Als marsman

Je ziet door het strand de zee niet meer, daar op Scheveningen. Er lopen mensen in de weg. De moderne badplaats in optima forma. Heeft die nog iets met de zee te maken?

WACHTEN OP DE trein. Er is zon, er is zomer. Geen vertraging. Mensen stappen uit, mensen stappen in. Dat is alles. Achter me bestuderen twee oude mensen het bord met vertrektijden. Ze zetten hun vinger op de lijst en laten hem langzaam zakken. 06 uur, 07 uur, 08 uur, 09 uur en zo verder. 12.21 uur, ja! Die moeten we hebben. Vanachter het raam zie ik het stel zich omdraaien. Terwijl de trein zich schommelend in beweging zet, zwaai ik heel even naar ze. Op het perron rennen twee kinderen, in wit-geel-groene joggingpakjes. Een jongetje en een meisje. Het jongetje is sneller, hij wint. Nee. Hij wint niet, want hij klettert tegen de grond. Gestruikeld over zijn veter, of over zijn haast. De klap is te horen in de trein, die - tadoem tadoem - een half uur later al in Den Haag is. Geen vertraging. Trammetje. Ik ben hier geboren. Vroeger - ach, vroeger - dribbelde ik tussen mijn vader en moeder naar de zee. Nu niet. Nu is nu. En niet vroeger. Maar nu is ook leuk. Ik heb mijn favoriete stilleesboek van de laatste dagen bij me: Aula Pocket 530. Het leven, lees ik, is ontstaan uit een soort zee, een zee van soep. Ook de mensen. Heeft allemaal met koolstof te maken, C-atomen. Daar kun je alles van maken, ook mensen. Als de omstandigheden maar goed zijn. En als er een vonk is. In de tram. Warme mensen. Plakkerig plastic. Maar ook is het meisje N. er. Dat is leuk. IK WEET NOOIT wat er eerder was: Hendrik Marsman of de zee. Misschien las ik eerst Marsmans Verzamelde gedichten en bracht dus elk bezoek aan de Hollandse kust voortaan dat mooie gevoel van herkenning. Of misschien was ik al vaak genoeg aan zee geweest om bij eerste lezing Marsmans poëzie te kunnen waarderen. Hoe dan ook, Marsman lezen zonder de zee in je hoofd, dat kan niet. En naar de zee gaan zonder Marsman in je hoofd, dat is niets. Het gaat niet. Wie loopt over het Nederlandse strand - weg, weg van pieren en paviljoens en kraampjes, karretjes en Kurhaus - die hoort, ergens in zijn achterhoofd, het gedicht ‘Nacht’: 'Eeuwen wentelden hun volheid samen:/ zijn fundament// aan de gewelven der vervloeide leden/ sloegen de schaduwen hun laat gebaar:/ vergane eeuwen aan verwijde flank.// een late, smalle bloem,/ op den verloomden maatslag van den tijd’. En wie dat hoort galmen in zijn herinnering, die groeit, voelt zijn hart opengaan. 'Hier is het wijde strand, brug tusschen land en zee.’ Blij dat Marsman bij ons is. Zoals Willem Kloos al zei: 'Ik houd erg van de natuur, maar ik moet er wel iets te drinken bij hebben.’ Met deze zee ontkom je daar niet aan. Want het is hier Scheveningen. Mensen lopen over de boulevard. Ze kijken naar elkaar. Ze kijken naar de strandpaviljoens. Die hebben exotische namen maar ze serveren geen cocktails. Wie gaat er nu naar Scheveningen op een mooie zomerdag? Wij, dat zijn zij en ik, gaan naar Scheveningen. Iedereen gaat naar Scheveningen op een mooie zomerdag. Kijk maar, iedereen is er: de familie uit Duitsland die zich zo netjes probeert te gedragen dat het opvalt; de Achterhoekse hardrockers met de kratten bier tussen hen in; de blonde Anita’s in de g-string (hoewel 'in’ hier een groot woord is voor zo'n kledingstuk); de ijsjesverkoper; de haringman; de rozenverkoper met polaroidcamera. HET IS EEN DAG voor de liefde. Om verliefd te worden. Om verliefd te zijn, al. Om in het zand tegen iemand aan te liggen en in slaap te vallen. Geheel gekleed, dat spreekt vanzelf. Want strandmode is niet voor iedereen bedoeld. Er is hier duidelijk sprake van strandmode. Wie schreef er dat topless zonnen uit was? Vele blije borsten bewijzen het tegendeel. Dit is een harde confrontatie met de medemens. De strandmens. De strandmens is geen zeemens. Hij zoekt zijn vertier overal behalve in de zee. Voor hem is de badplaats gebouwd: een doffe reeks betonblokken met neonreclames eraan. We doen hoeveel merken we zien. We zien Heineken, Ola, C & A, Corona, Grolsch. We zien Coca-Cola, Febo, McDonald’s, Burger King. We kijken de andere kant op. Daar zien we Blokker, V & D, P & C, We kijken de andere kant op. We zien H & M, M & S, Free Record Shop. We kijken - Wat hier niet lijkt te kunnen: peinzen, enigszins tot inkeer komen, rust vinden en stil worden. Niemand wordt hier stil. Het is hier nooit stil. Dit is Scheveningen, en dat heeft niets met de zee te maken. Een van de grootste nadelen van de natuur is dat er geen hek omheen staat. Dat de mensen zich er vrij in kunnen bewegen. In joggingpakken. Zou het beter zijn om de zee naar ons te laten komen in plaats van onszelf naar de zee te dragen, als waren wij water? Wellicht dienen we het voorbeeld te volgen van Jean Floressas des Esseintes, dandy, hoofdpersoon uit de tegen-natuurlijke roman Tegen de keer van Joris-Karl Huysmans uit 1893. Des Esseintes, het leven, de mensen en de dingen moe, weigert zijn huis te verlaten. Om toch van reizen te kunnen genieten treft hij zijn maatregelen. Hij richt een vertrek zo in dat hij de wereld over kan varen. Met een patrijspoort lijkt de kamer op een scheepshut. 'Er zaten twee ramen in; het ene was onzichtbaar, omdat het achter het schot verborgen was; door een veer kon men deze wand echter neerklappen, zodat de frisse lucht die men liet binnenstromen, niet alleen om de hut van Amerikaans dennehout zou circuleren, maar er ook in zou kunnen komen. Het tweede raam was zichtbaar, want het bevond zich precies tegenover de patrijspoort die in de betimmering was aangebracht; men kon er echter niet doorkijken, omdat een groot aquarium alle ruimte in beslag nam tussen de patrijspoort en het echte raam in de muur.’ Des Esseintes waande zich op het tussendek van een brik en hij keek naar 'wonderlijke, mechanische vissen, opgewonden als uurwerken’, die voor de ruit van de patrijspoort heen en weer bewogen. Andere keren ademde hij de geur van teer in die men in de kamer verspreid had voor hij er binnenging. Hij bestudeerde gravures van scheepvaartmaatschappijen, plaatjes van stoomboten, ingelijste kaarten met de routes van transatlantische mailboten. Als hij daar genoeg van kreeg, ging hij lezen in De avonturen van Arthur Gordon Pym van Edgar Allan Poe, 'speciaal voor hem gedrukt op zorgvuldig uitgezocht vergépapier, dat een meeuw als watermerk had’. Hij snoof de geur op van netten, zeildoek, hij rook aan een 'kluwen garen of een stukje touw, dat men voor die gelegenheid in een van die enorme touwslagerijen gekocht heeft, waarvan de grote magazijnen en de kelders naar zeewater en zeehavens ruiken’. Des Esseintes kon op deze manier 'zonder het huis te verlaten, meteen als hij wilde, genieten van de sensaties van een lange zeereis; en dit plezier van het ver wegtrekken, dat eigenlijk alleen bestaat in de herinnering en bijna nooit als ervaring van het heden, genoot hij ten volle, onbezorgd, zonder vermoeidheid en ergernissen in deze cabine waarvan de opzettelijke wanorde, de voorlopige aankleding en de tijdelijke inrichting vrij aardig overeenstemden met de vluchtige bezoekjes die hij er bracht en de beperkte tijd die hij voor zijn maaltijden nodig had. (…) Er op uit trekken leek hem trouwens nutteloos sinds hij geloofde dat de verbeelding gemakkelijk de gewone werkelijkheid van de dingen kon vervangen.’ Ook de natuur is volgens de dandy aan vervanging toe. De 'oude zeur’ heeft haar tijd gehad. Het eentonige, het bekrompene en het voorspelbare van de natuur staan hem zeer tegen. 'De menselijke geest is in staat haar uitvindingen, hoe subtiel en subliem ook, na te maken; een door schijnwerpers beschenen decor imiteert volmaakt het door de maan verlichte woud van Fontainebleau; hydraulische machines bootsen perfect een waterval na; papier-maché is heel geschikt voor rotsen.’ ZO IS DAT. Weg met de natuur. En met die verdorven bekroning: de mens. Wie dat niet gelooft, kome hierheen. De dynamische, vitale zee van Marsman is verdwenen. Aan het zicht onttrokken door strandpaviljoens en opgeblazen plastic giraffen. Door wapperende Cola-vlaggen. Het wilde ruisen van de branding is verstomd - onhoorbaar geworden door het schetteren van radio’s en ghettoblasters. Door het gillen van meisjes en het vloeken van jongens. Door brommers. Scooters. Jetski’s. Waar Marsman in zijn poëzie het grote, het alomvattende zoekt, staan we hier tegenover de mens op zijn smalst. En op zijn lelijkst. Zich amuserend, zich plat vermakend. Hij kauwt kauwgom en schreeuwt. Hij start zijn auto zo dat iedereen wel moet kijken. De zee? Het strand! De golven? De boulevard. Marsmans gedichten, met name de vroege, draaien om een individualistische beleving van eenheid met de kosmos. Van verbondenheid met de rest van de mensheid is geen sprake. Nooit. Hoe kan het ook? Ze zijn zo heel erg de anderen. De dichter valt samen, of wil samenvallen met het universum, het alles. In hem is alles, beweegt alles, zoemt alles. Alles behalve mensen. Misschien alleen een vrouw, die ene vrouw. 'Ik droomde, ook als ik in bed lag, van reizen door het heelal en ik ging zoo volledig in deze verbeeldingen op, dat ik het bewustzijn volkomen verloor. Ik droomde niet meer dat ik reisde - ik reisde. Tegen den nacht ging ik scheep, onder de vlag van het opkomend donker en het stervende avondrood, zooals ik het, onder allerlei beelden, zoo vaak heb beschreven in de verzen van dien tijd. Smal en vervoerd lag ik in mijn rusting, tussen mijn schild en mijn zwaard. Ik was niet alleen. Ik bevoer den nacht in een boot die gevormd was uit het lange en breede haar van een vrouw. Wij hielden elkaar omstrengeld en zo voe ren wij, de ogen gesloten, over de geheimzinnige nachtelijke zee, “de zee van leven en dood”. Maar langzamerhand loste dit alles zich in de oneindigheid op, de vrouw verging in den nacht en ook ikzelf vervloeide: mijn lichaam, kantelend, zoodat mijn rug langs den hemel boog, verwijdde zich tot het heelal.’ DE KOSMISCHE ERVARING: vervloeiing en vergroting. Alles is hier, alles is nu. Omdat ik hier, nu ben. Omdat wij hier, nu zijn. In een ogenblik komt alles samen, valt alles samen met mij. De wereld is alle liefde waard. Het leven is het enige wat we hebben. Er ligt een oud bestaan achter ons, maar we leven ons leven met overgave, met de diepste overgave, omdat het ons leven is. De kosmos is bijna te klein voor ons, we barsten uit onze voegen van levenslust. We leven! Begrijp je dat? We leven! Ja, dat begrijp je. Daarom ben je ook zo mooi. Marsman is hier niet. En hij zal ook niet komen. We geven ons over. Het is te laat. Misschien bouwen we op een dag thuis de zee na. Zodat we niet meer hier naartoe hoeven. Dan lees ik Marsman voor. Goed? Iedereen is weg. Het is nacht. Ruimte is ons soepel kleed om het lichaam, en het kleed om ons lichaam schept de ruimte tussen onszelf en de andere mensen. Ik heb een button, van vroeger, met daarop: 'You’re standing too close.’ Hoe kun je die nou dragen als je naakt of in een g-string over het strand paradeert? Zie je nou wel. Het strand loopt leeg. Er liggen alleen nog maar blikjes. Chipszakken. G-strings. De wereld gaat aan geluk ten onder. Zie je dat? Dat lijkt de zee wel. Ja, we zijn alleen. We zijn allemaal alleen. Dat is niet erg. Soms wentelen eeuwen hun volheid samen en kantelt de nacht. Wanneer de hemel zich opent zullen wij er zijn. We zullen wachten voor de poort. En wij zijn lekker de eersten, ha! Dan gaan we nu in het zand zitten. Ik ga liggen. Hou jij de wacht? Dan val ik in slaap. Tegen je aan. Omdat dat zomaar kan. Ik val in slaap. Wat denk je, is dit een dag om verliefd te worden? Op Hendrik Marsman, in ieder geval. ’(’t Uitgemergeld menschdom ligt gebogen/ een verbrijzeld standbeeld van zijn hoogste glorie/ (…)/ ’t Witte vuurlicht van de oorlogsban/ schroeide m'n oogen blind,/ m'n leden zwart.’ Hou jij de wacht. Ik slaap. 'IK STA TE WACHTEN aan het glimmend strand -(Over de zee klom aan de horizon(een witte vlam - en danst,(zooals een vrouw danst met oranje haar,(en zweeft naar mij…(zich beeldend tot jouw wezen,(neigt naar mij…(- strekt hoofd en handen… Rood is de schreeuw van mijn verdorden mond:(kom - kom!(- en zwaar is de val van mijn gebogen lijf… Als ik mijn oogen opsla in den nacht(ben ik alleen -(en vouw mijn handen(en ik smeek: Vergeef!(Want ik mag niet wenschen en niet begeren.’ IK SLAAP. Jij houdt de wacht. Alles is goed. Alles is goed.