Literatuur: Hoe David Grossman het hoofd boven water houdt

‘Als kind denk je dat de hele wereld joods is’

De Israëlische schrijver David Grossman worstelt met het conflict met de Palestijnen, dat hem een zoon kostte. Schrijven behoedt hem voor cynisme. ‘Kunst is een van de weinige terreinen waar leven en dood naast elkaar kunnen bestaan.’

Op de cover van de Nederlandse editie van Komt een paard de kroeg binnen, de nieuwe roman van de Israëlische schrijver David Grossman, zien we een jongen die op zijn handen door het zand loopt. Een merkwaardig beeld, waarvan de betekenis halverwege het boek duidelijk wordt. De hoofdpersoon, stand-up comedian Dovele Grinstein, is als jongen tijdens een trainingskamp in de Negev-woestijn door een vrouwelijke sergeant uit de groep geplukt en ervaart dat – terecht, zoals even later blijkt – als onheilspellend. Hij moet die middag naar een begrafenis en hij begrijpt niet wie er dood kan zijn. ‘Dus zo loop ik trager en trager en trager op die gedachten te kauwen en ik begrijp het maar niet en begrijp het maar niet, en ineens duik ik, draai mijn lichaam ondersteboven en loop op mijn handen. Ik loop, loop achter haar aan, het zand is gloeiend heet. Ik brand mijn handen, maar dat geeft niet (…) wie kan me vinden, als ik op mijn handen loop, wie kan me te pakken krijgen?’

Is deze manier om een radicaal ander gezichtspunt te kiezen iets wat u mensen zou aanraden? Ik vraag het David Grossman en hij – grijzend, vriendelijk gezicht, aandachtige blik – grinnikt een beetje. ‘Ik zou ze niet aanraden om op hun handen te gaan lopen, wel om van gezichtspunt te veranderen. Nou ja, ik kan dat natuurlijk makkelijk zeggen, maar het is nog niet zo eenvoudig om dat advies op te volgen. Je blik op de wereld veranderen is echt erg moeilijk. Maar het is nuttig om te proberen te kijken vanuit het perspectief van anderen, vooral bij conflicten. Als ik bijvoorbeeld ruzie heb met mijn vrouw kan ik proberen om midden in die ruzie te achterhalen hoe zij ernaar kijkt, in welke termen zij het beschrijft en dan is ineens de impasse doorbroken en wordt de situatie vloeibaar. En dat gaat natuurlijk ook op bij conflicten tussen staten, daar is het echt essentieel.’

Grossman was, net als veel van zijn personages – Momik bijvoorbeeld, uit Zie liefde – een vroegwijs jongetje. Momik is kind van uit Oost-Europa afkomstige overlevenden van de holocaust. Ze praten er met hem niet over, maar hij voelt de dreiging op de achtergrond die te maken moet hebben met ‘het land Daar’, en omdat hij de term ‘nazibeest’ wel eens heeft horen vallen besluit hij een poging te doen om dat beest uit de kelder te voorschijn te lokken en te verslaan. ‘Mijn ouders’, zegt Grossman, ‘hebben de shoah niet meegemaakt, mijn moeder is in Palestina geboren, mijn vader kwam er in 1936 naartoe. Hij is afkomstig uit een stadje in Galicië, Polen, vlakbij Lvov, dat tegenwoordig Lviv heet, en hij sprak nooit, bijna nooit over zijn jeugd. Maar op zekere dag, ik was 8,5, kwam hij naar me toe met een boek en zei: “Lees maar David. Zo was het vroeger, Daar.” Ik snapte meteen dat hij doelde op het stadje waar hij vandaan kwam. Ik pakte het boek, ging in de vensterbank zitten lezen en werd er helemaal door opgeslokt.’

Het was een roman van de beroemde Jiddische schrijver Sholem Aleichem, Mottel Peysi, de zoon van de voorzanger. ‘Ik begreep het niet allemaal, maar het sprak enorm tot mijn verbeelding. Tot dan toe had ik er nooit over nagedacht wat het betekende om joods te zijn. Ik woonde in Jeruzalem, iedereen om me heen was joods, als kind ga je er dan vanuit dat de hele wereld joods is. Maar nu las ik over al die schilderachtige figuren in de sjtetls: rabbijnen, koppelaarsters, de godsdienstleraar. Ik vond het zo fascinerend dat ik meer van Sholem Aleichem wilde lezen. We hadden zes deeltjes in huis, ik heb ze allemaal verslonden. Ze waren natuurlijk bedoeld voor volwassenen, er waren toneelstukken bij en stukken met kritiek op de sociale structuren in tsaristisch Rusland. Maar voor mij betekende het dat ik bij de jeugd van mijn vader kon komen, dus ik las en las.’

Medium hh 13999055.jpg

Sholem Aleichem werd niet alleen als schrijver een voorbeeld voor Grossman, hij zou diens leven ook op een andere, onverwachte manier beïnvloeden. ‘Op de radio, het was 1962 en tv hadden we nog niet, was elke maand een kennisquiz, telkens over een ander onderwerp. Toevallig zou het, vlak nadat ik hem had ontdekt, over Sholem Aleichem gaan. Ik had een heel goed geheugen en zei tegen mijn vader: ik wil meedoen. M’n ouders lachten me uit; je bent nog een kind, zeiden ze, wacht maar een paar jaar. We hadden een buurtwinkeltje waar ze van alles verkochten, pennen, gummetjes, enzovoort. Daar kocht ik voor het eerst in m’n leven een briefkaart en stuurde die naar de radiozender met de mededeling dat ik wilde meedoen. Een week later kwam er een envelop van de radio met een uitnodiging. Mijn ouders vielen zowat flauw, maar ze hebben me naar de studio gebracht.

‘Ik ben me erg bewust van het stemgeluid van mensen. Van elk boek dat ik schrijf, lees ik mezelf de laatste versie hardop voor’

De andere kandidaten waren allemaal experts in Jiddische literatuur, hoogleraren joodse geschiedenis en zo. Maar zoals ik al zei: ik had toen een goed geheugen en ik won. Dat zorgde voor grote verwarring bij de radiodirectie. Je moet niet vergeten: het was pas begin jaren zestig en ze vonden het pedagogisch niet verantwoord dat een kind van nog geen negen zo’n grote geldprijs won. Dat viel trouwens wel mee hoor, het was geloof ik honderd dollar. Goed, dat kreeg ik dus niet, maar ze wilden me ook niet zomaar laten gaan, want ze waren, geloof ik, toch enigszins onder de indruk. Dus kreeg ik rollen aangeboden in hoorspelen en mocht ik als kind-correspondent, begeleid door mijn moeder, overal in het land kinderen interviewen. Het was het begin van mijn radioloopbaan die tot 1988 heeft geduurd.

Ik denk dat bij de radio werken veel invloed op mijn manier van schrijven heeft gehad. Ik ben me altijd erg bewust van het stemgeluid van mensen, hoe je de dingen hoort. Van elk boek dat ik schrijf, lees ik mezelf de laatste versie hardop voor. Zo haal ik er nog veel fouten uit, niet alleen tikfouten, maar ook nuances die niet precies uitdrukken wat ik wil zeggen.’

Sholem Aleichems zachte ironie en de compassie met zijn personages zijn in Grossmans hele oeuvre herkenbaar, maar het sterkst in zijn beschrijving van de figuur van Momik in Zie liefde. Ontroerend is bijvoorbeeld de passage waarin wordt verteld dat Momik ‘een hele mooie, geslaagde serie (heeft) getekend van alle dieren uit het land Daar. Daarbij had hij echt geluk gehad, want van al die dieren had hij toevallig beeldjes gevonden in het glasbuffet uit Bella’s salon.’ Het ‘was plotseling tot hem doorgedrongen dat die kleine beeldjes van gekleurd glas er precies zo uit moesten zien als de dieren die vroeger in het land Daar geleefd hadden, want van Daar had Bella ze immers meegebracht. Er stonden in haar buffet blauwe gazellen, groene olifanten, paarse adelaars, een heleboel vissen met lange, fijngevormde, kleurige vinnen, en een kangoeroe, en leeuwen, allemaal fijntjes en petieterig en doorzichtig en opgesloten in hun glas, en je mocht ze niet aanraken, anders zouden ze meteen breken, ze waren als het ware bevroren in hun vlucht, zoals eigenlijk met iedereen gebeurd was die daarvandaan kwam.’ ‘Ja, die milde spot’, zegt Grossman, ‘en zelfspot. Zo karakteristiek voor joodse humor.’

Er zijn ook andere invloeden te vinden in het werk van Grossman. In zijn voorlaatste boek Uit de tijd vallen, bijvoorbeeld, waarin hij iets probeert te verwerken van de dood van zijn zoon Uri, die op de laatste dag van de oorlog met Hezbollah in Libanon, in de zomer van 2006, is gesneuveld. Een vader, de hoofdpersoon, trekt daar met een hele stoet uiteenlopende figuren, waaronder een centaur, een vroedvrouw en een oude onderwijzer, die allemaal een dierbare hebben verloren, naar het einde van de wereld en de tijd, in de hoop een glimp van hun geliefden op te vangen. Een stadschroniqueur doet verslag. Het doet denken aan het magisch realisme van veel Latijns-Amerikaanse schrijvers. Grossman is het er niet mee eens. ‘Ik zou Uit de tijd vallen geen magisch realisme noemen, het is een heel intiem verhaal en in het magisch realisme vind ik die intimiteit niet. Het is daar vooral dol zijn op fantasie. De manier waarop ik schrijf is heel persoonlijk en gevoelsmatig, als ik het zelf zo mag karakteriseren. Daar komt het voor mij op aan in de literatuur. De meeste schrijvers weten hoe ze een verhaal moeten verzinnen, hoe ze hun fantasie kunnen gebruiken, ze hebben verbeeldingskracht. Maar mij is dat te makkelijk, voor mij moet de verbeelding totaal zijn geworteld in gevoel.’

Grossmans eerste roman, De glimlach van het lam uit 1982, gaat rechtstreeks in op het Israëlisch-Palestijnse conflict. Een Israëlische soldaat, Uri, is gestationeerd op de Westelijke Jordaanoever en raakt daar bevriend met een teruggetrokken levende Palestijn, Khilmi, wiens zoon hem heeft verlaten om bij de plo te gaan. Onder druk van de bezetting komt er met veel geweld een einde aan de vriendschap. In de meeste latere romans – met als belangrijke uitzondering Een vrouw op de vlucht voor een bericht – gaat het niet over het conflict. ‘Dat is zo’, zegt Grossman, ‘gek genoeg voel ik me meestal niet geroepen om er fictie over te schrijven; ik spreek me liever uit in artikelen of toespraken. De glimlach van het lam, was voor mij een manier om erachter te komen wat ik denk en voel. Mijn intuïtie zei dat er iets fout zat sinds onze overwinning in de oorlog van 1967, maar ik wist niet hoe ik het onder woorden moest brengen. Daarom wilde ik geen non-fictie schrijven, maar een roman. Omdat dat een vorm is om vragen te stellen, niet om antwoorden te geven.

‘Ik voelde op een heel rare manier die ik niet kan uitleggen dat alles in mijn leven verbrijzeld was’

Het was de eerste roman in het Hebreeuws over de bezetting, zestien jaar na het begin ervan, en eerlijk gezegd: veel andere zijn er niet op gevolgd. De werkelijkheid is te benauwend om erover te schrijven, is mijn indruk. Toch heb ik nu het gevoel dat de situatie zo acuut aan het worden is dat het nodig is heel direct te zijn, het de mensen als het ware in hun gezicht te smijten. Er is geen status-quo, iedere dag die voorbij gaat zonder oplossing zijn er meer nederzettingen, is er meer fundamentalisme, aan beide kanten. Vanwege die nederzettingen houdt Israël nu al bijna vijftig jaar vast aan de bezetting. Het is ongelooflijk dat wij, het democratische Israël, al 47 jaar een ander volk onder de duim houden. De situatie lijkt bevroren, maar dat is ze niet. Op een dag zal het tot een explosie komen. Alleen heb ik dit al zo vaak eerder gezegd. Dus zeg ik het niet meer tot ik er nieuwe woorden voor vind.’

De enige oplossing die Grossman zich kan voorstellen is en blijft die van twee staten, Israël en Palestina, naast elkaar. Eén land waarin beide volkeren samen leven, zal volgens hem tot ernstige nieuwe botsingen leiden. ‘Kijk naar de Vlamingen en de Walen, die zijn politiek veel meer volwassen dan wij, ze zijn al tweehonderd jaar samen zonder dat er bloed is gevloeid. En toch willen ze uit elkaar, omdat ze niet zien wat hen verenigt. Hoe kun je dan verwachten dat de Palestijnen en wij, na honderd jaar bloedvergieten, zomaar in één staat kunnen samenleven?’

Ook in een economische of culturele boycot, voorgesteld door scherpe critici van Israël, ziet hij niets. ‘Ik begrijp de kritiek en deel hem tot op grote hoogte. Waarbij het wel van belang is op te merken dat de blaam niet alleen ons treft. We hebben een moeilijke partner. Hamas wil geen vrede, het verklaart openlijk dat het ons wil uitroeien. Dus de situatie is niet zwart-wit. Maar zelfs afgezien daarvan: een boycot gaat niet slagen, het is geen bruikbaar idee. De Israëliërs zullen op een volstrekt defensieve manier op een boycot reageren, hardnekkig en strijdlustig. Ik ken mijn volk, ik ken hun reactie.’

Hij kijkt voor zich uit. ‘Wat zou moeten gebeuren, is het creëren van omstandigheden waarin iets positiefs kan opbloeien. Stel je zet een groep Israëliërs neer in Amsterdam, een stad die al zeventig jaar zonder angst en in vrijheid leeft. Hun betere ik zou al snel de overhand krijgen, ze zouden beleefd worden, aardig, tolerant. Stel je daarentegen het leven voor dat wij al een eeuw leiden: oorlog, argwaan, uitputting door steeds maar iemands vijand te zijn, op je hoede te zijn. Dan komen andere delen van je ziel bovendrijven; je wordt agressiever, ongeduldiger, nationalistischer. Dat is bijna iets natuurlijks. Dus de vraag is: hoe scheppen we de voorwaarden om het betere deel van onszelf een kans te geven?’

Een ander thema dat naast het conflict in het Midden-Oosten steeds in Grossmans werk terugkomt, is de shoah. ‘Ik geloof dat iedereen in Israël daardoor getekend is. Door wat mensen andere mensen kunnen aandoen, alleen omdat ze jood of Roma waren. De ellende is: ook zeventig jaar na de shoah hebben we nog niet een goede manier gevonden om jongere generaties te laten begrijpen wat het geweest is, die genocide, die vernedering, het grote verlies, zoveel mensen, zonder onderscheid vermoord, naamloos vaak. Dit jaar was er in Israël een discussie over de vraag hoe je kleuters les moet geven over de shoah. Ik zou zeggen: niet doen. Spaar ze, tot ze zeven, acht, tien jaar zijn. Ik weet nog de dag dat mijn oudste zoon, Jonathan, drie jaar oud, helemaal geschokt thuiskwam. De peuterleidster had erover verteld. Hij vroeg: “Waarom hebben ze dat met ons gedaan? Hadden we het verdiend? Wat betekent het dan om joods te zijn?” En ik wilde niet dat hij wist hoe wreed mensen kunnen zijn.

'Het is ongelooflijk dat wij, het democratische Israël, al 47 jaar een ander volk onder de duim houden’

Ja, ik heb geschreven over Momik die door stilzwijgen omgeven opgroeide, maar of dit beter is? Als mijn onschuldige Jonathan hoort wat de nazi’s gedaan hebben is hij nooit meer hetzelfde kind. Sterker nog, hij zou eigenlijk helemaal geen kind meer zijn, want hij zou iets kwijtraken wat je als kind nodig hebt om je te kunnen ontwikkelen. Dus hoe breng je zoiets als de shoah over aan een nieuwe generatie en maak je er niet op een verkeerde manier gebruik van? Het wordt bij ons gemanipuleerd. We hebben een minister-president die als een tovenaar in staat is reële gevaren waarmee we te maken hebben – die zijn er – te vermengen met de echo’s van de shoah. Netanyahu vergelijkt de leiders van Iran bij voorkeur met Hitler en president Obama met Chamberlain. En wij, als volk, als getraumatiseerde gemeenschap, staan volkomen hulpeloos tegenover zulk gemanipuleer. Wij zijn als verlamd, hij kan met ons doen wat hij wil. Hij heeft op die manier de verkiezingen gewonnen.

Ik weet niet hoe lang het gaat duren vóór we een evenwichtiger benadering van de shoah hebben ontwikkeld. Misschien gebeurt het wel nooit. Het is zoiets als recht tegen de zon in kijken, het verblindt je, de wreedheid is zo groot dat je er niets mee kan.’

In mei 2003 begon Grossman aan Een vrouw op de vlucht voor een bericht. Hoofdpersoon Ora brengt aan het begin van het boek haar jongste zoon Ofer weg. Het is midden in de tweede intifada en Ofers pantsereenheid is opgeroepen voor een actie op de Westbank. Zijn moeder is doodsbang en ze durft niet thuis te blijven uit angst dat men haar daar het bericht van zijn dood zal komen brengen. ‘Ze kunnen op allerlei momenten aanbellen, denkt ze, bijvoorbeeld als zij bezig is de tassen uit te laden en de boodschappen in de koelkast te zetten. Of als ze tv zit te kijken, of als ze ligt te slapen. Of als ze op de wc zit of groente aan het snijden is voor de soep.’ Omdat ze dit niet zou kunnen verdragen, besluit ze weg te gaan, haar huis te verlaten en een trektocht door Galilea te maken gedurende de hele tijd dat de campagne duurt. Tot ongenoegen van Ofer. ‘“Goed”, verzucht hij nu, “wat hèb je, mama?” Hij is al helemaal verslagen, het is te horen en snijdt door het hart, en ze zegt: “Niets, ik heb niets.” “Zeg op, ik vind het raar dat je zo doet.” “Wat is raar? Wát is raar? Een tocht gaan maken in Galilea is raar en de kasba van Nabloes binnenvallen lijkt je normaal?” “Maar je bent er dan wel als ik thuis kom?” (…) Ze zwijgt. Haar vinden ze dan niet, denkt ze, dat is nu net waar het om draait. En er flakkert nog iets in haar op: als ze haar niet vinden, als zij onvindbaar is, raakt hij niet gewond. (…) Het is niet logisch, voelt ze aan, maar wat is hier logisch?’

Op vrijdag 11 augustus 2006 belde Uri, Grossmans jongste zoon, op vanaf zijn militaire post. Hij was blij met het nieuws dat er waarschijnlijk een bestand zat aan te komen en beloofde zijn veertienjarig zusje Ruthi dat hij de volgende zaterdag met het eten thuis zou zijn. Op zondag 13 augustus, heel vroeg in de ochtend, rinkelde bij de familie Grossman de bel. Over de intercom zei een stem: we komen u een officieel bericht brengen. Zaterdagavond was Uri’s tank in het Libanese dorp Hirbet K’seif getroffen door een raket. Hij sneuvelde samen met de rest van de bemanning.

‘Ik was op tweederde van Een vrouw op de vlucht voor een bericht toen het gebeurde’, zegt Grossman. ‘Ik bedoel: het verhaal dat ik aan het verzinnen was werd werkelijkheid. Eén dag na afloop van de week van rouw ging ik terug naar m’n schrijftafel. Want ik voelde op een heel rare manier die ik niet kan uitleggen dat alles in mijn leven verbrijzeld was. Het enige wat nog min of meer overeind stond was het boek dat ik aan het schrijven was. Dat was op dat moment het enige waarmee ik me kon bezighouden. In het begin schreef ik een uur per dag, daar kwam telkens een kwartier bij.

De noodzaak om mijn personages in leven te houden, ze een ziel te geven en een levensloop, anekdotes, humor, seksualiteit, liefde, dat gaf mij iets van mijn leven terug. Ieder kunstwerk dat voor mij betekenis had, ieder boek dat me raakte, heeft zich afgespeeld op de grens van leven en dood. Altijd al, van jongs af aan. Kunst is een van de heel weinige terreinen waar leven en dood naast elkaar kunnen bestaan. Begrijp me niet verkeerd, ik doe vanzelfsprekend ook graag gewone, stomme, oppervlakkige dingen, maar als ik wil voelen dat mijn leven de moeite waard is, dan is die plek, waar leven en dood elkaar ontmoeten en elkaar bestrijden, de plaats waar ik wil zijn.’

Hij zucht diep, voor het eerst, en zegt ‘thank you’, als teken dat we hopelijk klaar zijn met dit gesprek. Maar ik heb nog één vraag: hoe slaagt hij erin niet cynisch of wanhopig te worden? Heeft hij die gevoelens gewoon niet in huis?

‘O jawel hoor!’ zegt hij. ‘Het kost me heel wat inspanning om me daar verre van te houden. Er zijn zo veel goede – of minder goede – redenen voor wanhoop, maar ik denk: als ik wanhopig word, ben ik verslagen. En zo ver ben ik nog niet. Het heeft misschien te maken met het verlangen om iets nieuws te creëren dat ik altijd denk dat er een uitweg is, of moet zijn. Dat als ik het anders beschrijf, ik nieuwe energie zal krijgen. Dat ik niet gedoemd ben om te zinken, te verdrinken, dat ik nog een beetje zwemmen kan.’


Beeld: David Grossman. Foto Joost van de Broek / HH.