Als je het maar lang genoeg herhaalt

Nachoem M. Wijnberg
Liedjes
Contact, 88 blz., € 16,90

Het commerciële radiostation rtl fm geeft zijn luisteraars een garantie. Tussen negen uur ’s ochtends en vijf uur ’s middags hoor je niet één keer ‘dezelfde plaat voorbijkomen’. Bankwerkers, benzinepomphouders en betonvlechters hoeven dus niet meer te zappen naar een ander station, rtl fm helpt ze de dag door. Met liedjes. Het ene na het andere. Meestal liedjes over liefde: onbereikbare fantasieliefdes, uitgedoofde pijn-in-het-hart-liefdes en uitzinnige we-vonden-elkaar-liefdes. En de arbeider, hij neuriede voort.
Nachoem M. Wijnberg schreef een bundel liedjes. Hij samplede een aantal grote gemene delers zoals die zo vaak in songs voorkomen (‘ik zou je niet willen ruilen voor een ander’, ‘als vandaag de/ laatste dag zou zijn’, ‘wachten op de zonsondergang’) en mystificeerde ze door middel van taal zo helder als klei. Het repetitieve element in de bundel is groot, op pagina 17 wil de dichter bijvoorbeeld ‘een grap/ nog een keer vertellen’, op pagina 28 vraagt de dichter of hij ‘dezelfde grap/ twee keer mag vertellen’ en op pagina 30 zegt hij: ‘ik had je toch gezegd/ dat het grappig was’. Als je het maar lang genoeg herhaalt, wordt een woord als ‘grappig’ heel droevig. Je hoort een aantal malen ‘dezelfde plaat voorbijkomen’. Je weet dat het eigenlijk niet grappig is. Zoals liedjes in deze bundel ook geen ‘liedjes’ zijn. De teksten zijn bekend van de liedjes, maar ze zijn zo geplaatst dat ze bevreemden.

LIEDJE

Ik lees leven na leven

en als iemand zo oud is als ik ben

houd ik mijn adem in,

soms zoek ik terug wanneer dat was.

Toen ik jonger was

sloeg ik soms over

waar iemand een kind was,

ik weet niet waarom.

Wat ik bij mij wil hebben:

een boek waarin genoeg te lezen is;

als ik oud ben geef ik het niet weg,

ik verkoop het.

Ik sla ook over

wanneer ik bang word

dat iemand niet meer verandert,

lees dan alleen hoe het afloopt.

Van moment naar moment

verandert mijn verlangen,

ook als ik er genoeg van heb

word ik bedroefd als het voorbij is.

Juist omdat Wijnberg zijn vocabulaire zo akelig eenvoudig heeft gehouden, wil ik weten wat er staat. In het gedicht hierboven gaat het me vooral om een regel als ‘soms zoek ik terug wanneer dat was’. Hoezo soms, denk ik dan. Hoe vaak is dat dan? En wat zoek je eigenlijk terug? Je geboortedatum? De dichter zegt ook niet te weten waarom hij soms oversloeg ‘waar iemand een kind was’. Hebben we het hier over een lezer die vroeger als hij een boek las de gevoelige gedeeltes terzijde schoof? En nu niet begrijpt waarom? En vast het einde ging lezen van een boek als het personage in de roman te monomaan bleek? En het dan toch jammer vond als hij het boek, dat hem niet aanstond, uit had? Wijnberg fopt met zijn verondersteld eenvoudige ‘liedjes’ de lezer. Dit is extreem ingewikkelde poëzie. Zoals ook dit gedicht:

LIEDJE

Wat ik wil hebben is

wat kapotgegaan is

en ik genoeg hersteld heb

dat het goed voor mij is.

Als het mij niet lukt

vraag ik of jij het kan,

en het mag te zien zijn

dat het eerder gedaan is.

De dichter wil iets wat stuk is en door hem provisorisch is gerepareerd. Een echte klusser is hij niet, maar het eindresultaat is van acceptabele kwaliteit. Dat is de eerste strofe. Maar dan zegt de dichter dat het hem soms ook níet lukt om iets te repareren. Dan wil hij dus iets hebben wat kapotgegaan is en niet door hemzelf hersteld kan worden. Grote vraag is dan: wil hij het dan nog wel hebben? En wat wil hij eigenlijk hebben? Een liefdesleven?

LIEDJE

Je kan mijn kleren

als zekerheid aannemen,

maar je moet ze teruggeven

voordat de zon ondergaat,

want misschien heb ik niets anders om in te slapen.

Ook hier lijkt het liedje helder, maar dat zou het alleen zijn als de laatste regel luidde: ‘want ik heb niets anders om in te slapen’. Nu staat er dat dat ‘misschien’ zo is. Waar hangt dat dan van af? Of er geneukt wordt die namiddag? Of de dichter de slaap kan vatten? Of de vrouw van de dichter een wasje heeft gedraaid?

Ik geef toe dat ik stupide vragen stel, maar de gedichten roepen het in me op. Als ik Luceberts vaak geciteerde dichtregel ‘de oude meepse barg ligt/ nimmermeer in drab’ lees, dan ontlokt dat in mij niet de vraag wat er staat. Omdat zo’n regel bij eerste lezing zijn rug naar je keert, zich ondoordringbaar toont. Omdat het niet uitmaakt wat er precies staat, het is overduidelijk barse taal. De liedjes van Wijnberg lijken me daarentegen met open armen te ontvangen en geven me zodra ik ze tot me ga nemen een pets op de neus, en het is juist die nephelderheid die maakt dat ik deze bundel steeds weer wil herlezen. Een ‘pageturner’ heet dat in literaire marketingtaal. Liedjes van Nachoem M. Wijnberg is de beste, want de meest verrassende en meest verwarrende poëziebundel van 2006.