Ex-werknemers van Lost boys

Als je denkt dat je kunt vliegen

De verwachtingen waren hoog, de uiteindelijke opbrengsten mager. Het nieuwe mediabedrijf Lost Boys was een van de bedrijven die garen sponnen bij zoveel onduidelijkheid. Drie ex-werknemers spreken.

De jaren negentig zijn de jaren van de nieuwe media. Van cd-i, cd-rom en bovenal van internet. Iedereen moest dat hebben en iedereen deed mee. Het hevigst bevangen door de geest van de digitale revolutie was het bedrijfsleven. Daar werd een onevenredig groot deel van de begrotingen gereserveerd voor nieuwe media. Men voelde zich gedwongen omdat de concurrent er ook mee bezig was, of men werd opgejut door optimistische exegeten die hun digi-diensten met de grootste vanzelfsprekendheid opdrongen. Om die enorme vraag naar digitale expansie te kunnen beantwoorden, schoten alleen al in Nederland honderden bedrijfjes uit de grond. Eén van die ondernemingen is het nieuwe-mediabedrijf Lost Boys, opgericht in 1993 en bekend van de rode fietsjes met logo voor iedere werknemer. Op de golven van het internetenthousiasme werd het bedrijf huizenhoog opgestuwd om vervolgens bij de ontnuchtering van de neerwaartse Nasdaq-koersen, eind jaren negentig, met een smak weer op de grond te belanden. Vijfenzestig van de vijfhonderd personeelsleden werden ontslagen, op welhaast negentiende-eeuwse wijze. «Our name comes from the story of Peter Pan», staat nog altijd te lezen op de website van het bedrijf, «who showed the Lost Boys that using your imagination can take you anywhere. ‹If you think you can fly, you can fly…›» De werknemersschare was altijd een vriendenclub geweest. Nu staan de verhoudingen op scherp. Op een locatie in de Amsterdam luchten drie ex-Lost Boys hun hart.

Alwin Hoogerdijk (33): «Er is sprake van gekte geweest in die jaren negentig. Internet was hot en iedereen had het gevoel dat hij eraan mee moest doen. Allemaal wilden we een website. In het begin richtte Lost Boys zich vooral op cd-i en cd-rom. Toen ik er in juni 1997 als programmeur werd aangenomen, was er van de zestig werknemers slechts ééntje met internet bezig. Maar al snel begon die tak harder en harder te groeien.»

Yolanda Burger (35): «Ik kwam er in maart 1996 als designer werken, het kantoor bevond zich toen nog aan de Keizersgracht. Het was allemaal heel vrij, iedereen zat door elkaar. De scheidslijn tussen de top (de drie oprichters Michiel Mol, Kees Kousemaker en Jan Pieter Melchior — jvc) en de rest was dun. Met de lunch zat het drietal gewoon tussen ons in. Je hoefde niet per se op tijd te zijn. Het was wel de bedoeling dat je veertig uur per week werkte, maar je kon dat zelf invullen. Sommigen werkten tot ’s avonds laat door. Er werd ook veel overgewerkt. Er waren altijd genoeg klanten, ook in die eerste jaren. Je kon zelf de leuke projecten eruit halen, er werd verder geen acquisitie gedaan. Wat technisch interessant was, werd er uitgepikt. We zagen veel klanten met hoge verwachtingen binnenkomen. Die kwamen met grootse plannen voor een website of een stuk software. Lost Boys moest die dromen voor ze verwezenlijken.»

Sytske Hermans (34): «Ik ben in 1998 gekomen. Toen waren de internet-onlinetoepassingen sterk in opkomst. Tegelijkertijd vond binnen het bedrijf een sterke structurering plaats. Je kon niet meer zomaar een leuke opdracht kiezen, er kwamen projectmanagers die veel bedrijfsmatiger dachten. We gingen zelf bedrijven benaderen vanaf dat moment. Ik werkte mee aan het projecten-informatiesysteem, zodat bijvoorbeeld niet drie accountmanagers naar dezelfde klant gingen. Die afdeling groeide heel snel. Maar heel Lost Boys groeide als een gek.»

Het drietal zag bedrijfsafvaardigingen met de meest waanzinnige plannen bij Lost Boys over de vloer komen. Hoogerdijk: «Sommigen hadden veel te hoge verwachtingen. Ze hadden geen businessplan, maar dat scheen ze niets te deren. Iedereen dacht dat het geld wel zou komen met inkomsten van adverteerders. Om op een website te mogen staan, zouden die wel flink gaan betalen. Het is anders gelopen. Op dat moment ben je je niet bewust van de waanzin. Je probeerde met de klant mee te denken. Je keek wat er technisch haalbaar was en wat niet. Het was hun verantwoordelijkheid.» Voorbeelden van doorgeslagen gekte heeft Hoogerdijk te over. «Op een keer kwamen er drie mensen, die hadden een reclamebureautje en die dachten: wij moeten ook in die cd-rom-business zitten. Ze wilden een serie over huisdieren maken. Ze begonnen met een katten-cd-rom. Er zijn in Nederland en België zoveel mensen die katten hebben, dachten ze, tien procent daarvan wil toch wel een katten-cd-rom kopen. Ze leverden weinig inhoudelijks aan, alleen wat plaatjes van kattenrassen met daarbij wat tekstjes. Daar kon ik het mee doen. Ik heb aan collega’s bij Lost Boys gevraagd of zij misschien foto’s van hun kat hadden. Na de katten-cd-rom wilden ze een honden-cd-rom uitbrengen. En een paarden-cd-rom. Ze hadden voor de herkenning er een poppetje bij bedacht: kabouter Schoffeltje, een getekende kabouter die telkens terugkwam en die bij de massa populair moest worden. Als alle dieren-cd-roms met veel succes geproduceerd zouden zijn, zou er een extra cd-rom komen die alleen over kabouter Schoffeltje ging. Kabouter Schoffeltje zou echt een brand gaan worden in Nederland en België. Die katten-cd-rom zag er niet uit. Hij heeft nog bij Bruna gelegen. Er is ook nog een honden-cd-rom ontwikkeld, maar die heeft nooit de winkel gehaald. Zo waren er wat projecten waarvan ik dacht: dat kan nooit wat worden.»

Burger: «Macropolis was ook zo’n grote order. Dat was een virtuele wereld waar je doorheen kon lopen met gebouwen als in een stad waar merken in waren gevestigd waarvandaan je op een website van dat merk kwam. Het was de bedoeling dat mensen die cd-rom gratis kregen en dat ze dan doorklikten naar de website van een klant. Heel veel winkelketens deden eraan mee, ik geloof de hele Amsterdamse binnenstad. Macropolis had het concept bedacht en die bedrijven betaalden graag om eraan mee te kunnen doen. In die dagen durfde niemand nee te zeggen tegen zoiets. Die cd-rom was een heel mooi ding, maar het rondlopen door die stad, hoe mooi we dat ook hadden ontworpen, was erg onhandig. Je wilde liever meteen op die websites komen. Die 3D-wereld was mooi maar voegde niet zo veel toe. Macropolis is failliet gegaan, de winkelketens hebben er voor zover ik weet niets aan gehad.»

Hermans: «Voor Lost Boys was die techniek die we konden ontwikkelen wel interessant. Met Macropolis hebben we de zogenoemde bubbletechniek ontwikkeld, waarbij je driehonderdzestig graden in de rondte kunt. Dat is later hergebruikt.»

Hoogerdijk: «Bijvoorbeeld met die instructie-cd-rom voor legerambulances. Dat was voor legerambulancepersoneel in opleiding. Dat was een zeer kostbaar, langlopend project waarvan je je nu afvraagt of dat wel zo uitgebreid had gemoeten.»

Burger vindt de mede door haar ontworpen cd-rom voor het Anne Frank-huis duidelijk wél geslaagd: «Dat is een prachtig stukje werk, het heeft zelfs een prijs in de wacht gesleept. Opnieuw hebben we daar die spectaculaire bubbletechniek gebruikt. Mensen konden virtueel door het Anne Frank-huis wandelen. Wij hadden het bedacht voor de Anne Frank-stichting. Er was al contact, met Sacha en Ruud had ik ook hun website ontwikkeld. Dat was een van de eerste sites van Lost Boys waarmee we naamsbekendheid hebben verworven. De Anne Frank-cd-rom is een belangrijk project geweest voor Lost Boys, al is het voor de Anne Frank-stichting financieel geen succes geworden. De cd-rom-markt is gewoon heel moeilijk.»

Burger herinnert zich dat zich in 1996 ook pornoboeren bij Lost Boys vervoegden: «Die pornoboeren wilden dat we hun websites gingen maken. Daarover werden intern ethische discussies gevoerd. Lost Boys is niet met die pornoboeren in zee gegaan. Als je daaraan begint, ben je gelijk een heel ander bedrijf. Dan kun je een fatsoenlijke klant als KPN wel vergeten.»

Hoogerdijk: «Die casinoprojecten waren ook omstreden. Er waren mensen die daar niet aan wilden meewerken. Uiteindelijk hebben we het wel gedaan, voor Holland Casino. Dat tast de betrouwbaarheid van de brand kennelijk niet aan. Hele chatrooms en gokpagina’s hebben we ontworpen. Die techniek hebben we later op de succesvolle Dommelsch- en Big Brother-sites opnieuw gebruikt.»

Hermans: Die Big Brother-site was zo’n succes. Dat was een megaklus. Zo raakte Lost Boys bij de massa bekend. Ook stof tot discussie was die cd-rom die we maakten voor een vrouwenrockband die allemaal leuke dingen doet op het podium. Dat vonden sommige collega’s heel fijn, ha ha.»

Toen de internetgekte goed op gang kwam, werd Lost Boys bedolven onder de orders. Het bedrijf groeide onstuimig. Kleine opdrachten, hoe leuk ze ook waren, mochten niet meer worden aangenomen. Hermans: «Er kwamen projectmanagers die verantwoordelijk waren voor de selectie van de aanvragen. Designers en programmeurs kwamen onder hen te werken. Als designer kon je niet meer kiezen en klussen onder een bepaald budget mochten niet meer omdat de organisatie te groot was geworden.»

Burger: «Het was in die begintijd chaotisch. Maar een gesmeerde chaos. Iedereen wist wat er speelde en iedereen kon meedenken. Totdat het bedrijf die stormachtige ontwikkeling doormaakte. Er moest structuur komen. Nadeel daarvan was dat alles werd afgebakend. Je kon vroeger pakken wat je leuk vond, toen kon dat niet meer.»

Hoogerdijk: «Die structuur was ook wel nodig. Er werd tot die tijd niet gekeken of een project winstgevend was. Er was totaal geen zicht op. Iets werd uitgevoerd. Als het af was, belde een klant nog eens: kan dat erbij of dat erbij. Dan was je lang bezig, niemand wist hoeveel uren eraan besteed werden.»

Hoogerdijk, Burger en nog een werknemer besloten een ondernemingsraad op te richten. Burger: «Als het bedrijf het niet doet, moet je het zelf doen. Het was uit een positieve insteek. We zijn blij om hier te werken, zeiden we tegen de sceptici. Werken bij Lost Boys heeft voordelen: we kunnen doen wat we willen, we hebben een hoop lol. Laten we daarom zorgen dat we ook qua arbeidsvoorzieningen de boel op orde hebben, zeiden we. Aan pensioen was er niks geregeld, van een WAO-gat had niemand gehoord.»

Hoogerdijk: «Ik wist dat als ik bij een bank of verzekeraar zou gaan werken als programmeur, dat ik dan een auto van de zaak kreeg, een gsm’tje, een winstuitkering plus een dertiende maand. Als je bij Lost Boys werkte, deed je dat voor je lol. Het salaris was sober, gewoon marktconform. Je kreeg de leuke projecten, leuke klanten en leuke collega’s. Daarvoor leverde je je voorzieningen en zekerheid in.»

Burger: «Er kwam een urenregistratie, bijvoorbeeld. Sommigen zeiden: het wordt hier te veel een echt bedrijf, ik zit hier leuk te hobbyen en ineens moet ik elke week een staatje met uren inleveren. Een aantal zijn toen weggegaan.»

Hermans: «De afstand tussen directie en werkvloer is met de jaren groter geworden.»

Hoogerdijk: «Op het laatst was het toch de directie op die kamer. Zij zaten niet meer tussen ons. Nee, niemand droeg een stropdas, hoewel heel soms als er een pief kwam van KPN. Anders was er een bruiloft of begrafenis. Dat informele is altijd belangrijk geweest. Jonge mensen die leuke dingen aan het doen waren. Die méér wilden dan het gewone.»

Burger: «Altijd stond er muziek aan. Eind van de middag spellen spelen op het netwerk. Na kantoor werd gezegd: laten we naar het café gaan. Of we zaten lekker in de tuin. Pizza’s bestellen of uit eten. Iemand had een bootje en wilde de grachten over, biertje drinken in café de Gaper. Veel relaties onderling.»

Hoogerdijk: «De Gaper werd later meer de stamkroeg van de directeuren en de accountmanagers en projectmanagers. Dat werd steeds meer een gescheiden ploeg. Wij gingen liever naar de Ooievaar, met die jongens van XS4ALL.»

Hoogerdijk vertrok vlak voor de ontslaggolf van november vorig jaar. Hij bouwde zijn eigen bedrijfje, Bitz & Pixelz, verder uit. Software verkopen over het internet. Burger en Hermans kregen per mail te horen dat zij op gesprek moesten komen. Ze konden vertrekken, werd ze te verstaan gegeven. Er waren enkele mensen ontslagen die er al vanaf het begin werkten. De ontslagmethode was omstreden. Bij een aantal mensen kwam de functie te vervallen. Bij de rest hebben ze een reden moeten verzinnen. Ze wilden niet de reguliere methode van last in, first out hanteren. Dat was de kritiek ook van de vakbond, waarvan niemand lid was. Veel ontslagen Lost Boys-werknemers zijn voor zichzelf begonnen, zoals ook Burger. Samen met een eveneens ontslagen en een eerder vertrokken collega is zij Studio JoYo begonnen, dat zogenoemde crossmedia products fabriceert. Hermans werkt inmiddels bij (wederom) een internetbedrijf: MiepKniep, dat prijzen vergelijkt.

Burger: «De manier waarop we ontslagen zijn is niet fatsoenlijk geweest.»

Hermans: «Het heeft er aardig ingehakt bij iedereen.»

Hoogerdijk: «Veel mensen daar zijn nu nog onzeker.»

Rancuneus zijn ze niet. Hermans: «Wij hebben die digitale ontwikkeling als eersten meegemaakt. Wij hebben het kunnen uitvinden en ermee kunnen spelen.»

Hoogerdijk: «Er was geld vanuit de klanten om mooie dingen te maken. Maar achteraf bezien is de hoogte ervan waanzin. Die website voor O’Neill. Dat hebben wij voor twee miljoen kunnen doen. Nu zou zo’n bedrijf er drie keer over nadenken.»

Burger: «Wij hebben alleen gedaan wat zij wilden. De budgetten zijn nu niet meer zo. Het was toen geen flater. Voor hun leek het toen een succes.»

En toen gingen de ogen open en ontstond de recessie. Je hoorde op het nieuws dat grote bedrijven waar veel geld in zat en waar veel verwachting en dito beurskoers van was, opeens failliet gingen. Daardoor dachten bedrijven die een website wilden gaan bouwen: moeten we daar wel zoveel geld in steken? Doordat er zoveel negatieve publiciteit was, ontstond er paniek op de normale markt van websites voor bedrijven. Samengevat: eerst was er overdreven optimisme, toen overdreven pessimisme. Dat heeft Lost Boys gemerkt. Het heeft geresulteerd in de ontslagronde.

Hoogerdijk: «Ik heb die rode fiets nog wel. Ik heb het bord met het logo er wel uitgesloopt.» Hermans heeft het bord er ook uitgesloopt. «Dat is makkelijker met op slot doen.» De fiets van Burger is gestolen.