Interview Jerney Kaagman

«Als je beroemd bent, sta je buiten de samenleving»

Met Earth & Fire veroverde zangeres Jerney Kaagman in de jaren zeventig de wereld. Nu zit ze in de jury van ‹Idols› en beoordeelt nieuw muzikaal talent. Roem was toen iets heel anders dan nu. «Dat leren de idols van nu niet, afzien. Bij hen gaat het razendsnel, nog voordat er een plaat uitkomt zijn ze al bekend en beroemd.»

Als je het er niet over hebt, dan doet ze dat zelf wel. Na zo’n anderhalf uur is het gesprek met Jerney Kaagman ten einde en zegt ze spontaan: «En, heb je dit al gelezen?» Ze schuift een uitgeknipt artikeltje over de tafel, afkomstig uit Weekend, met als kop: «Geen botox en geen emotie». Het is een rectificatieachtig stukje op de karakteristieke wijze van roddelbladen: pas ná publicatie van een valse beschuldiging een soort wederhoor toepassen. Weekend schrijft dat Jerney Kaagman absolúút geen botox gebruikt. «Het is allemaal puur natuur», beaamt Kaagman zelf in haar werk kamer van de Hilversumse villa waarin de stichting Conamus (die de Nederlandse lichte muziek promoot en stimuleert) is gevestigd. Haar geheim: «Veel water drinken, veel slapen en een schat van een man. Dezelfde die ik al dertig jaar heb, de bassist van de voormalige Nederlandse popgroep Focus.»

Het is maar weer gezegd. Want ook al kan het haar «allemaal niks schelen», sinds Kaagmans hernieuwde publieke rol als Idols-jurylid wordt onophoudelijk gezeurd over het ontbreken van levendige expressie in haar gezicht. Volgens de bladen kan het niet anders: natúúrlijk knutselt zij, net als andere ouder wordende tv-babes, cosmetisch aan haar uiterlijk.

Jerney Kaagman (1947) ziet er opvallend patent uit, zeker als ze lacht. Ze is, inderdaad, in haar communicatie wat stijf, afstandelijk en strak. Aan de andere kant zouden die kwalificaties bij een man van haar leeftijd en met een belangrijke publieke positie — als directeur van Conamus en als jurylid van Idols — niet aan de orde zijn. Jerney Kaagman is, zegt ze, een professional. Daarom schudt ze al die kritiek moeiteloos van zich af: «Een vrouw krijgt nu eenmaal altijd commentaar op haar uiterlijk. En als je serieus bent, ben je al gauw een bitch. Ik hoef echt niet aardig gevonden te worden als ik werk. Zeker niet in het popwereldje van quasi-aardige mensen.»

Wie niet naar Idols kijkt, weet niet wat zich in de afgelopen maanden heeft voltrokken aan wekelijks televisieamusement. Gebaseerd op een formule van de ex-manager van de Engelse meidengroep Spice Girls zijn maandenlang in voorrondes door heel Nederland via audities uit zestienduizend jongeren enkele tientallen potentiële kandidaten geselecteerd. Op basis van stem, presentatie en de zogenaamde x-factor (een speciale «uitstraling») mochten deelnemers naar de tweede fase. Het kleine clubje ging door naar Studio 22 om, live uitgezonden, op te treden met een band. De televisiekijkers laten met een sms’je weten wie naar de volgende ronde mag. De jury heeft nu geen doorslaggevend stemadvies meer, maar levert wel als altijd na ieder optreden ongezouten commentaar.

Boris, Maud, Marlies, Irma, Alice, Erik, JK, de Blue Room, de blauwe stip, Tooske en Reinout, Henkjan, Edwin, Eric en Jerney, kreten als «de lijnen zijn nú geopend» of «toedeledoki» — wie kijkt, weet dat dit Idols-taal is. Over twee weken koestert Nederland na de finale zijn nieuwe held. Net als voor de winnaar van vorig jaar, Jamai, zal voor deze publiekslieveling een krankzinnig bestaan als «ster» beginnen. Platencontracten, optredens, image building, interviews, feestjes vol soapsterren, merchandising — het gewone leven in een Vinex-woning of studentenkamer behoort voorgoed tot het verleden.

Hetzelfde geldt, zij het in mindere mate, voor de tien afvallers. Ook zij zijn in enkele weken vanuit het niets getransformeerd tot sterren, die in galaoutfit verschijnen op party’s van Joop van den Ende of lachend poseren op de wikkels van paaseitjes. Ze zijn het product van een professioneel team van kleedsters, visagisten, mental coaches, videoclipmakers en stemadviseurs, en bovenal: van tv, internet en gelikte commercie. Meedoen aan Idols betekent de kans op snelle, knalharde roem.

In de jaren zeventig ging dat totaal anders. Jerney Kaagman, geboren in Den Haag en uitgerust met muzikaal talent, werd op haar 22ste gevraagd als zangeres van de band Earth & Fire. Jerney Kaagman: «Ik had creatieve vrienden en ik heb geluk gehad. We deden alles zelf. Lange tijd hadden we geen manager. We reden in een busje met de plattegrond van Nederland op schoot naar onze optredens. We hadden geloof ik één roadie. Als we gingen oefenen, sloten we zelf de apparatuur aan.»

Toen Earth & Fire de ene hit na de andere scoorde (zoals Wild and Exciting, Storm and Thunder en Memories), ging het allemaal snel. De Nederlandse band brak internationaal door, met het typische stemgeluid van Kaagman, die gekleed ging in een hyperstrakke blauwleren jumpsuit waarin haar billen sexy uitkwamen. Kaagman: «Maar eerst was het afzien, toen pas kwam de grote bekendheid. Dat leren de idols van nu niet, afzien. Bij hen gaat het razendsnel, nog voordat er een plaat uitkomt zijn ze al bekend en beroemd. In mijn tijd waren er twee tv-zenders, en er was één popprogramma, Toppop. Aan de andere kant was dat ook wel power, omdat er geen keuze was. Alle jongeren keken naar dit wekelijkse programma, waar iedereen die in die tijd iets voorstelde, kwam optreden. In ons land waren er bovendien maar twee rockbands met een vrouw. Naast onze band was er Shocking Blue, die ook grote hits scoorde. Het totale aanbod was toen minder, en daardoor was de attentiewaarde groter.»

Kaagman beschrijft het leven van een popster als: «Veel rondhangen»: «Vroeg van huis, spullen opbouwen, soundchecks, wachten op de techniek, wachten op weer anderen. Urenlang ben je er wel, en ben je er niet. Je gaat een boekje lezen, een potje kaarten. Je moet jezelf opladen om op te treden, en dan ben je heel laat weer thuis. Als je beroemd bent, sta je min of meer buiten de samenleving. Je vrienden zie je niet, laat staan dat je een gewoon gezinsleven kunt opbouwen. Je hebt geen normaal leven en dus ook geen normale contacten.»

Dat is allemaal goed op te brengen, zolang er succes tegenover staat, zegt ze: «Je beleeft soms momenten van geluk: als alles past en klopt, en je staat op de bühne en je werpt even een blik naar elkaar, ja, dat is fantastisch. Ik had een geweldige ploeg.»

De keerzijde heeft ze ook gekend. In 1983 ging Earth & Fire, drie jaar nadat ze de exportprijs kregen voor Weekend, uit elkaar en ging Kaagman solo verder. Daar hoorden ook minder enerverende optredens bij, voor een zaal brallende corpsstudenten bijvoorbeeld, of op bedrijfsfeestjes waar de aanwezigen niet voor háár kwamen maar voor elkaar. Kaagman: «Nee, dat was niet leuk. Ik heb dat nog drie jaar gedaan. Ik noem het afharding. Ik ben niet hard geworden van de mensen, maar wel van de praatjes eromheen. De wereld van klatergoud, ja die is er wel degelijk.»

Terugkijkend zegt ze: «Je leert door ervaring inzicht en overzicht krijgen. Ik vergelijk het met een lift met een filmcamera erop: eerst zie je alleen de straat op ooghoogte, maar hoe verder de camera omhoog wordt gekrikt, hoe groter het perspectief wordt: uiteindelijk kijk je vanaf de daken naar een brede horizon. Je leerschool is gelijk aan je carrière. Je moet ontzettend opletten en erbij blijven. Maar het is niet omdat ik een vrouw ben. Mannen worden in dit vak net zo goed genaaid. En dat geldt uiteindelijk voor iedere andere topbaan, zoals in het bedrijfsleven. Wat ik heb geleerd is: vertrouwen moet je verdienen. Over mij wordt gezegd dat ik afstandelijk, gereserveerd ben. Ik lijk zo, maar ben niet zo voor mijn vrienden.»

Jerney Kaagman was vanaf het begin de enige vrouw in een mannenwereld. Eerst als popster, later als oprichter van de vakbond voor artiesten, en nu als directeur van Conamus. Voor haar is het geen issue, wel ziet ze haarscherp hoe de dynamiek tussen mannen en vrouwen werkt: «Wat ik heb gemerkt is dat veel mannen veranderen als hun partner erbij is. Geëmancipeerde mannen daarentegen gedragen zich in het bijzijn van hun echtgenotes níet anders. Natuurlijk lopen vrouwen achter op het machtsproces. Wat ik als vrouw belangrijk vind, is dat je de juiste signalen afgeeft. Als je met een laag uitgesneden truitje zaken gaat doen, dan moet je weten dat zoiets afleidend werkt. Als je je daar maar goed bewust van bent, is er niks aan de hand. Vrouwen moeten ook niet naïef opkijken als ze daarmee iets opwekken. Het komt van twee kanten. Als ik werk, dan houd ik ervan om me zakelijk te kleden.»

Kaagman is gekleed in een lichtbruin leren colbert met een lange zwarte rok en (hoog) truitje. Het halve leesbrilletje gaat op en af als ze een binnenkomende e-mail wil lezen. Ze is zich bewust van de relatie tussen kleding en effect. De uitdagende beelden die in het dagelijks leven op ons afkomen, vindt ze flink doorgeslagen. Kaagman: «Onlangs reed ik in mijn auto achter een bus en werd aangestaard door een hele rij billen in een string. Al die reclames, ik vind het gek dat zoiets kan in de openbare ruimte. Ik kan begrijpen dat hele groeperingen zich daartegen verzetten en dat islamieten het Westen onzedelijk vinden. Je ziet dan zo’n bh-reclame bij een abri en dan staat daar zo’n islamitische vrouw in een jurk tot aan de grond op de bus te wachten. Het contrast kan niet groter en zorgt voor een scheuring in de samenleving. Mensen zullen me wel een trut vinden als ik dit allemaal zeg.»

Zelf poseerde Jerney Kaagman begin jaren tachtig naakt in Playboy. In de media wordt ze daar tot vervelens toe aan herinnerd. Een verwijzing daarnaar levert een afwerende reactie op: «Zullen we het gewoon over mijn werk hebben, graag?»

Succes heeft alles te maken met timing, meent ze: «Het juiste liedje, op het juiste moment. Zelf weet je niet precies hoe zoiets werkt. Wat ik heel belangrijk vind, is een eigen geluid. Aan de ene kant is het nu makkelijker om carrière te maken, omdat er zo veel professionele ondersteuning is, aan de andere kant is de concurrentie voor artiesten moordend. Artiesten zijn daarom soms ook inwisselbaar geworden, je hebt een grote groep main stream.»

Toen Kaagman werd gevraagd om jurylid te worden voor Idols had ze daar aanvankelijk geen oren naar. Het zou allemaal in haar vrije tijd moeten. Bovendien was ze bang dat het haar onafhankelijkheid als directeur van Conamus zou kunnen aantasten: «Ik had de banden bekeken van het grote succes in het buitenland, en dacht: nee, geen zin in. Ik ben overgehaald door de drie mannen die al ja hadden gezegd. Ook hoopte ik dat het nieuw Nederlands talent en repertoire zou genereren, en dat past bij mijn werk.»

De «drie mannen» in de jury werken eveneens in de muziekbusiness — Edwin Jansen heeft veel succesvolle artiesten onder contract; Eric van Tijn schrijft en produceert liedjes, en Henkjan Smits is directeur van zijn eigen consultancybedrijf — en moesten het er ook «allemaal naast doen». Maar hun plaats in de Idols-jury is natuurlijk vooral heel goed voor hun business. Kaagman: «En daar ging ik weer als vanouds: met de mannen in een busje door het hele land voor de voorrondes. Het had iets van de oude bandjessfeer. Op de terugweg lekker nakletsen, doodmoe thuis.»

De jury van Idols is in de afgelopen maanden minstens zo beroemd geworden als de kandidaten. De dagbladen meten elke maandag hun commentaar breed uit, en zijn kritisch. Het zou allemaal te hard, te grof zijn. Sommige ouders lieten voor de camera’s hun tranen de vrije loop: hoe konden ze hun talentvolle dochter zo afserveren? Kaagman, die opvalt door haar rake en genuanceerde commentaar, zegt: «Wie zich daar komt aanbieden, krijgt eerlijk commentaar. Dat is niet hard, ik zeg het precies zoals het is. Ik heb met niemand medelijden. Ze willen het allemaal zelf. Ook degenen die absoluut afgaan, weten dat er camera’s zijn. Die openbaarheid hoort bij deze tijd. Het is behalve een muzikale aangelegenheid ook een kijkspel. Een grote talentenjacht, zoals vroeger op de camping of in het dorpshuis, maar nu voor een massapubliek.»

Niemand, zegt ze, had verwacht dat Idols zo’n onvoorstelbaar succes zou worden. Met het naderen van de finale op 1 mei blijken steeds meer mensen te kijken: meer dan een derde van de Nederlandse bevolking (ruim vijf miljoen mensen), en van alle leeftijden. Thuis, op school en op het werk worden de kandidaten besproken. Men kibbelt over wie moet winnen, of vraagt «voor wie je bent», zoals vroeger over de Rolling Stones en de Beatles. Je keuze zei iets over je persoonlijkheid.

Eenzelfde sociale segmentatie is nu ook zichtbaar bij de laatste Idols-kandidaten. Zo heeft JK, als Antilliaan, onmiskenbaar allochtone fans, en roept ex-tophockeyer Maud met haar keurige stem bij bepaalde mensen weerstand op zonder dat ze daar op het podium enige aanleiding toe geeft. Het commentaar van Henkjan Smits op Mauds spetterende optreden afgelopen zaterdag sprak boekdelen: «Ik dacht dat jij als hockeytutje te elitair voor de massa zou zijn om een idol te worden. Nu blijk je daar toch in te slagen.»

Jerney Kaagman zegt dat ze de typecasting niet ziet: «Ik kijk zuiver naar muzikaliteit, timing, het optreden zelf. Ik kijk of iemand een ontwikkeling doormaakt. Misschien ben ik te gedeformeerd om te zien hoe gemanipuleerd het allemaal is. Natuurlijk, een idool worden heeft tegenwoordig met méér te maken dan alleen een stem.»

«Nee», lacht ze, «natuurlijk zeg ik niet wie ik denk dat er gaat winnen.»