Als ik Kluun lees

Ik las boeken om iets over de wereld te weten te komen.

Op een dag las ik Reis naar het einde van de nacht van Céline in vertaling van Kummer, mijn leraar Frans.

Medium opheffer 10 11

Schitterende literatuur. Maar we leerden ook dat Céline een enorme antisemiet was. Voor het eerst werd ik toen geconfronteerd met de vraag: kan iemand die moreel verwerpelijke standpunten heeft toch een goed schrijver zijn? Is het niet zo dat je altijd Céline’s antisemitisme door zijn verhalen heen ziet?

Zoals ik er toen over dacht, denk ik er nog over: hoe iemand denkt, heeft niets te maken met de literatuur die hij produceert. Een devote katholiek als Gerard Reve kan prachtige literatuur voortbrengen, terwijl ik zijn katholicisme afwijs.

Maar stel dat iemand een roman schrijft, waarin hij de lof zingt van amoreel handelen (‘Het is eerlijk om negers uit te roeien en steden te bombarderen’, zei de hoofdpersoon) en waarin ook de subtekst in mijn ogen amoreel is ('Neem je verantwoordelijkheid, Blonde Harry: gooi die atoombom op Afrika’) mag ik dan het boek afkeuren - en ik bedoel dan: slecht recenseren - op grond van die morele boodschap?

Ik leerde vroeger van niet. Om twee redenen: we weten niet wat moreel of amoreel is, en die literaire moraliteit zegt niets over de manier waarop het boek is geschreven. Wijs je Shakespeare af omdat Hamlet een moordenaar is?

Nee, maar het omgekeerde is zeker waar: ik heb een grondige hekel aan boeken (en films) met een moreel hoogstaand karakter. Naarmate ik ouder word, lijkt het of ik steeds meer behoefte krijg aan romans waarin zaken worden bewonderd die ik totaal niet vind deugen. Het naargeestigst vind ik boeken waarin welbewust een antiheld is geschapen. Kluun die bijvoorbeeld een man beschrijft wiens vrouw kanker heeft en dan toch vreemdgaat. Die man heeft niet een Echt Donkere Kant, maar een Kitscherige. Dat is omdat hoofdpersoon Stijn oprecht van zijn vrouw Carmen met kanker houdt. Hij had haar moeten haten, denk ik steeds. Hij moet die Carmen verafschuwen. Het boek ademt goedheid. De schrijver - Kluun - construeert een zondebesef door 'verwarrende emoties’ te stapelen.

Vergelijk dat nu eens met de film Pulp Fiction van Tarantino.

Ook daar een geconstrueerde amoraliteit, maar wat geweldig gedaan. De moraliteit als mede-acteur en de amoraliteit als held. De kitsch niet als resultaat, maar als uitgangspunt - het zit al in de titel. De schijnbaar onzinnige, maar ongelooflijk briljante dialogen van Tarantino kun je zo naast de dialogen van de misdadigers van Shakespeare zetten - gek trouwens dat dat nog nooit is gedaan.

Wat kom ik over de wereld te weten als ik Kluun lees, en wat kom ik over de wereld te weten als ik Pulp Fiction zie?

Bij Kluun word ik geconfronteerd met een christelijk landschap, waarin kleinburgerlijke taboes worden overtreden. Zelfs de lezer voelt zich schuldig als de hoofdpersoon vreemdgaat, want geil worden op iemand anders is heel erg als je eigen vrouw kanker heeft. Blijkbaar is er een onzichtbaar verbod op neuken met een ander, zeker als je vrouw ongeneeslijk ziek is, want dat zou ten koste van de zorg kunnen gaan die je aan haar zou moeten besteden. Ja, wij mensen zijn niet zo keurig als we soms denken, oordeelt de auteur, we hebben onze goede en slechte kanten, dames en heren, want de man die vreemdgaat gaat weliswaar vreemd, maar hij zorgt gelukkig ook goed voor zijn vrouw en kan zelfs oprechte liefde voelen. Bah!

Tarantino schept een totaal andere verwarring: je moet lachen als je moet huilen, je bewondert waar dat niet op zijn plaats is, je identificeert je met de moordenaars, je gruwt van de goeden; de tijd neemt een loopje met je, je wordt uit deze wereld getild en in een hel van paranoia geworpen. Ik heb Pulp Fiction denk ik tien keer gezien, en iedere keer weer werd ik woedend op mijn eigen verbijstering. Hoe zou Komt een vrouw bij de dokter door Tarantino zijn verfilmd?