Dubai, het New York van de Arabische wereld

Als je verwelkt, moet je weg

Meer dan negentig procent van de bevolking van Dubai is immigrant. Aan inburgering wordt niet gedaan, werklust is vereist. Respect eisen? Sorry, daar heeft niemand tijd voor. Nederland kan er wat van leren.

LOOP MAAR EENS ROND op de Albert Cuyp of in de hal van het Haagse Westeinde Ziekenhuis en je ziet het meteen: onze nieuwe Nederlanders beginnen oud te worden. Onze stoottroepen tegen de vergrijzing beginnen zelf te vergrijzen. In Dubai is dat anders. Wie daar gaat werken mag maar een paar jaar blijven. Als je goed presteert zal je werkgever een verlenging van je verblijfsvergunning regelen. Maar voor oude werknemers is geen belangstelling, tenzij ze hoog gekwalificeerd zijn. Het is een soms meedogenloos, maar ook verbluffend flexibel en efficiënt systeem. Voor ons niet iets om in zijn totaliteit te kopiëren, maar wellicht kunnen we er wel bruikbare elementen uit selecteren.
De cijfers spreken boekdelen. Meer dan negentig procent van alle mensen in Dubai is migrant. ‘Echte’ Dubaiaanse mensen zijn er zo'n tweehonderdduizend tegenover maar liefst 1,8 miljoen gastarbeiders. Als je dat naar Nederland met z'n 16,5 miljoen inwoners zou vertalen, zouden er hier zo'n honderdvijftig miljoen arbeidsmigranten rondlopen of, liever gezegd, aan de slag zijn, want werkloosheid kent het systeem niet. Wie geen werk meer heeft moet namelijk weg, soms zonder dat het salaris netjes is afgewikkeld.
Ook Dubai gaat momenteel door een economische crisis en veel megaprojecten liggen stil. Gevolg: bij honderdduizenden zijn migranten rücksichtslos de laan uit gestuurd. Maar vaak kunnen ze weer aan de slag in nabijgelegen stadstaatjes als Sharjah en het olierijke Abu Dhabi die nog wel onstuimig in ontwikkeling zijn.
In ons land is de arbeidsparticipatie onder mensen tussen de vijftien en 65 jaar ruim zeventig procent. Overigens, ook als je maar een uur per week werkt, word je in die statistiek door het CBS al meegeteld. Berekend over de totale bevolking - inclusief kleuters en bejaarden - is de arbeidsparticipatie bij ons rond de 35 procent. In Dubai is de arbeidsparticipatie ruim negentig procent. Ook als je alle (schaarse) Dubaiaanse bejaarden en kinderen meetelt. Kortom, Dubai is één kolossale, verbluffende arbeidsmachine. Alleen migranten in het topechelon - chirurgen, bankiers, architecten - mogen hun partner en kinderen meenemen. Zij hebben een verblijfsvergunning met marriage status. Alle anderen komen zonder familie.
In veertig jaar tijd is het stadstaatje, dat nauwelijks olie heeft, uitgegroeid van een haventje met wat lemen huizen tot een van de interessantste pijlers onder de wereldeconomie. Dat lukte dankzij een visionair Dubaiaans leiderschap in combinatie met die massale instroom van migranten. Dubai’s luchtvaartmaatschappij Emirates kocht onlangs zeventig vliegtuigen voor de lange afstand en bestelde er - hoezo economische crisis? - in juli tijdens de Engelse Farnborough Airshow nog maar weer even dertig bij. Het landje is nu het handelscentrum bij uitstek voor een regio die zich uitstrekt van Tadzjikistan in Centraal-Azië tot Kinshasa, de hoofdstad van Congo.
In de marktwijk Deira moet je je door een bonte mengeling wringen van Afghaanse kooplieden, Bengalese sjouwers en Centraal-Afrikaanse mamma’s. Het stadstaatje is ook de draaischijf voor de hawala, het internationale, informele, extra-bancaire betalingsverkeer. Als een Somalische asielzoeker in Nederland geld overmaakt naar het 'bankloze’ Mogadishu is de kans groot dat er via via een hawala-commisionair in Dubai in het spel is.
In het landje tuimel je van de ene verbazing in de andere. Bushaltes met airconditioning. Midden in de stad een gebouw, de Burj Khalifa, dat bijna een kilometer hoog is. Over het strand een vijf kilometer lange joggingbaan met comfortabel meeverende bestrating. Langs de Sheikh Zayed Road wordt dag en nacht gewerkt aan bijna megalomane wolkenkrabbers. De Amsterdamse Zuidas, die bij mij het hart toch altijd weer even sneller doet kloppen, zou in Dubai een achterafstraatje zijn.

AAN INBURGERING wordt in Dubai niet gedaan. Als een werkgever in je geïnteresseerd is, is het genoeg. Hij regelt voor jou je verblijfsvergunning. De rest telt niet. Jongeren die 'respect’ eisen? Sorry, daar zou echt helemaal niemand tijd voor hebben. En ze zijn er sowieso niet. Fietslessen voor moslima’s, alfabetiseringscursussen, buurtvaders, gemeentelijke langdurigheidstoeslagen, asielzoekerscentra vol arbeidsmigranten, importbruiden, activerende begeleiding, zielstochten à la Paul Scheffer naar een 'nieuw wij’ - aan al dat soort toch wat moe makende, stroeve zaken wordt in Dubai niet gedaan.
Neem dat boek van Ella Vogelaar, De verborgen kracht van migrantenvrouwen. Op de kaft een weeïg makende foto van de auteur als trotse moederkloek tussen drie qua taille kleinere, maar wel krachtig in de camera kijkende migrantenvrouwen. In Dubai zou zoiets ondenkbaar zijn. Daar moet je werklust ervan af spetteren en krijg je op basis van 'verborgen kracht’ vrijwel zeker geen inreisvisum.
In ons land, misschien is het onze tobberige aard, worden allochtonen de laatste tijd veelal als een 'probleemcluster’ gezien waarvoor oplossingen moeten worden gezocht. Tegelijkertijd wordt ons voorgehouden dat we blij moeten zijn met hun komst. Wie immers gaat ons later de trap op dragen als die voor ons te steil is geworden? Wie komt ons, oud en beverig, ’s avonds onderstoppen? Precies, dat gaan Abdullah en Fatima doen. We moeten hen dus verwelkomen. En heeft trouwens niet een ieder recht op een beter leven? Is de omarming van allochtonen in het rijke Nederland daarom niet onze morele plicht?
In Dubai wordt over dit soort kwesties niet gedubd. De houding is er nuchterder en neutraler. De migranten zijn niet 'welkom’. Nergens zul je er een groot Postbus 51-reclamebord tegenkomen met een leuke Dubaiaanse meneer of mevrouw die iets uitlegt of aanwijst of voorleest aan een ook leuke, maar wel nog wat onzekere allochtoon. Maar migranten zijn er evenmin 'onwelkom’. Ze worden gewoon gezien als een groot vliegwiel in een goed geoliede machine.
In Nederland profiteren we van hun arbeid, maar dan toch vooral bij werk waarvoor wij, zoals dat heet, onze handen niet meer vuil willen maken. Verstopte riolen doorprikken, nachtdiensten draaien in lawaaiige fabrieken, in Rotterdam olietankers schoonschrobben. Maar we zien hen daarmee toch niet direct als mensen die ons leven per saldo bovenal veel aangenamer maken. In Dubai worden migranten juist veelal wél gezien als een bron van hedonisme. Ze worden aangewend om jou te vertroetelen. Je tuinman, je masseur, je coiffeuse, je kindermeisje, je plastisch chirurg, je personal trainer - ze zijn allemaal voor jou tijdelijk geïmporteerd. En ze zijn braaf en heel ijverig, want ze denken altijd aan hun volgende werkvergunning. Ze passen zich aan de Dubaiaanse samenleving aan, die trouwens redelijk relaxt is.
Op straat gelden islamitische gedragsregels, maar een hindoe kan naar een hindoetempel en christenen kunnen kiezen uit een keur aan kerken. In de winkels is alcohol verboden, maar in de grote hotels mag gerust stevig worden gehesen. Sommige inwoners van Dubai zijn dat allemaal wel eens beu. Maar wat wil je als je met je tien procent zó'n kleine minderheid bent? Van een identiteitscrisis lijkt echter geen sprake. De toon, de kleur, de sfeer, de cultuur, de spelregels worden door die minuscule, autochtone bevolking en met name door de emir, Sheikh Mohammed Bin Rashid Al-Maktoem, bepaald. Veel Dubaiaanse families zijn trouwens uitgeweken naar het tegen Dubai aangeplakte Sharjah. Die stadstaat is vromer. De formule wordt dan: overdag werken in het relatief zondige Dubai en ’s avonds flaneren met je in niqaab gestoken echtgenote om de baai van Sharjah.
Een wandeling door Sonapur, een stoffige voorstad vol arbeidersbarakken, laat de keerzijde van Dubai’s migratiesysteem zien. De straten zijn er onverhard. Bij iedere voetstap waait, fijn als meel, een wolk woestijnzand op. In de ommuurde woonblokken zitten gastarbeiders samengepakt in minuscule kamertjes vol stapelbedden. Vertier is er niet. Velen van hen komen uit Aziatische achterbuurten. Ze zijn dus gewend aan ongemak, maar het contrast met de rijke delen van de stad is schrijnend.
Een andere onplezierige trek is het nogal seksistische karakter van de migratie: in sommige sectoren is heel duidelijk alleen wie mooi en jong is welkom. In de Dubai Mall, met z'n twaalfhonderd winkels een van de grootste winkelcentra ter wereld, werken bij Dior en Givenchy en Bloomingdale’s uitsluitend beeldschone meisjes. Ze komen uit landen als China en Birma en de Oekraïne. Wie al weer iets begint te verwelken, moet weg. Een ander probleem: huiselijk geweld van het gezin tegen het inwonend personeel. En dan is er, voor alle migranten daar, altijd die knagende onzekerheid over de hernieuwing van de werkvergunning.
Maar ondanks dat alles blijven Dubai en de andere staten binnen de Verenigde Arabische Emiraten en ook de wijdere omgeving van het Midden-Oosten een magneet voor miljoenen migranten. Zelfs in Khartoem, de hoofdstad van het door ons geholpen Soedan, beginnen Filippijnse dienstmeisjes steeds nadrukkelijker deel uit te maken van het straatbeeld. Families in India betalen duizenden euro’s aan tussenpersonen om een familielid naar de Perzische Golf te krijgen. Ze verkopen er soms hun hebben en houden voor. Ze weten dat een avontuur in Dubai slecht kan aflopen, maar ze nemen de gok. De kansberekening leert kennelijk dat het meestal wél goed gaat.
In het Westen wordt het beeld bepaald door de schrijnende gevallen. Maar met name over de honderdduizenden hoger opgeleide, succesvolle migranten - de makelaars, de verkeersleiders, de kooplieden, de IT-experts, de ingenieurs, de medici, de hoogleraren, de hotelbarpianisten, de havenmeesters - worden geen verhalen geschreven. Net alsof onze industrialisatie uitsluitend zou worden bekeken door het prisma van de kinderarbeid bij de porseleinfabrieken van de oude Regout in Maastricht.

IN EEN SUPERMARKT raakte ik aan de praat met een Marokkaanse jongen. In Marokko had hij in militaire dienst een opleiding voor vliegtuigonderhoud gedaan, maar nu werkte hij in de patisserie van de supermarkt. De patisserie was van een Jordaniër, die de plek had gehuurd van de eigenaar van de supermarkt, die op zijn beurt een Iraniër was. 'Waarom ben je uit Marokko naar Dubai gekomen en niet naar Europa gegaan?’ vroeg ik hem. Hij keek me verbaasd aan. Hoe kon ik zoiets doms vragen? 'Als je écht iets wil, ga je naar Dubai. In Europa loop je vast. Daar krijg je nooit echt kansen. Maar hier - dit is het New York van de Arabische wereld! Misschien verkoop ik hier nog een paar maanden baklava, maar ik garandeer je dat ik daarna als goedbetaalde monteur aan de slag ben bij Emirates of bij Qatar Air. En dan ga ik vervolgens op zoek naar nog weer iets beters.’
Dat beeld van Dubai als een nieuw New York klopt eigenlijk wel - zeker als je in het financiële district ’s ochtends al die mensen afkomstig uit alle delen van de wereld met grote piepschuimen bekers Starbucks-koffie de kantoren ziet binnensnellen. Onlangs had ik het erover met een goede Marokkaanse kennis, Nawal. We zaten op het terras van Kwekkeboom aan de Amsterdamse Linnaeusstraat. 'Nou’, zei ze, 'misschien wist je dat nog niet, maar heel veel Marokkaanse jongeren in Nederland dromen van Dubai…’
Waarom ligt over onze migratie een grauwsluier van inefficiëntie en achterdocht? En waarom is Dubai juist dankzij zijn migranten een bruisende, uitdagende hightech-stad? Waarom laten we ons voor ons migratiebeleid alleen inspireren door andere Europese landen en door Amerika en niet door het Midden-Oosten, dat toch een van de belangrijkste migratiegebieden, zo niet het belangrijkste, van de wereld is? Waarom zijn daar geen lessen te leren? Is het vanwege onze neiging om alles wat uit de Arabische wereld komt - afgezien van de islam en de olie - niet erg belangwekkend te vinden? Ik wil zeker niet bepleiten dat we het stuur radicaal omgooien en de migratiestroom richting Nederland uitsluitend à la Dubai gaan organiseren. Ons huidige arbeidsrecht, de Europese regelgeving en ons vluchtelingenbeleid zouden dat ook niet makkelijk maken.
De nieuwe kennismigrantenregeling en de Wet Arbeid Vreemdelingen gaan overigens al wel in die Dubaiaanse richting. En onze oorspronkelijke gastarbeidersregelingen uit de jaren zestig waren natuurlijk ook min of meer op die leest geschoeid. Als we nu aan immigratie denken, denken we vooral aan de lasten en nauwelijks aan de lusten. Zuchtend en steunend aanvaarden wij importbruiden en Vogelaarwijken, omdat ze onlosmakelijk verbonden zijn, of althans dat denken we, aan de mondialisering. En als je niet aan mondialisering doet, ben je zielig en achterlijk.
Dat je ook in de nieuwe wereld mee kunt komen zonder het Nederlandse of West-Europese migratiemodel komt nauwelijks nog in ons op. Toch zijn China en Zuid-Korea succesverhalen geworden zonder immigratie. Hetzelfde geldt voor Finland met zijn zuinige toelatingsbeleid. Of voor Brazilië, dat vroeger immigratieland was maar nu niet meer. En Dubai toont weer een geheel andere, maar ook succesvolle variant. Goed, een nieuw Nederland met honderdvijftig miljoen tijdelijke arbeidsmigranten staat ook mij niet direct voor ogen. Maar die onstuimige, on-Europese groei zoals Dubai die de afgelopen decennia heeft gekend, maakt toch wel behoorlijk jaloers.


Robbert van Lanschot publiceerde eerder dit jaar een boek over moslimmigranten: Café Mogadishu: Omzwervingen door het andere Nederland. Hij werkt in deeltijd voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel