vakbonden. Dan krijgen de topinkomens te weinig tegenwicht en neemt de ongelijkheid verder toe. Dat zegt het imf, een van de cheerleaders van de vrijemarkteconomie, die toch niet bekend staat als een vriend van de vakbonden.’

Voor Went, stafmedewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr), is het alarm dat imf-topvrouw Lagarde heeft geslagen een signaal dat ook het financiële establishment de ogen zijn geopend voor het gevaar van extreme ongelijkheid. ‘Het is tot de internationale technocratie van imf, Wereldbank, oeso doorgedrongen dat het niet goed gaat met het kapitalisme zoals het nu functioneert’, zegt hij. ‘Lagarde heeft haar mensen opgedragen dieper in het probleem van de ongelijkheid te duiken. Tot voor kort was dat daar taboe. Bij de Wereldbank zaten de medewerkers die ongelijkheid bestuderen vroeger in een achterkamertje. Nu hebben alle ruimte. Allemaal tekenen van het gestaag toenemende besef dat de ongelijkheid van nu een probleem is.’

Het intensieve debat dat Thomas Piketty heeft losgemaakt met zijn Le capital au XXIe siècle wijst erop dat de geesten rijp waren voor de problematisering van ongelijkheid. Hoeveel ongelijkheid kan een samenleving verdragen? De crisis van 2008 heeft aan deze bewustwording bijgedragen. Sindsdien is economische stagnatie voor het ene deel van de bevolking een pijnlijke reële ervaring en valt het andere deel een steeds uitbundiger rijkdom ten deel. In de vorm van hogere belastingen en minder voorzieningen zijn de kosten van de crisis van het financiële kapitalisme verhaald op de mensen die het van een arbeidsinkomen moeten hebben. De hypervermogenden zijn de dans ontsprongen en er zelfs op vooruit gegaan. In de VS is 106 procent van de groei in 2009-2012 naar de rijkste één procent gegaan. Meer dan honderd, wat komt doordat de rest erop achteruit is gegaan.

President Obama is zich van deze ontsporing bewust, getuige zijn uitspraak dat ongelijkheid ‘the defining challenge of our time’ is. Door de toenemende ongelijkheid tussen de noordelijke en zuidelijke lidstaten lopen ook in de Europese Unie de spanningen op. Ze vormen inmiddels een reële bedreiging voor het Europese samenwerkingsproject. Went: ‘Daar ben ik pessimistisch over. Dat gaat echt de verkeerde kant uit.’

Robert Went (1955), gepromoveerd op globalisering, speelt een verdienstelijke rol in de intellectuele verdieping van het Nederlandse debat over ongelijkheid. Met wrr-raadslid Mark Bovens en zijn collega-stafmedewerkers Monique Kremer en Erik Schrijvers is hij verantwoordelijk voor de studie Hoe ongelijk is Nederland?. Hij is ook de samensteller van het boek Waarom Piketty lezen?, een bundel met 49 beschouwingen over het baanbrekende werk van de Franse econoom. Piketty heeft aangetoond dat de naoorlogse periode waarin de gelijkheid in het Westen toenam, tot medio jaren zeventig, een historische uitzondering was op de immanentie in het kapitalisme dat bezit meer oplevert dan arbeid. De rijken met kapitaal komen allengs op grotere afstand te staan van mensen die hun inkomen alleen uit arbeid halen.

‘Volgens Paul Krugman is het effect van Piketty’s werk als dat van een storm die door het vakgebied raast’, zegt Went. ‘Zijn aanpak zie je zelden in de economische wetenschap. Hij haalt de sociologie erbij, de geschiedenis, de literatuur. Al die niet-economische inzichten verwerkt hij in combinatie met zijn empirisch onderzoek in een nieuw verhaal over de economie. Op de Nederlandse universiteiten heeft die benadering lange tijd in het verdomhoekje gezeten. Tekenend is de afschaffing van de leerstoel geschiedenis van het economisch denken aan de Universiteit van Amsterdam. Dat vak vond men niet meer belangrijk.’

In de crisis van 2008 bleek dat die blikvernauwing ons geen goed heeft gedaan, zegt Went. ‘Voor velen gebeurde er toen iets nieuws. Zij werden verrast, bij gebrek aan kennis van de geschiedenis van het kapitalisme. Men komt nu wat terug van die a-historische benadering, ook dankzij studenten die méér sociologie, méér geschiedenis in de beoefening van de economische wetenschap willen. Ze keren zich tegen de instrumentele, eendimensionale benadering waarin de economie wordt teruggebracht tot modellen. Ze willen praten over de echte problemen van nu, zoals ongelijkheid. Over een paar jaar, als zij zich melden op de arbeidsmarkt, zal hun benadering ook instituties als de ministeries binnensijpelen.’

Went is nu gegrepen door Inequality: What Can Be Done?, het nieuwe boek van de eminente Britse econoom Anthony Atkinson. De oud-hoogleraar in Oxford en aan de London School of Economics schrijft al zijn hele werkzame leven over de ongelijke verdeling van de welvaart en sociale onrechtvaardigheid. Went: ‘Atkinson gaat na welke consequenties een aanpak van de ongelijkheid heeft voor het technologiebeleid, voor de lonen, voor de zeggenschap in ondernemingen. Het is een mooie, logische stap na Piketty om de aandacht nu te verleggen naar mogelijke oplossingen.’

‘Henry Ford zei destijds al dat hij zijn werknemers beter betaalde dan zijn concurrenten omdat hij dan meer T-Fords verkocht’

De zwaarste politieke lading heeft Atkinsons conclusie dat het standaardantwoord van herverdeling door de overheid en beter onderwijs onvoldoende zal zijn om onrechtvaardige ongelijkheid te bestrijden. Went: ‘De verschillen zijn zo spectaculair groot geworden dat je het niet redt met hier en daar de belasting wat omhoog of meer onderwijs voor mensen aan de onderkant. Als Engeland terug zou willen naar het niveau van ongelijkheid uit de tijd van de Beatles, dan zou de belasting volgens Atkinson met zestien procent omhoog moeten. Dat is onmogelijk.’

Atkinson bepleit daarom een ander perspectief. Daarin is de aandacht verbreed van het zwaarder belasten van kapitaal naar de versterking van de macht van de arbeid. Went licht toe: ‘Hoe kan de vakbeweging met andere organisatievormen weer aan kracht winnen? Hoe breng je bedrijven tot het inzicht dat zij belang hebben bij technologie die hun werknemers niet overvalt maar het werk juist toegevoegde waarde verschaft? Hoe kun je ondernemingen ervan overtuigen dat hun aandeelhouders niet hun enige belanghebbenden zijn? Bedrijven moeten ook aan hun reputatie denken. Het zou Atkinson daarom niet verbazen als de heersende normen van wat mensen nog acceptabele inkomensverschillen vinden de komende jaren weer strakker worden.’

De signalen van zo’n omslag zijn evident. Onder druk van de publieke verontwaardiging zagen bestuurders van ABN Amro, kpn en asr af van bonussen en salarisverhogingen. Ahold-topman Dick Boer wist zich niet goed raad toen hij op de aandeelhoudersvergadering oog in oog stond met Soufian Afkir, een vakkenvuller, gekleed in een half pak omdat hij ‘niet meer kan betalen’. Afkir vroeg hem naar de ratio achter het verschil in beloning tussen hem en Boer, 5,96 euro versus 1634 euro per uur: ‘Om het loon dat u in een jaar verdient te evenaren moet ik 299 jaar fulltime werken.’

‘Ook in het hyperkapitalistische Amerika zijn er tekenen dat ondernemingen beter gaan letten op hun reputatie’, zegt Went. ‘Zo trekt het ene na het andere bedrijf zijn minimumloon op. Starbucks, Walmart, McDonald’s, tientallen bedrijven. Datzelfde gebeurt in een aantal staten en in Seattle. Waarom doen ze dat? Het bewaken van hun reputatie is één overweging. Ze ontdekken ook dat ze meer van hun mensen kunnen verwachten als ze hun met een hoger loon meer waardering geven. Bedrijven onderkennen bovendien meer en meer dat werknemers ook consumenten zijn. Walmart weet dat als het met zijn laagste uurloon naar 10 dollar gaat, in plaats van 7,60, zijn werknemers een flink deel van dat extra loon bij Walmart zelf zullen besteden. Het is eigenlijk een herontdekking van het langetermijnbelang van bedrijven. Henry Ford zei destijds al dat hij zijn werknemers beter betaalde dan zijn concurrenten omdat hij dan meer T-Fords verkocht.’

Atkinson komt ook op tegen de gemakzucht waarmee vakbroeders van hem veronderstellen dat nationale staten zich in tijden van mondialisering geen beleid tegen ongelijkheid kunnen permitteren. ‘Hij ontkracht die stelling’, zegt Went. ‘Terecht, mijns inziens. Ik denk dat nationale staten nog steeds veel beleidsruimte hebben, ondanks de grotere internationale verwevenheid. Het beste voorbeeld is Latijns-Amerika. Dat is het enige continent waar de inkomensverschillen de afgelopen tien jaar kleiner zijn geworden. Een actieve sociale rol van de overheid heeft die trend naar rechtvaardiger inkomensverhoudingen in gang gezet. Dat is geen incidentele kwestie, noch heeft het iets te maken met de kleur van de regering. In zowel rechts als links geregeerde landen in Latijns-Amerika doet dit fenomeen zich voor.’

Ook in Nederland concentreert de rijkdom zich steeds meer bij de mensen met bezit. Uit de wrr-studie Hoe ongelijk is Nederland? blijkt dat inmiddels zestig procent van het vermogen in Nederland in handen is van tien procent van de bevolking. Ondertussen gaat een groeiend deel van de mensen met alleen een inkomen gebukt onder schulden. Dat beeld van ongelijkheid wordt wat aan het oog onttrokken doordat Nederland met progressieve belastingen en inkomenssubsidies voor de laagstbetaalden nivellerend optreedt in de verdeling van de inkomens uit arbeid.

‘In de markt is de inkomensongelijkheid hier ongeveer even groot als in de VS’, legt Went uit. ‘Het verschil is dat de overheid veel sterker intervenieert. Daar zit een grens aan. Wat wij met de wrr daarom bepleiten is om in de strijd tegen grotere ongelijkheid niet direct aan hogere belastingen te denken. Het verdient volgens ons de voorkeur om in een eerdere fase van de inkomensvorming correcties aan te brengen, bijvoorbeeld door de hoogste inkomens onder een cao te brengen. Dat is maar een van de varianten van zelfcorrigerend optreden door de marktsector zelf, zonder hulp van de overheid. Ik was met een collega van de wrr uitgenodigd bij Breman, een installatiebedrijf uit de christelijke hoek, waar 1500 mensen werken. Daar hebben de werknemers de helft van de stemmen over alle belangrijke investeringsbeslissingen en krijgen ze ook de helft van de winst. Fascinerend!’

Breman redeneert dat kapitaal en arbeid beide belang hebben bij de continuïteit van het bedrijf, zegt Went. ‘Daarom hebben beide in de visie van Breman ook een gelijk recht op een uitkering uit de winst. De een heeft het kapitaal ter beschikking gesteld, de ander de arbeid. Dat is een mooi voorbeeld van gelijkheidsbeleid buiten de sfeer van de overheid. Het wagemark in Canada is ook een aansprekend voorbeeld. Bedrijven waarvan de directie niet meer verdient dan tien keer het loon van de laagstbetaalde werknemer hebben het recht hun producten van een speciaal keurmerk, het wagemark, te voorzien.’

‘Die term, structurele hervormingen, ligt economen in de mond bestorven en ze denken ook dat zij dan wat zeggen. Dat is niet zo’

In de Europese Unie werkt de toenemende ongelijkheid tussen lidstaten als een splijtzwam. Dat is niet het minst het gevolg van bewust beleid van Nederland en Duitsland om alle kaarten op hun export te zetten. Het spiegelbeeld van dat beleid is dat ze andere landen belemmeren in hun groei. Al decennia achtereen bevorderen Duitsland en Nederland hun uitvoer door de loonkosten laag te houden. Beide landen zetten met die lagelonenpolitiek een rem op de eigen binnenlandse economie. De keerzijde van dat beleid is dat andere EU-landen relatief worden benadeeld, bij gebrek aan afzetmogelijkheden in Nederland en Duitsland. Noord-Europa is nu niet de trekker van de economie die het zou kunnen zijn. Went zegt: ‘Juist om dat soort concurrentie ten koste van de ander te beteugelen hebben de landen in de eurozone afspraken gemaakt over een zeker evenwicht in hun handel. Lidstaten mogen geen hoger handelsoverschot hebben dan zes procent. Nederland en Duitsland zitten daar ver boven. Ze maken het daarmee landen waarmee het slecht gaat, zoals Griekenland, lastiger dan nodig is om te groeien.’

Nederland is zwaar in overtreding, met een overschot op de handelsbalans dat ongeveer het dubbele bedraagt van de limiet die de eurolanden hebben afgesproken. ‘Het bizarre is dat wij nu al 32 procent van ons nationaal product in het buitenland verdienen en dat werkgeversorganisaties desondanks campagne voeren om dat nóg verder op te voeren. Het is gewoon mercantilisme, alles gericht op de export en ieder land voor zich. David Ricardo en Adam Smith wezen er al vanaf 1750 op dat landen op deze wijze alleen maar rijker konden worden ten koste van andere. Zolang we niet naar de maan kunnen exporteren ontneem je andere landen mogelijkheden voor uitvoer als je handelsoverschot te groot is. Daarmee vergroot je de kans op protectionisme en handelsconflicten.’

In deze tijd lijdt de Europese samenwerking zwaar onder dit neo-mercantilisme, zegt hij. Nederland en Duitsland maken het voor andere landen moeilijker om concurrerend te zijn en hun tekorten terug te dringen. ‘Dat is een bron van spanning, in een tijd waarin andere Europese landen zich al afvragen of het er in de Unie wel eerlijk aan toe gaat, of zij wellicht meer dan de machtige lidstaten opdraaien voor de kosten van de crisis.’

De conclusie moet zijn, zegt Went, dat Nederland en Duitsland met hun grote handelsoverschot Europa destabiliseren. Dat is economisch even onwenselijk als politiek riskant. In het ergste geval staat het eenwordingsproject dat Europa na de oorlog vrede en voorspoed bracht op het spel, meent Went. Tussen Noord- en Zuid-Europa ontstaan over en weer vijandbeelden. Noord-Europeanen krijgen het idee dat zij moeten bloeden voor de schulden van de zuidelijke lidstaten, Zuid-Europeanen hebben de neiging hun donkere toekomstperspectief toe te schrijven aan de saneringseisen van de noordelijke EU-leden. Vooral in Griekenland is de sociale ellende een bron van woede en frustratie.

‘Ik stap over het algemeen goedgemutst uit mijn bed’, zegt hij, ‘maar als ik ergens somber van word, dan is het van Europa. Ik heb de Europese integratie altijd verdedigd, met de nodige op- en aanmerkingen, maar ik begin steeds meer te twijfelen of het op deze manier nog wat gaat worden. De idee van Europese eenwording als waarborg van stabiele veiligheid en welvaart wordt bedreigd. Ik merk die stemming bij mensen om me heen op. Ik zie ook steeds meer artikelen en blogs met toenemende twijfel over de vraag of de euro en daarmee de Unie überhaupt nog op het rechte pad is te krijgen. De beeldvorming over landen is nu over en weer al zo beladen. Er is echt enorme schade aan de idee Europa aangericht.’

Hij is het eens met de economen Jaap van Duijn, oud-topman van vermogensbeheerder Robeco, en Johan Witteveen, voormalig imf-voorzitter, die de klemmende afspraak dat het overheidstekort in de eurolanden de drie procent niet mag overschrijden ‘een geloofsartikel’ vinden. Dat percentage was niet meer dan de uitkomst van een politiek compromis tussen Frankrijk en Duitsland over de Duitse eenwording, begin jaren negentig, maar heeft nu de werking van een dogma over wat economisch wijs is. In Europa heeft dat een polariserend effect. Het weerhoudt landen die economisch sterk genoeg zijn om de economie te stimuleren, zoals Duitsland en Nederland, van het doen van de noodzakelijke extra overheidsinvesteringen. Het dwingt de economisch zwakke landen tot bezuinigingen met ontwrichtende sociale gevolgen, zoals een exploderende werkloosheid.

‘In een mooi gesprek met de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz bij de oeso herinnerde de Griekse minister van Financiën, Yanis Varoufakis, ons onlangs nog eens aan het politieke karakter van die afspraak’, vertelt Went. ‘Hij legde ook de vinger bij een ander dogma, dat van de zogeheten structurele hervormingen die Griekenland door de eurogroep worden opgelegd. Die term, structurele hervormingen, ligt economen in de mond bestorven en ze denken ook dat zij dan wat zeggen. Dat is niet zo, het is een leeg begrip. Vaak bedoelen degenen die het in de mond nemen er hetzelfde mee, een flexibele arbeidsmarkt, een hogere pensioenleeftijd en ook nog iets met de woningmarkt. Maar adequate structurele hervormingen zijn uiteraard pas écht mogelijk na een concrete analyse van wat in een land het grootste obstakel voor groei is. Dan zul je op verschillende antwoorden uitkomen.’

Went voelt zich aangesproken door het voorbeeld dat Varoufakis in zijn gedachtewisseling met Stiglitz opvoert. ‘Kijk, zegt hij, het imf vindt dat wij de arbeidsmarkt in Griekenland moeten dereguleren. Maar helpt deregulering op een arbeidsmarkt waar dertig procent van de economie zwart is, waar werkgevers migranten op schandalige manier uitbuiten, waar de overheid moeite heeft om belasting bij bedrijven te heffen? Nee, zegt Varoufakis, in zulke omstandigheden is het nodig de arbeidsmarkt meer te reguleren. Dat zou in Griekenland nu écht een structurele hervorming zijn. Hij heeft gelijk.’


Beeld: ‘De verschillen zijn zo spectaculair groot geworden dat je het niet redt met hier en daar de belasting wat omhoog of meer onderwijs voor mensen aan de onderkant’