Als ik oud ben

Ik wil heel graag die Drionpil als ik oud ben.
Maar tegelijkertijd vind ik ook - zo ben ik opgevoed - dat je het lijden onder ogen moet zien.

Tegen dat laatste vecht ik al mijn hele leven.
Wie tegen het lijden vecht, behaalt hoogstens pyrrusoverwinningen.
‘Het lijden verdiept’, zeiden paps en mams.
En dan kwam onherroepelijk de oorlog ter sprake. Ze waren beiden gemarteld, lichamelijk en geestelijk.
Het geestelijke martelen - je eigen graf graven, er steeds in moeten liggen om te kijken of je er wel in paste, dan ervoor staan terwijl je moest kijken in de loop van een geweer, en dan op het laatst niet schieten - vonden ze het ergste.
Dat was Lijden, met een hoofdletter.
'En toen die hond die ik aan me had laten wennen door de Jap voor mijn ogen werd opgehangen, en ik kon kiezen: die hond opeten of helemaal geen eten meer krijgen.’ Dat was ook lijden.
Dat verhaal heb ik als kind eveneens ervaren als Lijden in een nog vettere kapitaal.
Hoe moest zulk lijden verdiepen, vroeg ik me vaak af, en mij werd dan verteld dat het lijden je maatschappelijk scherp houdt, dat het lijden je wereldbeschouwing bepaalt, dat het lijden je inzicht geeft in het menselijk gedrag, maar ook in je eigen gedrag, dat het lijden uiteindelijk alles relativeert; de dood, zowel die van anderen als van jezelf.
Maar hoe ik ook over het lijden nadacht, ik bleef er tegen.
Kan ik dat eigenlijk wel schrijven, zonder dom te klinken: ik ben tegen het lijden?
Wie niet.
Ik heb mijn beide ouders niet zien sterven - ik was steeds te laat. En ik weet soms niet of ik dat mezelf moet kwalijk nemen of niet. Hebben zij geleden? Had ik dat sterven kunnen vergemakkelijken? Waren ze minder eenzaam geweest als ik erbij was geweest?
Ik lijd onder die vragen, zoals er duizend vragen meer zijn waaronder ik lijd - en ik kan maar niet bedenken hoe dat mijn denken verdiept.
Ik ben tegen het lijden.
Het is misschien een wanhopig naïeve kreet, of een kreet van naïeve wanhoop, en misschien zou ik er anders over denken als ik wist wat die 'verdieping’ daadwerkelijk inhield of waar ik die kon vinden.
Waarom gebruikten mijn ouders dat woord zo vaak?
Onderwijs zou je verdiepen, boeken verdiepten je, muziek verdiepte je - en het allerbelangrijkste: het lijden.
Lijden leek thuis een noodzaak.
Als er niet geleden werd, was er iets niet goed, en werd er luid melding gemaakt van het lijden dat in aantocht was.
Mijn moeder had joodse wortels en er zijn perioden in mijn leven geweest dat ik het daaraan weet. Maar mijn vader had het ook. Hun progressieve levensinstelling - je zou mijn moeder links en mijn vader linksig hebben kunnen noemen - hadden ze ontwikkeld door het lijden, door de oorlog, door de pijn.
Lijden was de mantra die ze in leven hield.
Maar ik wil geen pijn.
Dertig jaar lang heb ik mijn ouders horen praten over euthanasie. Ze waren voor. Ik was tegen. Ik heb dat zelfs verwerkt in een boek en een film die Hoe ik mijn moeder vermoordde heette. Mijn ouders ondertekenden petities, zaten in commissies - euthanasie was belangrijk voor ze.
Waarom?
Hun antwoord kwam me altijd vreemd voor: je moet de mens niet onnodig laten lijden.
Mijn vader is gestorven aan een hartaanval.
Bij de dood van mijn moeder heb ik euthanasie tegengehouden.
Heb ik nu het lijden van haar verlengd?
We weten niet of ze leed - daarvoor was ze misschien al te ver heen.
Maar als ze leed, heb ik haar dan ook niet verdiept?
Is het flauw om dit te schrijven?
Ik weet het echt niet.
Ik schreef: ik wil heel graag die Drionpil als ik oud ben.
Alsjeblieft, laat me me niet hoeven verdiepen.