Zomerserie: Jeugd in opstand

Als je doorhebt dat je vader niet God is

Zoonlief vraagt aan God een gekleurde bromtol, vader zegt dat men voor zulke dingen niet hoort te bidden. De strijd in Edmund Gosse’s Vader en zoon (1907) eindigt onvermijdelijk in een verwijdering.

Edmund Gosse in zijn bibliotheek, 1903 © Universal History Archive / Universal Images Group / Getty Images

De vader is alwetend en almachtig. Hij is sterk genoeg om het gewicht van heel je kleine leven op zijn schouders te dragen. Toegegeven, hij schiet weleens uit zijn slof zonder dat je begrijpt waarom, of hij klaagt over zijn rug en wil je niet dragen, of hij heeft gewoon duidelijk even helemaal geen zin in je gejengel. Maar zulke zaken doen op geen enkele manier afbreuk aan zijn fundamentele onfeilbaarheid.

Maar er komt een moment waarop je beseft dat hij een mens als alle andere mensen is: met iedere dag dat je het niet weet, komt de dag dat je het wel weet een stapje dichterbij. Wat zal maken dat hij van zijn voetstuk tuimelt? Moet hij je het antwoord op een eenvoudige vraag schuldig blijven? Is hij onredelijk of vertelt hij een leugen die je genadeloos doorziet? Weet hij zich even geen raad met zichzelf en zie je plotseling paniek in zijn ogen?

Het hoort erbij natuurlijk, net zoals het erbij hoort dat hij zich dag en nacht zorgen over je maakt. Wat moet er van je worden? Kan hij iets doen om het lot gunstig te stemmen? Moet hij juist iets laten? Het gewicht van zijn zorgen en/of verwachtingen kan ondraaglijk worden. Hoeveel kinderen bezwijken niet onder de tekortschietende of juist op hol geslagen verbeelding van hun ouders? Hoeveel kinderen bezwijken er niet onder ouders die hen, uit ijdelheid of vrees voor ingebeelde levens die in het verschiet liggen, ten koste van alles proberen te vormen naar hun eigen idealen?

De eerste regels van Edmund Gosse’s Vader en zoon (1907) vertellen in feite het hele verhaal: ‘Dit boek is een verslag van een strijd tussen twee temperamenten, twee gewetens en bijna twee tijdperken, een strijd die onvermijdelijk eindigde in een verwijdering. Van de twee hier beschreven menselijke wezens was de één geboren om te vluchten in het verleden en werd de ander gedreven naar de toekomst.’

Aan wie behoren deze twee diametraal tegenovergestelde temperamenten toe? Wie was de vader? Philip Henry Gosse. Wie was de zoon? Edmund natuurlijk, maar dat was neem ik aan een retorische vraag? Hoe dan ook: het zijn namen die nu hooguit nog bij een enkeling een belletje doen rinkelen, maar in hun beider respectievelijke tijd waren ze in zekere mate beroemd. De zoon was tegen het einde van de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw een van de belangrijkste literaire critici van zijn tijd, een man of letters die bevriend was met alles en iedereen die ertoe deed, die zijn Britse eilandgenoten liet kennismaken met Ibsen en Couperus en die op den duur geridderd zou worden.

Maar licht de doopceel van de vader en er verschijnt een minstens zo indrukwekkende figuur. De naturalist Philip Henry Gosse was gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw een onvermoeibare pleitbezorger van de wetenschap, een mariene bioloog die de wonderen van het leven onder water probeerde te doorgronden en die de mede-uitvinder was van het aquarium. Maar naast dit alles was Henry een man die zijn leven in dienst stelde van de Heer: hij en zijn vrouw Emily waren lid van de Plymouth Brethren, een puriteinse stroming die al wat aards was afwees, koerste op een letterlijke interpretatie van de bijbel en een persoonlijke band met God.

In het huishouden waarin Edmund Gosse werd geboren werd ‘de komst van een kind niet met blijdschap tegemoet gezien, maar met berusting gedragen’. In zijn dagboek noteerde Philip Henry Gosse die dag: ‘E. bevallen van een zoon. Ontving groene zwaluw uit Jamaica.’ Het gezin vormde een hechte eenheid waarin er zelden of nooit mensen op visite kwamen en waarin de avonduren werden gespendeerd aan het elkaar voorlezen van vrome literatuur of het vertalen van wetenschappelijke geschriften.

Het is niet dat zijn ouders niet van hem hielden. Ze hielden zielsveel van hem en die liefde betaalt Gosse terug in het portret dat hij van hen schildert. Want hoewel zijn kinderziel werd geplant ‘niet in een gewoon open bloembed of een zorgvuldig aangeharkt plantsoen, maar op een richel, gehouwen in het graniet van een berg’, voel je nergens in zijn woorden verbittering of slachtofferschap doorklinken. Hij draagt zijn ouders hun tekortschieten niet na, hij kijkt er slechts met een zekere bedroefde verbazing naar – al weerhoudt dat hem er niet van zijn gedachten scherp te verwoorden: ‘Er was sprake van volmaakte zuiverheid, volmaakte onverschrokkenheid, volmaakte zelfverloochening, maar ook van bekrompenheid, isolement, gebrek aan perspectief en, ik geef het volmondig toe, gebrek aan menselijkheid.’

Edmund is acht als zijn moeder overlijdt aan borstkanker. Op haar sterfbed is haar enige wens dat zijn vader hun kind op het rechte pad zal houden. De strijd in Vader en zoon is er een tussen twee mensen, maar, zo schrijft Gosse, op de achtergrond is er altijd ‘de etherische herinnering aan mijn moeders wil, die hem leidde, maande, hem hield aan het onwrikbare doel dat zij had gesteld’. Zijn moeders dood vormt een breuk in het boek. In het eerste deel kun je je nog voorstellen hoe Gosse zijn verhaal een beetje accentueert om de geleefde werkelijkheid van het van vriendjes en vertier verstoken kind beter voor het voetlicht te brengen, maar na de dood van zijn moeder is de vernietigende eenzaamheid van het kind maar al te gemakkelijk invoelbaar.

‘De wil tot rebellie stroomde als wijn door mijn aderen’

Als vader en zoon naar een huis aan de kust in het afgelegen Devon verhuizen, stroomt er weer wat zuurstof in de vertelling, maar al gauw volgt een tweede klap. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw wordt Philip Henry Gosse verscheurd door twee ideeën: ‘Beide fascinerend, beide overtuigend, maar volledig onverenigbaar.’ De introductie van de evolutieleer zette het leven van de diep-religieuze wetenschapper op zijn kop en het is deze episode die de vader zo’n diep-tragische figuur maakt.

Gosse vertelt hoe zijn vader aanvankelijk ‘het nieuwe licht met iedere vezel van zijn intellect verwelkomde’. Totdat hij zich het eerste hoofdstuk van Genesis herinnerde. Zijn nieuwsgierigheid naar de wereld is gigantisch, maar hij weet die met een bijna onmenselijke intellectuele krachtsinspanning de kop in te drukken. Het is geen teken van zwakte: het vergt alles van een mens om het gedroomde beeld van de werkelijkheid in het hoofd te laten rijmen met de geobserveerde werkelijkheid en niet gek te worden.

De tragedie eindigt in een heroïsche poging de theorieën over de oorsprong van soorten en de vondst van fossielen te verenigen met Gods woord. In het boek Omphalos ontvouwt Gosse senior zijn theorie over een prochronisch scheppingsmoment, waarin God de wereld zou hebben geschapen inclusief de voorgeschiedenis die langzaam maar zeker niet meer te ontkennen viel. Maar waar hij op lof had gerekend, iets waaraan hij gewend was geraakt, werd zijn boek door niemand serieus genomen. Noch ‘de oude conventie’ noch ‘de nieuwe rebellie’ moest er iets van hebben en hij kwam deze afgang nooit meer helemaal te boven.

Een reeks piepkleine voorvallen illustreert de geestelijke ontwikkeling die Edmund Gosse intussen doormaakt. Het zijn momenten waarop zíjn observaties botsen met de ideeën die zijn ouders erop nahouden. Er is het moment waarop zijn vader de kamer inloopt en iets zegt waarvan Edmund weet dat het niet klopt: ‘Het was de gruwelijke, nooit eerder vermoede ontdekking dat mijn vader niet als God was en niet alles wist.’

Er is het moment dat Edmund in zijn avondgebed vraagt om een gekleurde bromtol die hij in een etalage heeft gezien. Als zijn vader zegt dat men voor zulke dingen niet hoort te bidden vraagt Edmund waarom niet. Had zijn vader immers niet gezegd dat ‘we moesten bidden voor dingen die we nodig hadden, en dat ik de bromtol veel meer nodig had dan de bekering van de heidenen of de teruggave van Jeruzalem aan de joden’ – twee onderdelen van zijn avondgebed die hem koud lieten.

Er is het moment dat de vader zijn zoon verzekert dat ‘God zeer vertoornd zou zijn en zijn toorn te kennen zou geven als in een christelijk land iemand boog voor hout en steen’, waarop Edmund ’s avonds stiekem een kleine stoel op tafel zet en met kloppend hart zijn dagelijkse gebed begint met de woorden: ‘O stoel!’

Er is het moment waarop Edmund tegen de zin van zijn vader wordt uitgenodigd om spelletjes te komen spelen bij een ander gezin en zijn vader voorstelt om in een gebed God te vragen of Hij dat een goed idee vindt. ‘Toen ik zo geknield zat, me heel klein voelend naast de immense massa van mijn vader, stroomde de wil tot rebellie als wijn door mijn aderen.’ Als vader, die God duidelijk heeft laten blijken hoe hij er zelf over denkt, vraagt welk antwoord de Heer hem in al Zijn goedheid heeft gegeven, is Edmund even stil, maar dan zegt de jongen: ‘De Heer zegt dat ik naar de familie Brown mag gaan.’

Als zijn vader onder invloed van een lieve tweede vrouw wat inschikkelijker wordt en hij Edmund meer en meer wereldse boeken laat lezen, versnelt dat de verwijdering tussen vader en zoon. Maar de kern van Edmunds rebellie ligt dieper in de vertelling.

De strijd tussen vader en zoon is een koude oorlog waarin zelden conflicten uitbreken. Het is een strijd die uiteindelijk vooral wordt gevoerd diep in het binnenste van het kind, waar hij een eigenheid in zichzelf ontdekt en koestert. ‘Hardnekkig klampte ik me vast aan de kern van individualiteit, diep in mijn kindernatuur. Aan de druk van buitenaf gaf ik al het andere prijs, mijn gedachten, mijn woorden, mijn verwachtingen, mijn zekerheid. Maar er was iets wat ik nooit prijsgaf: mijn ingeboren en onveranderlijke ik’, schrijft Gosse.

Het is dit jarenlange stille verzet dat hem later in staat stelt zelf invulling te geven aan zijn leven, zonder verbittering of woede maar in het troostrijke besef dat hij en zijn vader ‘elkaar tot het laatste uur respecteerden of beschouwden met droeve lankmoedigheid’.