Foute dossiers

Als insinuaties feiten worden

Belastende informatie in je medische of jeugdzorgdossier raak je nooit meer kwijt, zelfs niet als je via de rechter of klachtencommissie de onjuistheid ervan aantoont. Valse aantijgingen blijven opspelen en drijven betrokkenen tot wanhoop.

In april 2017 valt bij Vincent (36) de brief van de gemeente Utrecht in de bus: ‘Wij zien geen mogelijkheid om tegemoet te komen aan de kern van de klachten, namelijk aanpassing van de inhoud en de omvang van het dossier’, schrijft de manager Jeugd en Gezondheid. De brief gaat over het jeugdgezondheidszorgdossier van Vincents dochter Tess (dan vier jaar oud) en is, althans wat de gemeente betreft, de uitkomst van een mediationgesprek dat Vincent een paar maanden eerder met enkele ambtenaren heeft gehad.

‘Mijn inzet was dat de gemeente het medisch zorgdossier van Tess schoont’, zegt Vincent er nu over. ‘De teneur daarin is dat ik geen goede vader voor haar ben. Daarom behandelen zorgverleners haar steeds als een probleemgeval. Ze zou immers door mij emotioneel verwaarloosd worden, dus zal er wel van alles met haar aan de hand zijn.’ Onterecht en stigmatiserend, vindt hij, vooral omdat de meldingen over hem vals zijn. ‘Haar medisch dossier moet objectief zijn en verzinsels over haar ouders horen daar niet in thuis.’

De gemeente Utrecht houdt echter voet bij stuk. Ze schrijft: ‘Alle stukken in het huidige dossier zijn voldoende relevant voor de jeugdgezondheidszorg van dochter. Ook stukken van meer subjectieve aard of betreffende klachtprocedures.’

En zo blijven er zinnen staan als: ‘Tess gaat met tegenzin naar vader (…) en laat zich negatief over hem uit’, en ‘er is veel boosheid bij vader’. Het zijn uitspraken die zijn ex-vrouw op verschillende momenten heeft gedaan en die zorgprofessionals kritiekloos hebben overgenomen. Hoewel Vincent aantoont dat er niets van klopt – zelfs rechters en klachtencommissies hebben hem in het gelijk gesteld – blijft hij toch verdacht. Alles bij elkaar ademt het dossier, inclusief de bijgevoegde kopieën van brieven en e-mails, dat Tess een problematische relatie met haar vader heeft en dat die om persoonlijkheidsredenen ongeschikt is om voor haar te zorgen.

Wat is hier aan de hand? Waarom handhaaft de gemeente Utrecht beschuldigingen die al lang weerlegd zijn? Hoe gaat het in het algemeen met waarheidsvinding in de jeugdzorg? De gevolgen van verkeerde beoordelingen kunnen immers diep ingrijpen in de levens van ouders en kinderen, denk aan een uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling (ots). Vooral dringt de vraag zich op: krijgen ouders en kinderen een nieuwe kans als blijkt dat professionals zich hebben vergist?

In dit onderzoek spreek ik ouders die vertellen hoe gemakkelijk ze in een kwaad daglicht zijn gesteld. Door hun ex-partner bijvoorbeeld, maar net zo goed ook door een buurvrouw of de kinderarts. Niemand bestrijdt dat er soms goed onderzoek nodig is om de veiligheid van kinderen te beschermen. Maar als daar geen narigheid uit blijkt, waarom duiken onwaarheden dan steeds weer op? Dossierstukken en andere documenten die ik inzie, bevestigen dat dit vaak gebeurt. Ook adviseurs en advocaten komen met voorbeelden van instanties die hardnekkig vasthouden aan verdachtmakingen. Al blijkt zwart op wit het tegendeel, dan nog gaat de papierversnipperaar niet aan.

Bij de jeugdzorg in Nederland zijn verschillende instanties betrokken, ook wel ketenpartners genoemd. Ouders en jongeren kunnen zelf bij een wijkteam of consultatiebureau om hulp vragen. Buiten het gezin om kunnen professionals, zoals de huisarts of een leerkracht, een melding doen bij Veilig Thuis (vroeger Meldpunt Kindermishandeling amk). Burgers die vermoeden dat kinderen in de knel zitten, kunnen dit anoniem melden.

Veilig Thuis onderzoekt de zaak en kan de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) inschakelen. De raad informeert dan de kinderrechter, die een maatregel kan opleggen: ondertoezichtstelling of een uithuisplaatsing. Ook kan de rechter besluiten dat de ouders het gezag over hun kind kwijtraken.

Per 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Instanties die vroeger onder de naam Bureau Jeugdzorg (bjz) werkten, heten nu in elke regio naar eigen believen anders. Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant werd Jeugdbescherming Brabant. Bureau Jeugdzorg Noord-Holland noemt zich vanaf 1 januari 2015 Jeugd- & Gezinsbeschermers. Want: ‘De verandering van onze naam markeert de veranderingen in de jeugdzorg en onze nieuwe rol in het jeugdstelsel. Vanaf nu ligt de verantwoordelijkheid voor alle jeugdhulp bij de gemeenten.’

Dat er zoveel instanties over de zorg voor kinderen gaan, is er mede debet aan dat foute informatie in dossiers terechtkomt. ‘Bij al die schakels ontstaan onwaarheden’, stelt gedragswetenschapper Harry Berndsen, die als vrijwilliger ouders over jeugdzorg adviseert. ‘Informatie gaat van de een naar de ander: Veilig Thuis noteert een melding en voegt er eigen gegevens aan toe, de Raad voor de Kinderbescherming neemt die over. Er sluipen bijvoeglijknaamwoorden in, zoals “ernstig” of “bewezen”. Als je eindelijk aan een rechterlijke beschikking toe bent, is de situatie al behoorlijk vertekend.’

Berndsen, die veel onderzoeksrapporten van Jeugdzorg en Veilig Thuis onder ogen krijgt, heeft geen hoge dunk van de inhoud. ‘Ze zijn een overzicht van roddel en achterklap’, zegt hij. ‘Veel informatie mist de context of een precieze bron. Dan staat er vaag: “Op school is gezegd dat…”’

Ook Roosmarijn van Leur, advocaat familie- en jeugdrecht in Dordrecht, merkt dat er bij het verzamelen van gegevens en beoordelingen in de jeugdzorg vaak iets misgaat. Van Leur: ‘Veel informatie is van horen zeggen, van de buren, of van mensen op de afdeling. Ook worden er gegevens uit andere dossiers overgenomen. Zo ontstaat er een amalgaam op grond waarvan de rechter een beslissing moet nemen.’

Ze staat bijvoorbeeld Romy (17) bij om een gesloten plaatsing in een jeugdzorginstelling te verhinderen. ‘In het verzoekschrift van de jeugdbeschermer staat dat er sprake is van adhd. Toen ik vroeg hoe dit is vastgesteld, keek iedereen naar elkaar. Het is blijkbaar ooit ergens opgeschreven en wordt steeds doorgeplaatst. Nu is onderzocht dat Romy geen adhd heeft maar een hechtingsstoornis, maar dát lees ik dan weer niet in de stukken. Voor haar toekomst is een juiste diagnose cruciaal. Toch lukt het niet om dit soort foute details definitief uit te gummen. Dit fenomeen berokkent mensen echt schade.’

Vincent heeft stapels dossierstukken voor zich op tafel liggen. Regelmatig onderbreekt hij ons gesprek om er een brief of rapport tussenuit te halen: ‘Wacht, ik pak het er even bij.’ Vincent, architect, donker montuur, bijna twee meter lang, is iemand van de feiten, getuige ook de tas vol ordners die naast hem staat, ordners met stukken die hij in de afgelopen vijf jaar heeft verzameld. Hij tackelt wat niet klopt en onduidelijk is, en hij geeft niet op.

Gedecideerd vertelt hij zijn verhaal over de strijd waarin hij terechtkwam bij instanties als Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. Eerst om na de echtscheiding Tess te kunnen blijven zien, al snel om een onderliggend grimmig probleem aan te pakken: de onwaarheden die over hem in de medische en jeugdzorgdossiers blijven staan. Die ondermijnen de vader-kind-relatie die hij met Tess heeft. ‘Het is een veenbrand die steeds weer oplaait’, zegt hij. ‘Er hoeft maar dát te gebeuren of de verdachtmakingen beginnen opnieuw; dan sluiten de professionals me weer buiten haar leven. Of het nu het consultatiebureau is of de basisschool, ze lezen immers dat er al eerder verdenkingen over mij waren. Daarom wil ik dat alle sores eruit gaat.’

In september 2012 lijkt het jonge gezin – vader, moeder, pasgeboren baby – nog gelukkig, als de prematuur geboren Tess uit het ziekenhuis wordt ontslagen. Maar schijn bedriegt. Een week later vindt Vincent een briefje op tafel: zijn vrouw is met de baby vertrokken naar haar ouders. Al snel wordt duidelijk dat ze niet meer terugkomt. ‘Ik was er totaal door overdonderd. Ik mocht mijn dochtertje alleen nog in het bijzijn van mijn schoonouders zien’, vertelt hij. Twee maanden later wordt hij gebeld door het Meldpunt Kindermishandeling. Hij zou psychische problemen hebben en persoonlijkheidsstoornissen. Anders gezegd: hij is een bedreiging voor Tess.

Hoe het amk hierbij komt, is al snel duidelijk. Zijn vrouw heeft aan de huisarts verteld dat ze zich zorgen maakt. Vincent zou ongecontroleerd boos zijn en door zijn persoonlijkheid niet goed voor de baby kunnen zorgen. De huisarts noteert dit en schakelt het amk in. Vincent: ‘Tess had nog maar een week in mijn bijzijn gewoond toen ik beticht werd van kindermishandeling. De huisarts heeft mij niet gesproken en ze kon in mijn medisch dossier zien dat ik geen psychiatrisch patiënt ben.’ In het begin denkt hij nog dat hij de beschuldigingen kan ontkrachten. Maar als hij de arts erop aanspreekt, kan de melding niet worden stopgezet.

‘Zaken die als vermoeden worden gepresenteerd worden in een later stadium zonder onderzoek als feit gerapporteerd’

Psychische problemen? Persoonlijkheidsstoornissen? Uit eigen beweging laat Vincent zich door een psychiater onderzoeken. Die concludeert dat Vincents gedragingen ‘geen risico’s zijn voor de veiligheid en de gezondheid van dochter’. Als Vincent dit zelf inbrengt bij het amk verandert het echter niets aan de verdenkingen. Sterker nog, een medewerker doet er een schepje bovenop en schrijft: ‘Hij zou trauma’s niet kunnen verwerken, komt over als controlebehoeftig (…) neemt gesprekken op wat zeer ongebruikelijk is.’ De zaak wordt doorgezet naar de Raad voor de Kinderbescherming. Tess is tien maanden oud als de rechter in mei 2013 – een hamerstuk – een ondertoezichtstelling uitspreekt.

Vanaf nu is Bureau Jeugdzorg in charge. Dit verordonneert dat Vincent zijn kind minder mag zien dan de vastgestelde omgangsregeling. De jonge vader vecht terug en het lukt hem zowaar om op meerdere fronten zijn recht te halen. De rechter oordeelt dat Jeugdzorg de omgangsregeling niet zomaar mag veranderen. De Klachtencommissie Jeugdzorg Utrecht vindt dat Jeugdzorg vooringenomen over hem is geweest en tendentieuze conclusies heeft getrokken. En de klachtencommissie van de RvdK stelt dat de raad verzuimd heeft te onderzoeken of de startinformatie van het amk wel juist en betrouwbaar was.

Small crop2018 01 07 giftige dossiers kleur pappa

Alle ontlastende uitspraken ten spijt, Vincent ziet zijn peuter lange tijd niet, of alleen achter afgesloten deuren op het Jeugdzorgkantoor. ‘Alsof we in een politiesituatie geplaatst werden’, zegt hij hierover. ‘Het was heel vernederend om daar met mijn dochtertje van anderhalf te moeten zitten.’ Steeds meer wordt het hem duidelijk dat hij niet van de verdachtmakingen in de zorgdossiers van Tess af komt.

Dit merkt ook psychotherapeut Martine Groen, die medio 2014 als bijzonder curator wordt aangesteld. De ondertoezichtstelling van Vincent is onterecht en wordt door de rechter opgeheven. Martine Groen moet onderzoeken onder welke condities Tess veilig kan opgroeien. In haar rapport aan rechtbank Midden-Nederland schrijft ze: ‘Het meest ben ik getroffen door het proces van demoniseren, waarvan vooral de heer Vincent slachtoffer is.’ Ook concludeert ze dat de RvdK en Jeugdzorg zich aanhoudend negatief over hem uitlaten.

‘Het is een proces dat zichzelf steeds bevestigt’, vertelt Groen hierover. ‘Vincent wordt onterecht verdacht en verweert zich. De instanties vinden het onwenselijk en niet normaal dat hij dit doet, dus vinden ze de verdenkingen terecht.’ In haar rapport schrijft ze dat ‘een aanzienlijk deel van de respondenten er nog steeds van uitgaat dat er iets mis is met de heer Vincent’.

Op het kantoor van Bureau Jeugdzorg is een andere vader er getuige van hoe Vincent door medewerkers wordt gekoeioneerd. In een e-mail vat hij het incident samen: ‘Het gesprek verliep normaal en fatsoenlijk (…) Enkele minuten na aanvang verloor de medewerker van bjz zijn zelfbeheersing. Zijn duidingen vanaf dat moment in woord en gebaar waren onfatsoenlijk en intimiderend.’

Afgaande op het dossier zien ook andere ketenpartners Vincent liever gaan dan komen. Zo nodigt het kinderdagverblijf hem niet uit voor een familiefeestje met zijn dochter. Wanneer de tweejarige Tess een dagje in het ziekenhuis wordt opgenomen, krijgt Vincent niet te horen op welke kamer ze ligt.

In Nederland worden er van duizend kinderen jaarlijks 34 mishandeld, ongeveer vijftien overlijden er. Om die cijfers omlaag te krijgen, moeten huisartsen en spoedeisende-hulpposten standaard een vragenlijst over jonge patiënten invullen. Maar die levert bitter weinig op, blijkt uit onderzoek van Maartje Schouten die begin dit jaar promoveerde aan UMC Utrecht. Met de lijsten wordt zelfs 98 procent van de kindermishandelingen niet gesignaleerd. Minstens zo verontrustend is dat maar liefst 92 procent van de ingevulde vragenlijsten tot onterechte verdenkingen leidt.

Ook de landelijke Verwijsindex, waarmee hulpverleners, zoals artsen, politieagenten, leerkrachten en jeugdzorgmedewerkers, onderling risicosignalen over kinderen uitwisselen, bevordert de waarheidsvinding niet. Gezondheidswetenschapper Inge Lecluijze, die op het effect van de Verwijsindex promoveerde (2015), concludeert zelfs dat de criteria zo ruim zijn dat vrijwel ieder kind voor registratie in aanmerking komt. Meldingen zijn vaak individuele inschattingen van professionals, zonder goede onderbouwing. Bovendien komt rijp en groen bij elkaar, omdat een politieagent een situatie nu eenmaal anders beoordeelt dan een kinderarts, en ander jargon gebruikt.

Het geeft ook te denken dat inmiddels steeds meer gemeenten álle kinderen met zorgvragen in deze digitale Verwijsindex plaatsen, ook kinderen zonder risico die bijvoorbeeld een persoonsgebonden budget of leerlingenvervoer nodig hebben. Terwijl het instrument bedoeld is om twee of meer hulpverleners met elkaar in contact te brengen als er gevaar dreigt, dringen gemeenten zich hier tussen. Zo kunnen ze toestemming van ouders omzeilen en makkelijk rechtstreeks contact opnemen met zorgverleners.

Dat het gebrek aan waarheidsvinding in de jeugdzorg problemen oplevert, dringt stukje bij beetje door tot de politiek. Mede op verzoek van de Tweede Kamer publiceerde de Kinderombudsman eind 2013 het rapport Is de zorg gegrond?, waarin hij schrijft dat er fouten gemaakt worden, onder meer doordat feiten en meningen door elkaar lopen. In het stuk staan ook voorwaarden voor verslaglegging. Over wat er met bewezen onwaarheden in jeugdzorgdossiers moet gebeuren, rept deze notitie niet.

In de brief over rapportages in de jeugdzorg die Ard van der Steur, destijds minister van Veiligheid en Justitie, aan de Tweede Kamer stuurde (voorjaar 2016), staat onder meer: ‘Oude gebeurtenissen worden als nieuw gepresenteerd. Daarnaast worden zaken die als vermoeden worden gepresenteerd in een later stadium zonder enig onderzoek als vaststaand feit gerapporteerd.’ De minister schrijft echter niets over het verwijderen van onterechte verdenkingen of over hoe professionals in de jeugdzorg moeten omgaan met aantoonbaar foute gegevens.

De wet- en regelgeving laat veel open. Hoe ver reikt je recht om dossiers te schrappen of aan te passen, volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)? Welke informatie moet bewaard blijven om goede zorg te kunnen geven, volgens de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst? De Jeugdwet geeft ook weinig houvast. Jeugdzorginstellingen moeten feiten volledig en naar waarheid aanvoeren (art. 3.3), maar er zijn geen sancties als dit niet gebeurt. De rechter mag er zijn eigen consequenties aan verbinden. Wat ‘waarheid’ is, wordt niet verduidelijkt. Je kunt (delen van) je dossier laten vernietigen, maar het venijn zit in de staart: dit gebeurt niet als de gegevens voor iemand anders belangrijk gevonden worden (art. 7.3.9). Jeugdzorginstanties grijpen hier makkelijk op terug.

In de praktijk gaat het zo: als je concrete persoonsgegevens wilt repareren, zoals een geboortejaar, is dit zo gefikst. Bij andersoortige informatie wordt het problematischer. Als er al iets geschrapt wordt, blijven er toch sporen in het dossier, zoals: ‘Besluit n.a.v. verwijderingsverzoek (archiefstuk d.d.)’. Zulke zinnen roepen al snel vragen op. Bovendien ligt de informatie op verschillende plaatsen. Er kan een rectificatie naar ketenpartners gaan, maar of zij de dossiers aanpassen, weet je niet. Meestal blijft de omstreden informatie echter in het dossier staan, aangevuld met een tussenzin of inlegvel. Het is dan de vraag of een volgende lezer de ontlastende opmerkingen ook leest.

Het is inmiddels eind 2014 als Vincent via een artikel 12-procedure gelijk krijgt bij het Gerechtshof: zijn dochter is inderdaad moedwillig en onterecht aan zijn gezag onttrokken. Dit is een tik op de vingers van Bureau Jeugdzorg, omdat het dit heeft laten gebeuren. Toch volgt er geen mea culpa van bjz.

Tess gaat nu voor reguliere opgroeicontroles naar het consultatiebureau. De nazorg die ze als couveusekind in het ziekenhuis kreeg, is niet meer nodig. Maar ook nu achtervolgt het dossier Vincent. Hij krijgt geen uitnodiging voor consulten, hoewel hij daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Hij ontdekt zelfs dat de consultatiebureau-arts een zorgmelding over Tess heeft gedaan, op basis van verhalen van zijn ex. Vincent: ‘Opnieuw kreeg Tess geen schone lei. In haar dossier stonden de eerdere verdachtmakingen en ook dat er een ots was geweest, terwijl ze allemaal weerlegd waren.’ Als hij om uitleg vraagt, geeft de arts toe dat hij zich heeft vergaloppeerd, maar hij kan niets meer terugdraaien, omdat het dossier inmiddels bij de afdeling Jeugdgezondheid van de gemeente Utrecht ligt.

Na veel getouwtrek schrapt de gemeente een paar frasen uit Tess’ dossier, maar het blijft wel zichtbaar dat de Verwijsindex en Veilig Thuis eerder zijn ingeschakeld. Volgens de clustermanager Jeugd kan dit niet anders: ‘Ten aanzien van ons eigen jgz-dossier dient het handelen van de professionals traceerbaar te blijven, omdat de professional zich ook in de toekomst moet kunnen verantwoorden over zijn/haar handelen.’

Dit vindt bijzonder curator Martine Groen vreemd. ‘De gemeente moet het kind centraal stellen, maar ze vindt blijkbaar het monitoren van de medewerkers belangrijker.’ Dat professionals iets over hun eigen handelen willen vastleggen, is volgens Groen logisch, ‘maar dan niet in het dossier van de cliënt’.

Hoe vaak er bewezen onjuiste informatie in dossiers blijft zitten, is zelfs bij benadering niet te zeggen. Vincents advocaat Richard Korver vertelt dat hij jaarlijks zo’n honderd verzoeken heeft om rechtsbijstand waarbij dit speelt. Hij accepteert er jaarlijks maar enkele.

‘Over mijn lijk’, zegt ze. Daarna staat ze te boek als iemand ‘met een neiging tot zelfdoding, waarin ze haar kind kan meenemen’

Een voorbeeld uit zijn praktijk is een man van buitenlandse afkomst die door zijn ex is beschuldigd van kindermishandeling. De Raad voor de Kinderbescherming baseert zich op uitlatingen van de politie en maakt er eerwraak van. Ook als de politie verklaart dat haar uitlatingen onjuist waren en de rechtbank de man integraal vrijspreekt van mishandeling blijft de RvdK volharden in de eerwraak. Korver: ‘De schade is groot. De RvdK-rapporten zijn afgedrukt op briefpapier van het ministerie van Justitie en Veiligheid. De ex heeft een blijf-van-mijn-lijf-plaatsing, een woning en subsidie gekregen, omdat ze met officiële documenten kan laten zien dat ze slachtoffer is van eerwraak. We hebben bij het Hof om vernietiging gevraagd, maar dat kan niet, er mag een briefje bijgevoegd worden. Dit speelt inmiddels al zo lang dat de man zijn kinderen niet meer ziet.’

Medium crop2018 01 07 giftige dossiers kleur mamma

Er zijn veel meer voorbeelden. Zoals de agressieve vader die vrienden omkoopt met grote sommen geld om positief over hem te getuigen. Op grond van die verklaringen besluit de rechter telkens positief over de omgangsregeling. Dat hij voor zijn agressiviteit behandeld wordt, wordt niet meegenomen. En dan de moeder die aan een kennis vertelt dat jeugdzorgmedewerkers met uithuisplaatsing dreigen. ‘Over mijn lijk’, zegt ze. De kennis meldt dit bij Veilig Thuis. Sindsdien staat de vrouw te boek als iemand ‘met een neiging tot zelfdoding, waarin ze haar kind kan meenemen’. Hoe ze dit ook tegenspreekt, ze komt er niet van af.

Of neem het jongetje dat op advies van een gz-psycholoog uit huis geplaatst wordt. Zijn moeder ontdekt dat zijn zorgdossier verwisseld is met dat van een ander kind. Het tuchtcollege geeft haar gelijk, maar de onterechte maatregel staat nog steeds in het zorgdossier. Het verhaal ook van Marloes, die in het jeugdzorgdossier van haar kind leest dat zijzelf als jong meisje misbruikt is. ‘Dat is decennia geleden en de dader leeft al lang niet meer’, zegt ze. ‘Voor mij is het helemaal geen issue, maar mijn kind sleept dit stempel met zich mee.’

Als het gaat om waarheidsvinding in de jeugdzorg spelen drie processen een belangrijke rol. Het begint bij wat er wordt opgeschreven en de tone of voice. Je zou denken: wat er niet in komt, hoeft er ook niet uit. Ondertussen staan dossiers vol meningen, verdenkingen en ongecensureerde uitspraken.

Tegelijkertijd gaan aantijgingen al snel een eigen leven leiden. Niet alleen poppen ze binnen één zorgdossier steeds weer op, dit gebeurt ook bij de verschillende ketenpartners. Als één hulpverlener een risico meldt, komen automatisch andere meldingen te voorschijn, ook als die al lang weerlegd zijn. Last but not least blijkt dat professionals en instanties halsstarrig vasthouden aan wat er eenmaal genoteerd is en dat ze weigeren om aanpassingen door te voeren. Hierna meer over waarom dit zo gaat.

Dat veel onbewezen feiten in jeugdzorgdossiers terechtkomen, komt deels door de opleiding van de professionals. Velen zijn niet diagnostisch bekwaam om over kindermisbruik of -mishandeling te oordelen. Psychotherapeut Martine Groen, die op verschillende hbo’s voor maatschappelijke en sociaal-pedagogische dienstverlening les gaf, merkte dat studenten het moeilijk vinden om objectief te observeren. ‘Ze interpreteren vooral.’

Professionals zijn opgeleid om als hulpverlener te rapporteren, terwijl er een forensisch onderzoek nodig is, vindt Richard Korver. ‘Als een vrouw zegt dat haar man de kinderen slaat, is hun reactie: wat erg, wat kan ik voor u doen? Terwijl die moet zijn: wat erg, hoe kunt u dit aantonen? Een forensisch psycholoog schrijft een heel ander rapport dan een hulpverlenende psycholoog.’

Wie zijn verhaal overtuigend brengt, of medelijden oproept, wordt eerder geloofd. Assertiviteit is vaak ongewenst, meegaandheid krijgt waardering. Volgens advocaat Van Leur komen zo allerlei subjectieve typeringen in de stukken: ‘De ene ouder doet gezelliger zijn woordje dan de andere, of kan meer tijd steken in het contact met de professionals. Dat zie ik op zittingen terug. Als jeugdzorg zegt dat moeder zo prettig meewerkt, gaan rechters hierin mee. Op grond hiervan worden keuzes gemaakt, bijvoorbeeld over de hoofdverblijfplaats van het kind.’

Volgens gedragswetenschapper Harry Berndsen ontstaan fouten doordat instrumenten niet-gevalideerd of onbetrouwbaar zijn of op een verkeerde manier gebruikt worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld met Care (Child Abuse Risk Evaluation), dat achttien risicofactoren toetst. ‘Laatst was er een gz-psycholoog die slechts zeven factoren naar de rechtbank stuurde’, zegt Berndsen, ‘waarvan ze er ook nog enkele zelf had verzonnen. Doordat de rechter dit als valide accepteerde, werd de ellende alleen maar groter. Hierdoor staat vast dat de betreffende vader zijn kinderen emotioneel mishandelt, wat niet waar is, maar in de jeugdzorgketen is dit nu een “feit”.’

Waarom wordt onjuiste informatie niet verwijderd? Een oorzaak zijn wellicht de familiedrama’s die uitgebreid in het nieuws komen, waarbij vaak ook naar jeugdzorg wordt gewezen. Professionals willen zich met dossiergegevens indekken, en uiteraard willen ze er niets uit schrappen.

Ook veranderende maatschappelijke posities spelen een rol. Burgers zijn mondiger, het gezag van professionals is tanend. Dat maakt hen onzeker, de dossiers zijn een houvast. Advocaat Korver: ‘Zorgverleners vinden dat het dossier van hen is, niet van de cliënt. Toegeven dat er onwaarheden in staan, is het erkennen van eigen fouten. Daar is grote weerstand tegen, net zoals ik veel weerzin bespeur om mensen inzage in hun dossier te geven.’ Een verzoek om iets aan te passen wordt uitgelegd als een motie van wantrouwen, als een aanval op het systeem. De loopgraven worden betrokken.

Als Tess drie jaar is, slaapt ze voor het eerst bij haar vader thuis. Eindelijk wordt de omgangsregeling nageleefd, maar nog altijd hangen de beschuldigingen in de lucht. Dit blijkt als een buurtteammedewerker Veilig Thuis wil inschakelen, nadat Tess’ moeder haar zorgen met hem heeft gedeeld. Een half jaar later, als Vincent een kennismakingsgesprek heeft op de basisschool, vertelt de adjunct-directeur dat ze zijn dochter gaat melden bij jeugdzorg. Tess moet haar eerste schooldag dan nog krijgen. Niet veel later neemt een politieagente contact op met Veilig Thuis, nadat ze verhalen heeft gehoord van de moeder. Steeds weer moet Vincent verdenkingen ontzenuwen en meldingen terugdraaien. De nieuwe ‘feiten’ blijven in de zorgdossiers staan.

De afgelopen vijf jaar vroeg Vincent tal van instanties: hoe maak je jeugdzorgdossiers objectief, en hoe komt een burger van stigma’s af? Hij richtte zich tot de gemeente Utrecht en haar bestuurders, hij vroeg het de school en het ziekenhuis, hij sprak met ombudsmannen, inspecties, tuchtcolleges en klachtencommissies, tot aan het ministerie van vws. De Kinderombudsman legde de gemeente Utrecht voor: ‘Hoe kunt u ervoor zorgen dat Tess een dossier heeft waarin zo objectief mogelijke en geen gekleurde gegevens staan?’ Concrete antwoorden bleven uit.

Dit moet anders, vindt Vera Bergkamp (d66). Regelmatig vraagt ze in de Tweede Kamer aandacht voor waarheidsvinding in de jeugdzorg. Op grond van haar initiatief voor een actieplan verbetering waarheidsvinding verzamelde het rijk afgelopen jaar ervaringen en ideeën over dit onderwerp. De bevindingen die half november werden gepresenteerd, bevestigen de praktijk die in dit artikel wordt beschreven.

Inmiddels zet Bergkamp zich ook in voor het verwijderen van valse verklaringen: ‘Als het om kindermishandeling gaat, moeten we er bovenop zitten, maar wanneer een melding niet klopt, of gelogen is, moet je daarvan af kunnen. Nu zit er heel weinig flexibiliteit in de dossiers.’ Reden voor haar om met Rens Raemakers (d66) vragen te stellen aan de minister van Veiligheid en Justitie over rehabilitatie bij onterechte jeugdbeschermingsmaatregelen, zoals die ook in het strafrecht is geregeld. Onder meer: ‘Zouden deze dossiers en gegevens in informatiesystemen daartoe geschoond kunnen worden?’

Jacomine Meyling van Ouders & Co meent dat het moeilijk is om vastgelegde gegevens terug te draaien, ook omdat die meestal onder meer partijen verspreid zijn. De verslaglegging zelf moet op de schop. Meyling: ‘Instanties moeten hun werkhypotheses, waarin ze voor zichzelf aandachtspunten, vermoedens en signalen optekenen, scheiden van de uiteindelijke dossiers.’ Bovendien: ‘Maak het wettelijk mogelijk om de inhoud na een paar jaar te skippen. Die is dan niet meer relevant.’

Ruim een jaar geleden begon het mediationtraject om met de gemeente Utrecht tot een oplossing te komen. Ex-politicus Felix Rottenberg was de onafhankelijk bemiddelaar. Uit een gespreksverslag kun je opmaken dat de gemeente welwillend was om tegemoet te komen aan Vincents wensen. Tot de brief binnenkwam waar dit artikel mee begon. Als ik Rottenberg naar zijn bevindingen vraag, schrijft hij per e-mail: ‘Het is niet gebruikelijk dat bemiddelaars een uitvoerige toelichting geven op hun rol (…) Het is hoe dan ook onbevredigend afgelopen.’


Martine Groen, een van de vele bronnen in dit stuk, is na een klacht
van de moeder van Tess door het Regionaal tuchtcollege voor de
gezondheidszorg berispt omdat haar verslagen als bijzonder curator naar het oordeel van het college onvoldoende objectief waren. Omdat ze had gehandeld als bijzonder curator, en niet als gz-psycholoog en/of psychotherapeut, was Groen van mening dat haar werk niet onder dit tuchtcollege viel.


De volledige namen van Vincent en Tess zijn bij de redactie bekend