De doorbraak van Hannes Minnaar

‘Als je op eieren gaat lopen valt de diepte weg’

In 2010 behaalde hij op het Brusselse Elisabeth Concours de derde prijs met een subtiel toucher dat opviel tussen het concours-geram. Volgend seizoen debuteert Hannes Minnaar (27) met Beethoven bij het Concertgebouworkest. Nu speelt hij overal in Nederland. Ook in Emmeloord.

Vanavond speelt hij in Emmeloord, de pianist die volgend seizoen met Beethovens Vierde pianoconcert debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest – en maar meteen in samenwerking met de eminente Herbert Blomstedt. De locatie is Theater ’t Voorhuys, een van de tientallen zalen en kerken in de Nederlandse provincie waar sinds zijn Brusselse zegetocht met spanning op hem wordt gewacht. De sfeer in de zaal is dorps gemoedelijk, de gesprekken doen vermoeden dat er veel bekenden en familie zijn gekomen.

Emmeloord is dan ook de stad van zijn jeugd. Hannes Minnaar (Goes, 1984), afkomstig uit een streng christelijk milieu, streek er op zijn tiende met zijn ouders neer. Zijn jeugd stond in het teken van muziek en van de kerk, waar hij als organist de diensten begeleidde met de diepe geloofsovertuiging die zijn puberteit overleefde, net als zijn liefde voor het instrument; behalve piano studeerde hij aan het conservatorium orgel. Voor Minnaar is het metafysische gehalte van muziek een gegevenheid. ‘Ik voelde wel een soort roeping voor de kerkmuziek, maar als ik piano zat te spelen deed ik dat met evenveel overtuiging. Als je muziek speelt, goed speelt, klinkt dat religieuze altijd mee, denk ik.’

Hij is aardig, bescheiden zelfbewust en de protagonist in een verhaal dat hij aanvankelijk nauwelijks kon bevatten, terwijl het echt van eigen hand is, letterlijk. In ’t Voorhuys speelt hij, niet gehinderd door de vlakke Yamaha-vleugel van het huis, met verbluffende allure Rachmaninoffs Eerste pianosonate, Ravels Sonatine, Impromptus van Chopin en Liszts bewerking van Bachs Prelude en fuga in a-klein bwv 543. Minnaar is een pianist die maat houdt zonder te beknibbelen. Zijn Rachmaninoff is breed maar niet ordinair, de Ravel elegant maar niet wuft, zijn Bach solide introvert.

Na zijn afstuderen bij pedagoog Jan Wijn in Amsterdam – een tien met onderscheiding, uiteraard – stak zijn podiumcarrière overzichtelijk van wal. Minnaar speelde voor vijftig man in een dorpskerk en voor nog eens vijftig man twee dorpen verder. Een tweede prijs op het eveneens hoog aangeschreven pianoconcours van Genève in 2008 – de eerste werd niet uitgereikt – bracht zijn loopbaan niet in een stroomversnelling. Het echte keerpunt was Brussel, een van de zwaarste pianocompetities ter wereld. ‘Vlak daarna moest ik in een kerkje in België spelen. Ik dacht dat het zoiets zou zijn als Norg of Haren.’ Hij werd er opgewacht door een publiek van achthonderd zielen. ‘Ik geloof dat ik toen wel schrok ja. Ik was er totaal niet op voorbereid.’

De gewenningsfase is voorbij, zijn eerste optredens met orkest – het Vijfde pianoconcert van Saint-Saëns, Beethovens Vijfde en Rachmaninoffs Derde pianoconcert, Chopins Eerste – zijn achter de rug. Vorig jaar verscheen zijn eerste solo-cd met de Eerste pianosonate van Rachmaninoff en van zijn geliefde Ravel de Sonatine plus Miroirs. Het Van Baerle Trio, met Minnaar als pianist, lanceerde deze maand een cd met werken van Saint-Saëns, Loevendie en opnieuw Ravel. Hij breidt zijn repertoire langzaam uit. ‘Ik heb niet echt duidelijke doelen, ik moet eerst maar eens zien te overleven met al die concerten. Ik zou wel weer eens een echt modern stuk willen spelen, of de Handelvariaties van Brahms, maar Bach, Beethoven en Rachmaninoff zijn voorlopig de pijlers. En Ravel.’

Deze maand geeft hij in heel Nederland van Hengelo tot Leidschendam recitals. Zo gaat het al een heel seizoen. ‘Ik kan er goed tegen. Volgend seizoen wordt gelukkig wat rustiger, dit zou niet nog eens vijf jaar moeten doorgaan. Ik zie mijn vrienden nauwelijks meer.’ Maar hij heeft geen spijt dat hij geen kans heeft laten liggen. ‘Ik ga toch geen nee zeggen als het Limburgs Symfonie Orkest me vraagt voor de Burleske van Richard Strauss? Verder denk ik dat de druk misschien wel groter was geweest als ik vaker nee had gezegd.’

Zijn ambities zijn meegegroeid met zijn perspectieven. Er zit niets anders op dan te erkennen dat hij meer kan dan hij dacht.

‘Het werd ook wel een beetje klein gehouden in de wereld waarin ik ben opgegroeid, maar ik had nooit verwacht dat ik een carrière als concertpianist tegemoet ging. Iedereen zei me altijd, en dat is niet alleen het christelijk-­orthodoxe geweest: dat denken ze allemaal, dat ze dat worden. Zelf hoefde ik trouwens ook niet zo nodig de bühne op. Ik wil gewoon bezig zijn met muziek.’ Al ziet ook hij in dat dat net iets fijner gaat in samenwerking met een toporkest. Ja ja, haha. ‘Toch voelt het soms ongemakkelijk’, geeft hij toe. ‘Met een derde prijs op zo’n groot concours lijken sommige mensen te denken dat je de op twee na beste pianist van de wereld bent. Ik moet het maar accepteren als ik niet voor iedereen die verwachting waarmaak.’

Wat me in het Elizabeth Concours verraste was je prachtige, gecultiveerde klank.

‘Ik ben best klankgericht, dat klopt. Mij is altijd verteld dat ik een aangename toon heb en een forte dat niet snel hard wordt. Hoewel, als ik recente dingen van mezelf terughoor schrik ik soms hoe hard het is.’

Je Rachmaninoff-opname is beheerst.

‘Daar heb ik m’n best gedaan om het een beetje zacht te houden. Ik heb een aantal lessen van Menahem Pressler gehad, de pianist van het Beaux Arts Trio. Die is heel gebrand op toon, maar hij vindt iedereen te hard spelen, ook mij. Pressler wil alles zo zacht mogelijk en op zichzelf vind ik dat niet slecht, maar Jan Wijn vond juist dat ik meer geluid moest geven, die zei dat de toon kleur verloor als je te zacht speelde – waar hij soms absoluut een punt mee had. Voor mij is het de kunst het zachte kleur te blijven geven en het persoonlijke te houden. Als je echt op eieren gaat lopen valt de diepte weg.’

Waar komt dat klankgevoel vandaan?

‘Ik denk dat het ook met m’n orgelopleiding te maken heeft. Daarvan heb ik geleerd heel bewust om te gaan met een instrument, met hoe je een noot aanslaat, eigenlijk nog meer dan van m’n piano-opleiding. Vaak wordt gedacht dat de aanslag van een organist geen invloed heeft op de klank, dat organisten daarom maar wat rammen. En bij pianisten zou het dan net andersom zijn. Maar op die historische orgels hoor je echt verschil. De toon wordt veel agressiever als je agressiever aanslaat. Je moet die toetsen heel smooth indrukken om een mooie respons te krijgen. Zo ben ik vervolgens ook een beetje gaan pianospelen en dat werkt.’

In de finale van Beethovens Les Adieux-sonate breng je ruimte in de klank, een soort openheid.

‘Dat is waar ik naar zoek, alleen de ene keer lukt het me wel en de andere keer niet, ik krijg er zelf niet de vinger op. Maar ik herken de term ruimte, zo zou ik het zelf ook omschrijven, iets waardoor er zelfs in het fortissimo, het heel drukke, altijd zoveel ruimte blijft dat het niet dichtslibt.’

Zijn er pianisten die voor jouw klankvoorstelling iets betekend hebben?

‘Ik weet nog dat ik voor het eerst Francks Prelude, Aria et Final hoorde met Alfred Cortot. Vooral in de aria deed hij iets met de klank waardoor ik ontzettend werd gegrepen. In de klank voelde ik een vrijheid en een ruimte die me ongelooflijk inspireren.’

Kon je die toon analyseren?

‘Nee. Voor een deel heeft het te maken met gewicht. Ik probeer altijd mijn armgewicht te gebruiken, ook als ik heel zacht speel. Alleen in snel passagewerk gaat dat natuurlijk niet. Verder hangt veel af van de mogelijkheden van de vleugel. Sommige vleugels produceren een heel glad geluid waar ik weinig aan kan veranderen.’

Jij wilt een instrument waarop je voor de klank moet werken. Je zei over Yamaha’s dat ze te gemakkelijk aanspreken.

‘Klopt. Daar bedoel ik mee dat ze al heel snel een aangenaam geluid voortbrengen waardoor je niet wordt uitgedaagd om verder te zoeken – en vaak heeft dat ook helemaal geen zin omdat er niet meer in zit. Maar heel goede vleugels zijn zo ontzettend precies en wendbaar dat je ieder onregelmatigheidje hoort, veel beter dan op zo’n Yamaha. Dat daagt je uit om klanken te zoeken. Het hangt ook van jezelf af. Soms lukt het me bij het inspelen in een zaal niet om eruit te krijgen wat ik me voorstel, maar met een beetje extra energie blijkt dat soms toch te gaan.’

Dan zoek je met je vingers naar een toon.

‘Ja. Maar als je onder spanning staat wordt alles anders, dan hoor je zelfs het instrument anders. Ik had het vorige maand nog. Ik speelde twee keer achtereen hetzelfde recital­programma, de eerste keer op een Yamaha die bij het inspelen fantastisch was. Alles liep zoals ik wilde – maar tijdens het concert vond ik het niet meer terug. Twee dagen later speelde ik op een Steinway en daar was het precies andersom. Bij het inspelen dacht ik: wat een beperkt instrument, waarom komt er niks uit – en tijdens het concert ging het als het ware open.’

Heb je nou zelf al een vleugel? Op tv zie ik in je huiskamer een simpele piano staan.

‘Die staat er nog steeds. Ik heb nog niet de tijd gehad een beter huis te vinden waar een vleugel in past. Af en toe bekijk ik een instrument, daar moet ik nu echt werk van maken. Ik sluit trouwens niet uit dat het toch een Yamaha wordt, maar ik heb de afgelopen jaren steeds gedacht dat ik per se een Steinway moest hebben. Er wordt natuurlijk een bepaald niveau van me verwacht, en als ik een concert moet geven op een Steinway is dat dus een instrument dat ik helemaal niet zo goed ken. Het heeft me tijd gekost om uit te vinden hoe je zo’n ding eigenlijk moet bespelen, terwijl mijn carrière al was begonnen. Pas nu begin ik eindelijk het gevoel te krijgen dat ik er een beetje vat op krijg. Daarom dacht ik: ik moet gewoon het beste van het beste hebben.’

Maar eerst tijd.

Voor alle optredens zie ­www.hannesminnaar.com