Als je haar maar goed zit

EIGEN ROEM STINKT. Maar in Nederland stinkt die van een ander nog erger. Het valt niet mee om vanuit de wurgende blubber van de moerasdelta de kop boven de dijken uit te steken, zeker niet als dat uit vrije wil lijkt te gebeuren. Bij ‘uitstekend’ denken wij liever aan een te breed uitgevallen imperiaalbepakking dan aan de bewonderenswaardige prestaties van een ander. Behalve als we die kunnen kleineren, of in een wat beschaafdere bui, relativeren.

Roem moet geheel spontaan uit de lucht komen vallen, met de grootste verbazing door het omhooggevallen sterretje ondergaan worden, en nadien weer bliksemsnel verdwijnen: ook oude roem stinkt. Een aldus kortstondig beroemd geraakt persoon kan zich vervolgens van permanente observatie verzekerd weten. Nauwgezet wordt bewaakt of hij zich wel gewoon genoeg blijft gedragen. Want ‘gewoon’ is het Nederlandse paspoort tot werkelijk succes. We excelleren in gewoonheid. En de allergewoonsten onder ons kunnen heel hoog komen, mits ze natuurlijk niet echt gewoon zijn doch zich slechts gewoon weten voor te doen.
Per abuis aan de supertop verdwaalden blijken met gewoon doen golven van ontroering door het Nederlandse volk heen te kunnen jagen. Zo zijn we beslist niet bestand tegen een vorstin met kaplaarzen. Juist die warsheid van enige autoriteit boven ons dwingt tot het warme besef van een oranje oermoeder, die dag en nacht voor ons klaarstaat en al bij de eerste stortbuien uitrukt in een regenpak. En dat het haar van prins Claus bij de laatste troonrede niet goed zat, heeft de monarchie weer decennia vooruit geholpen, juist omdat hij dat te horen moest krijgen bij het plechtigste moment dat we in het staatkundig ritueel kennen - en ook nog bij herhaling. De even constitutionele als moederlijke bezorgdheid over Claus’ haar werkt veel efficiënter dan een Republikeins Genootschap. Dat draagt natuurlijk ook zijn steentje bij aan de tomeloze vereeuwiging van Oranje, juist omdat de bedaagde leden er alles aan doen om zo arrogant mogelijk over te komen met hun rationele gelijk. Maar met zo'n houding krijgt men in Nederland geen handen op elkaar. Die mannen hebben gewoon verbeelding, en daar houden wij niet van.
UIT DIE ONGEWONE populariteit van gewoon doen, bescheidenheid en niet opvallen is ook een mallotige sportverdwazing geboren. Die lijkt op het eerste gezicht nogal in tegenspraak met de afkeer van heldenverering, lawaai en spektakel, maar in feite bevestigt zij die. Eensgezind schilderen we half Frankrijk oranje, wanneer na Petrarca onze eigen jongens de indruk wekken de Mont Ventoux per racefiets te willen bestijgen. Daarmee is de triomf van de gewoonheid getekend. We vereren slechts gewone jongens en meisjes, uit de heffe des volks en dus precies uit ons midden, van wie vrijwel zeker is dat ze na hun kortstondige carrières weer bij ons terug zullen keren als postbode, spruitjesteler, veeboer of tuinman. Bovendien is de sport het enige terrein ter wereld waar wij nog een woordje kunnen meespreken, nu het inmiddels iedere Nederlander geheel duidelijk is dat we in de wereldpolitiek niets meer voorstellen, definitief bezegeld door het drama Srebrenica, maar al eerder onomkeerbaar gebleken bij het verlies van 'ons’ Indië.
Bijna lijkt het alsof we deze nationale sporthelden willen roemen. Maar dat is niet de bedoeling. De exploratie van eigen grootheid dient los te staan van heldenverering. Die kan alleen bestaan uit kortstondig gesublimeerde gewoonheid. Daarom spreekt een boek als Reve’s De avonden alleen hier zo enorm tot de verbeelding en, opvallend genoeg, in het buitenland helemaal niet. En daarom zouden grote politici in de wereld op grond van lichamelijk falen in het openbaar uitgerekend hier een aanzienlijke verhoging van hun populariteit kunnen beleven. Gewone jongens en meisjes dus, als het erop aankomt willen ze best (niet) deugen. Elders in de wereld moet men om verkozen te worden perfecte onfeilbaarheid uitstralen en voorwenden. Mao zwom zich destijds via de Gele Rivier de eeuwigheid in. Maar Jimmy Carter, voormalig pindakoning en president, verspeelde zijn herverkiezing door voor het oog van de camera ineen te storten tijdens een zo moedig begonnen marathon. En gewezen president Bush overkwam iets soortgelijks toen hij kotsend weggleed onder de tafel bij de Japanse president. Opvallend was hoe krampachtig hij bagatelliserende humor bleef opvoeren tijdens zijn demasqué, steeds suggererend dat het hier slechts een protocollaire vergissing betrof.
In Nederland kan men niet beroerd genoeg worden tijdens de ambtsuitoefening, zolang het maar aandoenlijk is en zeer gewoon menselijk: kortom, het Claus-effect. Verder zijn onze minister-presidenten uitzonderlijk begaafd in het uitstralen van ongebruikelijke simpelheid. De naoorlogse Drees poseerde als huisvader, zijn sociaal-democratische opvolgers zochten het meer in een kampeerambiance te midden van het gewone volk. Den Uyl voltooide zelfs een staatsbezoek vanaf de camping. En Kok raakt niet moe om over zijn tentje te praten, een eenvoudig sheltertje natuurlijk, zeker geen bungalowtent die andere onderkomens in de schaduw zou kunnen zetten. Maar ook Van Agt, in feite een heel rare man, lonkte naar het volk door zich voor te doen als voetballer of wielrenner.
Beroemd kan men in Nederland alleen zijn door te excelleren in het uit de weg gaan daarvan. Daarom houden we zo van antihelden en -heldinnen als Reve’s Frits van Egters, Kniertje, Gijsbrecht van Aemstel en natuurlijk Voskuils Maarten Koning. Daarop sluit de populariteit van zich spectaculair van het leven berovende antihelden direct aan. Is daar niet een Van Speyck, ook nog Amsterdams weeskind, die de lont in het eigen kruitvat stak? En zouden we ooit de naam kunnen vergeten van een Van Schaffelaar, die volkomen zin- en zinneloos van een toren sprong? Nu vinden we op zichzelf zulk gedrag allesbehalve gewoon. Maar een sukkelaar die in het nieuws weet te komen met een zelfopofferende stunt kan Nederlandse harten voor eeuwig doen smelten.
HEEL JAMMER voor de Oranje-heldenverering is het manifeste gebrek aan gewoonheid en losers-potentieel - vanouds ruim gesorteerd in ons vorstenhuis - in de huidige vorstin. En hoezeer die laatste troonrede ook de onverwachte vertedering dankzij Claus’ weerbarstige haar schonk, de hoofdmoot bleek weer een plechtige voordracht van bijna pauselijke allure. Terwijl we nu juist van de hoogst ingezetene van ons land eerder een gezellige causerie verwachten met gemoedelijke terzijdes over de stoeiende prinsjes buiten de deur. Elk jaar zitten we daar toch weer een beetje op te hopen. Bijvoorbeeld dat de koningin, nog net zo vol van Clinton als wij, gelijk begint op te biechten dat ze het afgelopen jaar flink gezondigd heeft met een glazenwasser. En dat ze het nooit meer zal doen. Maar we zijn in Nederland. Eén keer per jaar spelen we dat we een gelukkig gezin zijn, met een royale moeder aan het hoofd die uit een sinterklaasboek mag voorlezen.
Toch zouden we een zekere boetvaardigheid wel degelijk op prijs stellen: 'Ik ben ook maar een gewone vorstin, en ik weet heus wel dat de halve troonrede van vorig jaar niet uitgekomen is.’ Met zoiets zou Beatrix haar populariteit enorm verhogen. Als enige volk ter wereld houden wij immers van losers, tenminste zolang deze daar rond voor uitkomen. Verliezen is immers gewoon, en gewoon is de lokale opperdeugd. Op dat punt staat Beatrix nog flink bij ons in het krijt. Als ze zich nu eens een paar keer versprak, desnoods met opzet, en dan naar het model waarmee Philip Freriks razend populair geworden is. Maar ook dit jaar liet ze ons weer meedogenloos meeglijden in haar tegendraadse ritmiek. Als op een achtbaan beweegt haar stem zich over glooiende sporen, nu eens met dalende berusting, dan weer in stijgend optimisme. En wij zitten lijdzaam in het karretje.
Toch behoren we niet tot het soort volk dat maar een moment de indruk wekt met ijzeren vuist geregeerd te willen worden. Maar één keer per jaar mag Beatrix net doen alsof. Ze zet meteen hoog in met een 'In deze tijd van ongekende technologische ontwikkelingen…’ Dan stokt even haar stem, we horen haar adem en bijna flapt ze eruit dat we veel te veel ambtenaren hebben, dat de helft er dus uit zal vliegen en bijgevolg gereed dient te staan om bij Zandvoort de zee vol te plempen voor een nieuw Schiphol. Maar telkens slikt ze het echte regeren nog net op tijd in en deint ze weer verder op de golven van haar zelfgebaande klemtonenpad.
BLIJFT OVER de ceremonie. Hoewel wij zeer wars zijn van koninklijke heldenverering mag zij voor die ene keer in een gouden koets door de straten rijden, mogen damesregenten rare hoeden opzetten en is het de vorstin toegestaan om op een heuse troon te gaan zitten - allemaal om duidelijk te maken dat we daar de rest van het jaar in het geheel niet van gediend zijn. En daarvoor betalen we graag de prijs van een jaarlijkse troonrede op de wijs van een gospelsong voor een draaiorgel met slippende drijfriem.
Nu vindt niemand zich gewoon in Nederland, maar onder hoog en laag zijn opmerkingen als 'ik ben maar een heel gewoon mens’ bijzonder in trek. Dat is een tamelijk geraffineerde manier om de eigen voortreffelijkheid te afficheren, aangezien de luisteraar verondersteld wordt donders goed te weten dat zoiets alleen maar gezegd kan worden door uitzonderlijke personen. Immers, een echt gewoon iemand hoeft dat toch niet op te merken! En zou deze dat wel doen, dan moet de luisteraar daaruit opmaken dat de persoon in kwestie kennelijk niet zo gewoon is als het in eerste instantie toescheen. Typerend in dit verband is dat blijkens een krantebericht de Nederlandse zakenvrouw van vorig jaar bekend staat als iemand die 'heel gewoon’ doet. En zo hoort het ook in onze samenleving.
WAAROM HEBBEN we toch zo'n moeite met heldenverering en roemzucht? Veel van onze collectieve mentaliteiten kunnen herleid worden op de burgerlijkheid van onze samenleving. Belangrijk onderdeel daarin is de overlevingsmoraal van de aanvankelijke underdog, die met succes de traditionele macht van adel, geestelijkheid en zelfs de boerenstand overwonnen heeft. Door deze triomf van de burger mist het uiterlijk van het land inderdaad elke hang naar grandeur en pompeusheid in de bebouwing. In ruil daarvoor is het bezaaid met koopmanswoningen, grachten en smalle straatjes, die elke gedachte aan weidse pleinen en lange boulevards uitsluiten.
Gezag, ponteneur en het solliciteren naar roem zijn van meet af aan als spelbedervers in het nationale huisgezin beschouwd. Nu is dit geen verrassend nieuws. Niet alleen laat men zich in Nederland slechts met grote tegenzin gedrag opleggen door de centrale overheid, er is ook geen enkele traditie in het markeren en articuleren van grootse momenten uit de nationale geschiedenis. Tussen deze beide verschijnselen bestaat een samenhang. Bestuur is al vanaf de late Middeleeuwen in de Lage Landen voornamelijk een zaak geweest van colleges, raden of andere gezelschappen die eerder het karakter droegen (en dragen) van overlegorganen dan van daadkrachtige en onverbiddelijk opererende lichamen.
Nationale op-de-borst-klopperij, principiële barricadebestormingen in naam van Oranje en kloeke monumenten om het staatkundig ego te vleien en verder uit te bouwen, zijn in Nederland weinig populair en zullen ook in de toekomst nauwelijks enige kans maken vanwege het gebrek aan enige traditie daarin. Daarom kan ook alleen hier het adjectief 'on-Hollands’ bloeien in de zin van een positieve kwaliteitsaanduiding. Dan weet de consument tenminste zeker dat het om echt mooie dans gaat, prachtige literatuur, gevoelige film of gedurfd ballet in plaats van houterige betweterij en de lucht van spruitjes, terwijl een dorpse hoempaband voorbijmarcheert. Die mogelijkheid om de ontkenning van de eigen identiteit een vanzelfsprekende aanbeveling te laten zijn in het culturele leven is uniek in de wereld. En wie dat niet gek vindt, moet maar eens denken aan de uitwassen die het tegenovergestelde in de Verenigde Staten teweegbracht in de jaren vijftig, toen 'un-American activities’ regelrecht tot beroepsverboden leidden.
Pogingen om een zeker nationaal gevoel op te hangen aan de grote helden van weleer krijgen vooral gestalte in de loop van de negentiende eeuw. Maar al aan het eind van de Middeleeuwen valt veeleer de cultivering van een gemeenschapsgevoel op staatsniveau aan te wijzen. Voertuig daarvoor is de Bataafse mythe, die enig succes kent tot aan het begin van de negentiende eeuw, maar die nu vrijwel geheel uit het collectieve geheugen verdwenen is. We zouden in de Lage Landen afstammen van een volk van eenvoudige vissers en boeren, die zich onder aanvoering van hun bloedeigen Claudius Civilis met succes bevrijd hadden van de Romeinen.
Maar opvallend is dat de exponent van dit geïdealiseerde verleden niet bestaat uit de verering van de held die zich vrijworstelde van het Romeinse juk, maar uit de koestering van burgerdeugden die al in 1517 zorgvuldig door kroniekschrijver Cornelius Aurelius in kaart gebracht zijn. Hollanders zijn nuchter, vredelievend, arbeidzaam, zuinig, sober en bovenal 'democratisch’, aangezien ze immer in de grootste eensgezindheid hun samenleving weten te ordenen. En het hoogste geluk beleven ze in de huiselijke kring.
ROEM HOORT bij helden, helden zijn uitzonderlijk, en uitzonderlijk mag je hier alleen zijn in de kunst van het niet opvallen. Zelfs de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje wiens toenaam nog steeds het regerende vorstenhuis siert, spreekt in het geheel niet tot enige verbeelding. Daardoor geeft ook zijn markante dood in 1584, toen hij sneuvelde door een moordenaarshand, geen enkele aanleiding tot nationale herdenkingen, verlossende feestvieringen of andere bevestigingen van een eigen identiteit op staatsniveau. Overigens ontbreekt het niet aan nogal obligate pogingen daartoe, die zich echter nooit een blijvende plaats in de Nederlandse samenleving hebben weten te verwerven.
Opmerkelijk daarbij is dat ook hij onveranderlijk in termen van huisvaderdeugden opgevoerd wordt, in het verlengde van een daaruit in de negentiende eeuw opgetrokken burgerblazoen van waarlijk Nederlanderschap. Niet zijn gewelddadige dood moest dus een fier vaderlandgevoel markeren, maar zijn veronderstelde huiselijkheid, met bij voorkeur een accent op het gewone en alledaagse daarin: Vader Doorsnee in plaats van Willem de Martelaar. Alleen in die zin wil hij nog wel eens als model aangehaald worden, uiteraard niet in het perspectief van enige nationale glorie, maar veeleer als exponent van de wezenlijke trekken van de Hollandse kleinburgerij: ijverig, knus en vooral heel gewoon, deugden die op kermissen en braderieën aanleiding plegen te geven tot aandoenlijk nostalgische folklore van volksdansen op klompen tot aan de beoefening van oude ambachten.
In Nederland beroemen we ons op een oranjegevoel als nieuwe levensovertuiging, die van tijd tot tijd dat heerlijke oergevoel van de eensgezinde kudde moeiteloos in praktijk brengt. En hoezeer zich dat distantieert van het staatkundig nationalisme van helden, monumenten, parades en herdenkingen mag eens te meer blijken uit het verheffen van gezelligheid als ideaal, gezamenlijk koffiedrinken op alle uren van dag en nacht, spelen dat men een groot gezin is of op zijn minst allemaal familie van elkaar, en het eindeloos genereren van verkleinwoordjes die de wereld tot het gewenste gezinsniveau moeten reduceren. Alleen in Nederland kan een restaurant adverteren met een menuutje dat bestaat uit een voortje, hoofdje en toetje! Wie zou er binnen zo'n dichtgemetselde knusheid nog ooit van roem kunnen spreken?