Tour de France 1903

Als je helemaal dood zit

Wielertaal is poëzie. Virtueel in het geel. Platvallen. Erop en erover. Ik ben met die taal opgegroeid. Ze ligt heerlijk op de tong. Soms, in het heetst van de strijd, is er ook ineens een nieuwe dichtregel, eentje die blijft hangen in je hoofd, ook als de koers al weer vergeten is. Zoals: ‘Zit je helemaal dood, komen daar de Farm Frites.’ En dat dan uitgesproken op zijn Vlaams, met de ‘s’ van frites duidelijk hoorbaar. Tijdens de wielerklassieker waarin deze dichtregel uit de mond van de Belgische televisieverslaggever opwelde, ging het over de renner die op kop reed. Nu is het ernstiger: de hele Tour de France zit dood. Wie gevoel voor ironie heeft, zal zeggen dat ik overdrijf. Nam de renner vroeger de trein, nu neemt hij dope. Maar het doel van Maurice Garin in 1904 was hetzelfde als dat van Michael Rasmussen in 2007: sneller gaan dan de rest. Je zou de elkaar opvolgende dopingaffaires ook af kunnen doen met de opmerking dat de renners vroeger elkaar vergiftigden en tegenwoordig zichzelf. Verschil is wel dat Paul Duboc in 1911 na het (nietsvermoedend) legen van de gifbeker zo ziek werd dat hij de gele trui verloor, terwijl renners het gif tegenwoordig juist gebruiken om die gele trui om de eigen schouders gehangen te krijgen.

Ook bij dat ‘tegenwoordig’ zijn vraagtekens te zetten. De Engelsman Tom Simpson overleed in 1967 nadat hij tijdens de beklimming van de Mont Ventoux van zijn fiets was gevallen. Het was die dag verzengend heet. Er zouden temperaturen van 55 graden Celsius zijn gemeten op die kale berg. Maar Simpson bleek alcohol in zijn bloed te hebben en er werden amfetamines in zijn achterzak gevonden. Toch staat er op die bij veel amateurwielerfanaten geliefde berghelling een herdenkingsteken voor hem. Onze eigen Joop Zoetemelk, Tourwinnaar in 1980, is tijdens de Ronde overigens ook een paar keer betrapt op het gebruik van doping. Hij werd er niet voor geschorst.

Zeggen dat de Tour te gronde gaat aan de commercie is ook al een vreemde constatering. De Tour is van meet af aan commercieel geweest. Het dagblad L’Auto organiseerde in 1903 de eerste Ronde van Frankrijk om te kunnen concurreren met sportkrant Le Petit Journal die zoveel

succes had met de wielerwedstrijd Paris-Brest-Paris. De opzet slaagde, de oplage van L’Auto – eigendom van Touroprichter Henri Desgrange – steeg. Afgelopen zomer voer de oplage van het Franse sportblad L’Équipe wel bij de dagelijkse hetze tegen Rasmussen. Ook die opzet slaagde.

Mede daardoor zit de Tour nu helemaal dood. Het tegengif is erger gebleken dan de dopingkwaal waaraan de patiënt lijdt. De strijd tegen de doping heeft van de Tour een wedstrijd tussen controleurs, rechercheurs, artsen en farmaceuten gemaakt. Als liefhebber zit je tegenwoordig ’s middags een renner de berg op te duwen en te schreeuwen, wil je al die malloten die hem vlak bij de top bijna de weg versperren wel van de helling smijten, om ’s avonds te moeten vernemen dat je held een crimineel is. Aanvankelijk ben je teleurgesteld. De volgende dag is die teleurstelling omgeslagen in woede. Je denkt: waarom is deze renner wél gepakt en die andere niet, wie zit daar de boel nu eigenlijk écht te vernachelen, welke belangen worden hier over de hoofden van de renners uitgevochten?

Het is deze naar binnen gesijpelde achterdocht die maakt dat de Tour helemaal dood zit. Het interesseert me niet meer wie hem dit jaar heeft gewonnen. Zo weet ik ook de naam van de Tourwinnaar van 2006 niet. Het was de man die op de Champs-Élysées nog naast geletruidrager Floyd Landis stond, maar die is inmiddels uit de officiële boeken geschrapt.

Zoals dat gaat in tijden van verdriet, ga je terug in de tijd. Je vindt er niks dan goeds. Nu mijmer ik weg bij de herinnering aan Louison Bobet. De naam alleen al. Bobet won de Tour in mijn geboortejaar. Voor de derde keer op rij, wat slechts één iemand voor hem had gedaan. Als zoon van een bakker had hij het fietsen geleerd tijdens het rondbrengen van het brood. Zijn reserveband torste hij nog zelf mee, als een slang om zijn schouders. Een eenvoudige jongen. Stoempen en afzien. Zelf heb ik nooit ‘Allez Bobet!’ kunnen roepen. Het was voor mijn tijd. Maar ook achteraf smaakt dat goed. Als poëzie. Zit de Tour helemaal dood, komt daar de nostalgie.

2007